Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201233021 nr. 3

33 021 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Faillissementswet, de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met de implementatie van richtlijn 2010/78/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot wijziging van de Richtlijnen 98/26/EG, 2002/87/EG, 2003/6/EG, 2003/41/EG, 2003/71/EG, 2004/39/EG, 2004/109/EG, 2005/601/EG, 2006/48/EG, 2006/49/EG en 2009/65/EG wat de bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankenautoriteit) de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) betreft (PbEU 2010, L 331) (Wet implementatie Omnibus I-richtlijn)

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

Het advies van de Afdeling van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt/uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 26, vijfde lid, van de Wet op de Raad van State).

De oorspronkelijke tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoals voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Algemeen

1. Inleiding

Het wetsvoorstel strekt tot implementatie van de zogenoemde Omnibus I richtlijn.1 Deze richtlijn geeft een passende reikwijdte aan een aantal algemene bevoegdheden van drie nieuwe Europese toezichthoudende autoriteiten en een Europees Comité voor systeemrisico’s. Deze toezichthouders zijn middels verordeningen opgericht en moeten bijdragen aan de stabiliteit en doeltreffendheid van het financiële stelsel in Europa. Om een goede samenwerking tussen de Nederlandsche Bank N.V. (DNB) en de stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) enerzijds en deze Europese toezichtautoriteiten en het Europees Comité voor systeemrisico’s anderzijds te borgen, wordt met dit wetsvoorstel een paragraaf in de Wet op het financieel toezicht (Wft) opgenomen die betrekking heeft op de samenwerking met deze autoriteiten. Het wetsvoorstel bevat voorts nog enige andere aanpassingen die als gevolg van de introductie van deze Europese toezichthoudende autoriteiten nodig zijn.

De Omnibus I richtlijn dient op 31 december 2011 omgezet te zijn in de nationale wetgeving. Bij de omzetting zijn geen nationale beleidskeuzes gemaakt. In paragraaf 6 van deze algemene toelichting is de implementatietabel opgenomen.

Omdat het onderhavige wetsvoorstel wijzigingsbepalingen met betrekking tot de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling bevat wordt het wetsvoorstel mede namens de hiervoor verantwoordelijke minister, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, ingediend. De technische aanpassing van de Faillissementswetis methet Ministerie van Veiligheid en Justitie afgestemd.

2. Achtergrond

Financieel toezicht op Europees niveau vindt zijn oorsprong in de zogenaamde Lamfalussy structuur. Deze structuur, genoemd naar Baron Lamfalussy die voorzitter was van de EU werkgroep die tot doel had zich te buigen over een verhoging van de flexibiliteit en effectiviteit van EU regelgeving, werd in maart 2001 ingesteld voor de effectensector. De Lamfalussy structuur bestaat uit vier niveaus waarbij op het derde niveau de nationale toezichthouders samenwerken in de zogenaamde niveau 3 Comités voor het toezicht op banken (CEBS), het effectentoezicht (CESR) en het toezicht op verzekeraars/pensioenen (CEIOPS).2 In december 2002 werd de structuur uitgebreid naar alle financiële sectoren. In reactie op de kredietcrisis kondigde de Commissie de oprichting van een werkgroep aan onder leiding van Jacques de Larosière, die op gepaste afstand van de politiek een advies moest uitbrengen over de toekomst van financieel toezicht en financiële regulering in Europa. Het «Larosière rapport» verscheen in februari 2009. De kredietcrisis heeft dan inmiddels zelfs de meest terughoudende lidstaten tot het inzicht gebracht dat het huidige systeem van voornamelijk nationaal toezicht op financiële instellingen niet langer houdbaar is. De voorstellen van De Larosière werden dan ook zeer positief ontvangen en in mei 2009 bracht de Commissie een officiële mededeling uit, waarin ze de door De Larosière voorgestelde nieuwe toezichtsstructuur volgt. Ook de Ecofin Raad en de Europese Raad omarmden het Larosière rapport en in september 2009 presenteerde de Commissie een wetgevingspakket ter oprichting van een nieuw comité belast met systeemtoezicht en drie Europese toezichthoudende autoriteiten. Reeds één maand later bereikte de Ecofin Raad een principeakkoord over de contouren van de ESRB, in december 2009 gevolgd door een «general approach» over zowel de ESRB als de drie ESAs. De snelheid waarmee de besluitvorming verliep, geeft aan dat alle betrokken partijen de noodzaak van de hervormingen inzien.

