Het voorbereidend onderzoek geeft de commissie aanleiding tot het maken van de volgende
opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.
VVD
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel.
Nederland heeft bij de totstandkoming van het nieuwe EU-toezichtraamwerk, in lijn
met het Nederlandse toezichtmodel, gepleit voor een Twin Peaks model (een gedragstoezichthouder
en een afzonderlijke prudentiële toezichthouder). In de onderhandelingen met de andere
lidstaten is uiteindelijk voor een sectoraal model met drie Europese toezichthoudende
autoriteiten (ESA’s) gekozen. Wel is op Nederlands initiatief een evaluatieclausule
opgenomen in de oprichtingsverordeningen van de ESA’s die voorziet in een evaluatie
na drie jaar. In de Nota naar aanleiding van het verslag2 wijst de minister van Financiën nadrukkelijk op de mogelijkheid dan het Twin Peaks
model opnieuw aan de orde te stellen.
Dit doet bij de leden van de VVD-fractie een aantal vragen rijzen. In hoeverre is
het realistisch reeds na drie jaar een besluit uit te willen lokken om een gecompliceerd
bouwwerk, waarvan de verf nog niet droog is te vervangen? Waarom wil de regering überhaupt
opnieuw trachten een Twin Peaks systeem ingevoerd te krijgen? Welke voordelen heeft
dit toezichtssysteem boven het sectorenmodel?
Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of in Nederland met een Autoriteit Financiële
Markten (AFM) en De Nederlandsche Bank (DNB), zeker na de instelling van een Voorzitter
toezicht bij DNB, niet sprake is van een sector-hybride situatie, weliswaar met andersoortige
sectoren, in plaats van een zuiver Twin Peaks model.
ChristenUnie
De leden van de CU-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel
maar hebben nog wel een aantal vragen. Deze richten zich op transparantie, slagkracht
en evaluatie en de betrokkenheid van DNB en AFM.
De wet reguleert de samenwerking tussen DNB en de AFM enerzijds en de drie nieuwe
Europese toezichthoudende autoriteiten (ESA, EIOPA, ESMA) en het Europees Comité voor
systeemrisico’s anderzijds. De eerste vraag die de leden van de CU-fractie stellen
is of de regering van mening is dat met deze nieuwe structuur en nieuwe instanties
een effectief systeem van supranationaal toezicht gerealiseerd zal worden. Van enige
afstand bezien maakt het nieuwe systeem geen transparante indruk. Kan de regering
een samenvattend en helder overzicht geven van de bindende en niet-bindende bevoegdheden van deze nieuwe instanties en de bijbehorende besluitvormingsprocedures?
Geldt het principe van «comply or explain» in gelijke mate voor alle toezichthoudende autoriteiten? Welke systemen van conflictresolutie
zijn ingebouwd?
Hoe beoordeelt de regering in dit verband de overkoepelende slagkracht van het Joint
Committee of Supervisory Authorities? Is evaluatie van de nieuwe toezichtsstructuur
voorzien en zo ja wanneer? Indien dat het geval is, kan de regering er dan op aandringen
dat de verhouding tussen Europees en nationaal toezicht daarvan onderdeel uitmaakt?
De nieuwe procedure moet vooral de samenwerking reguleren tussen de Europese toezichthouders
en de nationale actoren. Wat Nederland betreft zijn dat met name DNB en de AFM. Kan
de regering inzicht verschaffen in de oordelen van DNB en AFM over deze nieuwe Omnibus-richtlijn?
Zijn zij betrokken geweest bij de voorbereidingen van de richtlijn?
De leden van de commissie zien de beantwoording van voorgaande vragen – bij voorkeur
binnen vier weken – met belangstelling tegemoet.
De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, Essers
De griffier van de vaste commissie voor Financiën, Van Dooren