De nieuw opgerichte Europese toezichthouders betreffen het Europees Comité voor systeemrisico’s (European Systemic Risk Board, verder: ESRB) en de drie nieuwe Europese toezichthoudende autoriteiten (European Supervisory Authorities, verder ESAs).3 Deze laatste drie nieuwe toezichthouders zijn sectoraal ingericht en bestaan uit de Europese Bankenautoriteit (European Banking Authority, verder: EBA), de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (European Insurance and Occupational Pensions Authority, verder: EIOPA) en de Europese Autoriteit voor effecten en markten (European Securities and Markets Authority, verder: ESMA). Onder andere met het oog op de toekomst is besloten het Gemengd Comité (Joint Committee European of Supervisory Authorities, verder: Gemengd Comité) hierbij een sterke overkoepelende rol te laten vervullen. Het Gemengd Comité houdt zich bezig met sectoroverstijgende aangelegenheden, en zal ook een belangrijke taak hebben bij het toezicht op financiële conglomeraten die in meerdere sectoren actief zijn. Deze nieuwe EU-toezichthouders werken nauw samen met het netwerk van alle nationale toezichthoudende instanties die in geval van grensoverschrijdende financiële instellingen verplicht samenwerken in colleges van toezichthouders. Het gehele Europese toezichtraamwerk wordt aangeduid met Europees Systeem voor financieel toezicht (European System of Financial Supervisors).4 Hieronder zijn de nieuwe toezichthouders schematisch weergegeven:

EU

Systeem-toezicht

sectoraal

Sector overstijgend

Banken

E

S

R

B

EBA

J

C

E

S

A

Effecteninstellingen

ESMA

Verzekeraars & Pensioenen

EIOPA

Kredietbeoordelaars

ESMA

3. De verordeningen met betrekking tot het nieuwe raamwerk voor Europees toezicht en de uitwerking daarvan in de Omnibus I richtlijn

De juridische basis van het Europees toezichtraamwerk is een viertal EU-verordeningen die per 1 januari 2010 drie nieuwe Europese toezichthoudende autoriteiten en een Europees Comité voor systeemrisico’s hebben opgericht.5

In deze oprichtingsverordeningen zijn onder andere de algemene bevoegdheden van de nieuwe Europese toezichthoudende autoriteiten vastgelegd. Om een effectieve werking van dit raamwerk te garanderen, is de Omnibus I richtlijn opgesteld die een aantal bestaande richtlijnen inzake financiële diensten wijzigt, met name om een passende reikwijdte te geven aan deze algemene bevoegdheden. In de Omnibus I richtlijn zijn overigens niet alle bevoegdheden uitgewerkt. Een aantal bevoegdheden, zoals het opstellen van niet-bindende richtsnoeren, behoeven geen nadere uitwerking. Een aantal andere bevoegdheden, zoals het toezicht houden op kredietbeoordelaars, worden in andere verordeningen en richtlijnen nader uitgewerkt. Een algemene bevoegdheid die wel in Omnibus I wordt uitgewerkt is bijvoorbeeld de bevoegdheid voor de Europese toezichthoudende autoriteiten om een bindende technische standaard op te stellen ter uitwerking van een richtlijntekst. Bij welke richtlijnbepalingen een dergelijke norm mag worden opgesteld wordt geregeld in de Omnibus I richtlijn. Omdat dit een bevoegdheid is van de Europese toezichthoudende autoriteit wordt deze bevoegdheid niet omgezet in nationale wetgeving. Een ander voorbeeld betreft de exacte bepaling van welke informatie op welk moment door een nationale toezichthouder aan de Europese toezichthoudende autoriteiten moet worden verstrekt. Omdat hier wel een taak voor de AFM en DNB is weggelegd worden deze Omnibus I bepalingen wel omgezet in nationale wetgeving (met name in de Wft).

3.1 Europees Comité voor systeemrisico’s (ESRB)

De ESRB is een nieuw orgaan dat belast wordt met het macro prudentiële toezicht op het financiële stelsel in Europa. Doel van de ESRB is om bij te dragen aan het verminderen van systeemrisico’s en zo de financiële stabiliteit in de EU te bewaken. De achtergrond van de ESRB is dat de kredietcrisis duidelijk heeft gemaakt dat tot nu toe onvoldoende aandacht is uitgegaan naar het toezicht op systeemniveau en naar onderlinge relaties tussen brede(re) macro-economische ontwikkelingen en het financiële systeem.

De ESRB krijgt als taak om alle relevante informatie te verzamelen en deze te analyseren. Op basis hiervan dient de ESRB mogelijke systeemrisico’s te identificeren en prioriteren, en daaromtrent waar nodig waarschuwingen en aanbevelingen uit te brengen. Deze aanbevelingen dienen een gespecificeerd tijdspad te omvatten en kunnen één of meerdere lidstaten betreffen, één of meerdere Europese toezichthoudende autoriteiten, één of meerdere nationale toezichthouders, of de EU als geheel. Aanbevelingen kunnen ook aan de Commissie gericht zijn wanneer ze relevante EU-wetgeving aangaan. De aanbevelingen van de ESRB zijn niet bindend, maar worden wel geacht een grote invloed uit te oefenen. De geadresseerden zijn daarom verplicht te reageren via het zogenaamde «comply or explain» principe: zij dienen de aanbeveling op te volgen, of met redenen te omkleden waarom zij dit niet doen. Om de autoriteit van de aanbevelingen verder te vergroten, worden deze, net als de waarschuwingen, altijd aan de Ecofin Raad gestuurd, en, waar opportuun, aan de drie Europese toezichthoudende autoriteiten. De ESRB is ook belast met het monitoren van het opvolgen van de aanbevelingen. Als de ESRB oordeelt dat dit onvoldoende gebeurt, zal het de geadresseerde(n), de Raad, en, waar relevant, de Europese toezichthoudende autoriteiten, hierover informeren. De ESRB bepaalt zelf op ad hoc basis of een aanbeveling al dan niet openbaar wordt gemaakt. Wel moet zij hierover eerst de Ecofin Raad consulteren.

De ESRB stemt als hoofdregel met eenvoudige meerderheid volgens het «1 persoon – 1 stem» principe. Als uitzonderingen stemt de ESRB met twee derde meerderheid over aanbevelingen (dus niet over waarschuwingen) en over de vraag of een aanbeveling of waarschuwing al dan niet openbaar wordt gemaakt.

Terwijl centrale bankiers, inclusief de ECB, een leidende rol vervullen in het bewaken van de financiële stabiliteit in de EU, is de microprudentiële informatie waarover de nationale toezichthouders beschikken essentieel om de onderlinge relaties en kwetsbaarheden in het financiële systeem op waarde te kunnen schatten. Er is daarbij rekening gehouden met de rolverdeling in het kader van informatieverschaffing aan en informatieverzameling van de ESRB. Uitgangspunt is dat de ESRB over alle noodzakelijke informatie moet beschikken om haar taken goed uit te kunnen voeren. De ESRB dient bij het verzamelen van informatie wel zoveel mogelijk gebruik te maken van bestaande kanalen, zodat dubbel werk wordt voorkomen en de kosten evenredig blijven. Ook zal informatie in de regel in geaggregeerde vorm worden opgevraagd en dient de ESRB zich eerst te richten tot de Europese toezichthoudende autoriteiten. Alleen als deze niet of niet tijdig kunnen leveren, mag de ESRB de data rechtstreeks opvragen bij de lidstaten. Onderhavig wetsvoorstel regelt dat de AFM en DNB dergelijke informatie inderdaad aan de ESRB kunnen leveren.

3.2. Europese toezichthoudende autoriteiten

De drie ESAs komen voort uit de hierboven beschreven bestaande niveau 3 Comités van Toezichthouders voor banken, verzekeraars/pensioenen en effecteninstellingen. De EBA, ESMA en EIOPA zullen echter meer en verdergaande taken gaan uitvoeren en krijgen een eigen rechtspersoonlijkheid. Terwijl de nationale toezichthouders verantwoordelijk blijven voor het dagelijkse toezicht, worden de ESAs belast met het stimuleren van samenwerking tussen toezichthouders, het creëren van een gezamenlijke Europese toezichtcultuur en het toezien op een consistente toepassing van EU wetgeving. Hiertoe krijgen de ESAs alle niet-bindende bevoegdheden van de huidige Comités van Toezichthouders, zoals het opstellen van niet-bindende richtsnoeren, het uitvoeren van peer reviews en het monitoren van de colleges van toezichthouders, aangevuld met een aantal nieuwe bindende bevoegdheden. In deze paragraaf zal de nadruk liggen op deze nieuwe, bindende bevoegdheden.

3.2.1. Bevoegdheden

Op grond van de huidige verordeningen krijgen de ESAs de volgende nieuwe bevoegdheden:

  • concept bindende technische standaarden opstellen om te komen tot een single EU-rule book;

  • toezien op een consistente toepassing van financiële EU wetgeving door de lidstaten en indien nodig bindend ingrijpen bij een onjuiste toepassing hiervan;

  • bemiddelen bij grensoverschrijdende geschillen tussen nationale toezichthouders en hier desnoods een bindend eindoordeel vellen (binding mediation);

  • tijdens crises coördineren en faciliteren en indien nodig bindende crisismaatregelen opleggen;

  • dagelijks toezicht houden op kredietbeoordelaars (alleen ESMA).

Bindende technische standaarden zijn een nieuw instrument, naast de reeds bestaande niet-bindende richtlijnen en aanbevelingen, om een eenduidige (toepassing van) EU wetgeving, het zogenaamde «single EU rulebook», te helpen garanderen. Een technische standaard behelst een nadere uitwerking op technisch niveau van bestaande EU-wetgeving. Een standaard mag geen beleidsmatige aspecten bevatten – het opstellen daarvan is voorbehouden aan de lidstaten – maar draagt wel bij aan een consistentere uitleg en dus toepassing van EU wetgeving. Te denken valt bijvoorbeeld aan technische standaarden over de informatie-uitwisseling en samenwerking tussen nationale toezichthouders in het geval er vermoedens zijn van handel met voorwetenschap. Ook zullen technische standaarden definitie- en informatiebepalingen nader kunnen specificeren waardoor een eenduidige uitleg in Europa wordt bewerkstelligd. De algemene bevoegdheid voor de ESAs om een concept technische standaard op te stellen is geregeld in de oprichtingsverordeningen; de specifieke werkterreinen van deze standaarden zijn vastgesteld in de Omnibus I Richtlijn.6 De concept technische standaarden dienen formeel door de Europese Commissie te worden bekrachtigd. De Commissie heeft namelijk, in tegenstelling tot de Europese toezichthoudende autoriteiten, de bevoegdheid om algemeen verbindende voorschriften vast te stellen. De Commissie kan alleen na consultatie van de ESAs van de concept standaarden afwijken.

Mocht een lidstaat niet voldoen van de verplichtingen voortkomend uit de EU wetgeving,7 dan mag de ESA bindend optreden. De ESA kan op eigen initiatief, op verzoek van de Commissie of van een nationale toezichthouder, een onderzoek starten naar de vermeende non-compliance. De nationale toezichthouder die onderwerp van onderzoek is, is verplicht alle gevraagde informatie aan de ESA te verstrekken. De ESA kan vervolgens besluiten een aanbeveling aan de nationale toezichthouder te geven. Mocht hier niet tijdig of geen gehoor aan worden gegeven, dan kan de Commissie, op basis van de ESA aanbeveling, een formal opinion aan de nationale toezichthouder richten. De ESA aanbeveling en de formal opinion van de Commissie zijn de eerste twee stappen van een drietrapsraket. De verwachting is dat deze in bijna alle gevallen afdoende zijn om te zorgen dat EU wetgeving consistent wordt nageleefd, mede omdat de derde stap een stuk verder gaat en de dreiging hiervan effectief zal werken als stok achter de deur. Bij de derde stap mag de ESA namelijk bindende maatregelen opleggen rechtstreeks aan financiële ondernemingen, daar waar de onderhavige EU wetgeving ook voorziet in deze rechtstreekse toepassing.

Een andere bevoegdheid voor de ESAs is dat zij bindend mogen optreden bij conflicten tussen nationale toezichthouders uit verschillende lidstaten. Een grensoverschrijdend geschil tussen toezichthouders kan de omgeving, zoals consumenten en ondernemingen, nadelig beïnvloeden, doordat het er bijvoorbeeld toe kan leiden dat voor het toezicht essentiële informatie door een collega-toezichthouder niet wordt verstrekt. De ESA zal bij geschillen tussen toezichthouders op verzoek van een van de betrokken toezichthouders eerst proberen te bemiddelen. Als dit niet slaagt, mag de ESA een beslissend oordeel vellen. Dit proces wordt aangeduid met de term «bindende bemiddeling». Deze bindende bemiddeling wordt uitgevoerd door een Dispute Panel dat bestaat uit de voorzitter en twee leden van de betreffende Europese toezichthoudende autoriteit die niet afkomstig zijn uit een bij het geschil betrokken lidstaat. De procedure voor deze geschillenbeslechting is neergelegd in de oprichtingsverordeningen van de ESAs maar de concrete gevallen waarin een nationale toezichthouder een beroep kan doen op de bemiddeling door een ESA zijn in de Omnibus I richtlijn bepaald.

De bevoegdheden van de ESAs in tijden van crisis behelzen in de eerste plaats het faciliteren en coördineren door de ESAs van acties die genomen worden door de nationale toezichthouders. Deze coördinerende rol is nodig omdat crises zich niet aan landsgrenzen houden. Om de coördinerende rol goed uit te kunnen voeren moeten de ESAs geïnformeerd worden over alle relevante ontwikkelingen, en uitgenodigd moet worden om deel te nemen als waarnemer aan alle relevante bijeenkomsten. De ESAs mogen daarnaast in uitzonderlijke omstandigheden noodmaatregelen opleggen aan de nationale toezichthouders, op voorwaarde dat de Raad, in overleg met de Commissie, de ESRB en, waar nodig, de ESAs een crisissituatie heeft uitgeroepen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een verbod op (naked) short selling gedurende een bepaalde periode. Het is niet wenselijk dat een dergelijk besluit ongecoördineerd op nationaal niveau wordt genomen, omdat er dan tussen diverse lidstaten inhoudelijke verschillen kunnen optreden en de mogelijkheid bestaat dat de inwerkingtreding niet gelijktijdig is. Deze algemene bevoegdheid is niet uitgewerkt in de Omnibus I richtlijn maar zal, waar nodig, zijn neerslag krijgen in andere richtlijnen.

Om haar taken goed te kunnen uitoefenen is in de oprichtingsverordeningen bepaald dat de ESAs op verzoek alle nodige informatie van de lidstaten dienen te krijgen. Deze bevoegdheid brengt met zich mee dat wanneer toezichthouders of andere relevante autoriteiten (bv. statistiekbureau’s) data niet of niet op tijd kunnen leveren, de ESA een omkleed verzoek rechtstreeks aan een financiële onderneming kan richten. De ESA heeft ook de mogelijkheid om op reguliere basis informatie op te vragen. Om dubbele informatieverzoeken en daarmee administratieve lasten te voorkomen, moet de ESA wel altijd eerst data van het European Statistical System en het European System of Central Banks raadplegen alvorens de nationale toezichthouder te benaderen. Een aantal specifieke gevallen waarin informatie-uitwisseling tussen nationale toezichthouders en de ESAs plaatsvindt is in de Omnibus I richtlijn bepaald. Deze gevallen zijn in de Wft en lagere regelgeving geïmplementeerd door een aantal nieuwe bepalingen op te nemen (zie de toelichting bij onderdeel B en C).

3.2.2 Verhouding bevoegdheden van de ESAs ten opzichte van de nationale toezichthouders en gevolgen voor financiële ondernemingen

Zoals beschreven hebben de ESAs een aantal algemene bevoegdheden, zoals het opstellen van bindende technische standaarden, waar de nationale toezichthouders rekening mee dienen te houden bij het uitoefenen van hun toezicht. Ook de informatiestromen lopen grotendeels via de nationale toezichthouders. Een financiële onderneming zal in de praktijk dus niet veel rechtstreeks met de Europese toezichthoudende autoriteiten te maken krijgen. Hierop geldt wel een theoretische uitzondering. Indien een geschil aan een ESA is voorgelegd en de partijen worden het niet eens dan kan de ESA, zoals hierboven beschreven, een bindende uitspraak doen. Mocht een nationale toezichthouder zich niet houden aan dit bindende oordeel en ook niet gevoelig is voor interventie van de Europese Commissie dan zou in een uitzonderlijk geval, en alleen als er een onderliggende rechtstreeks werkende EU-norm aan te grondslag ligt, de financiële onderneming op basis van de hierboven behandelde verordeningen een besluit rechtstreeks aan de financiële onderneming kunnen richten.

Er is met betrekking tot de implementatie van Omnibus I in de Wet op het financieel toezicht (Wft) gekozen om de bepalingen die hoofdzakelijk de toezichthouders betreffen middels een nieuw algemeen artikel (artikel 1:69 Wft) en onderliggende regelgeving te implementeren. Bij bepalingen in de Omnibus I richtlijn die ook van belang zijn voor financiële ondernemingen worden deze in de betreffende delen van de Wft omgezet (zo worden een aantal Wft bepalingen inzake prospectussen in onderhavig wetsvoorstel aangevuld met passages over ESMA).

3.2.3 Bevoegdheden ESMA inzake ratingbureaus

Voor volledigheid wordt vermeld dat ESMA, naast bovenstaande nieuwe bindende bevoegdheden, nog een extra bevoegdheid heeft. Zij zal op basis van de Verordening ratingbureaus8 direct toezicht gaan uitoefenen op de zogenaamde Credit Rating Agencies. Dit is een unieke ontwikkeling, omdat voor het eerst een Europees orgaan dagelijkse toezichttaken van de nationale toezichthouders overneemt. Om deze taak te kunnen uitoefenen, krijgt ESMA alle benodigde bevoegdheden, waaronder het eventueel opleggen van sancties en de mogelijkheid om tarieven te heffen. Omdat dit geen onderwerp van de Omnibus I richtlijn is valt het ESMA toezicht op ratingbureaus buiten het bestek van dit wetsvoorstel.

4. Uitvoerbaarheid, administratieve lasten en bedrijfseffecten

De implementatie van de Omnibus I richtlijn heeft geen directe gevolgen voor de lasten en bedrijfseffecten van financiële ondernemingen omdat deze richtlijn ziet op de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen DNB en AFM enerzijds en de ESRB en Europese toezichthoudende autoriteiten anderzijds. Er worden hierbij geen problemen met de uitvoering verwacht.

5. Consultatie AFM en DNB

Omdat deze richtlijn ziet op de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen DNB en AFM enerzijds en de ESRB en Europese toezichthoudende autoriteiten anderzijds is ervoor gekozen alleen de AFM en DNB te consulteren.

6. Transponeringstabel

Implementatie van richtlijn 2010/78/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot wijziging van de Richtlijnen 98/26/EG, 2002/87/EG, 2003/6/EG, 2003/41/EG, 2003/71/EG, 2004/39/EG, 2004/109/EG, 2005/60/EG, 2006/48/EG, 2006/49/EG en 2009/65/EG wat de bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankenautoriteit), de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) betreft (PbEU 2010, L 331).

Richtlijn 2010/78/EU

(artikelen die moeten worden omgezet zijn opgenomen in artikel 13 van deze richtlijn)

Richtlijnen 98/26/EG, 2002/87/EG, 2003/6/EG, 2003/41/EG, 2003/71/EG, 2004/39/EG, 2004/109/EG, 2005/60/EG, 2006/48/EG, 2006/49/EG en 2009/65/EG

Nationale regelgeving

Beleids-ruimte

Artikel 1

Richtlijn 98/26/EG

Faillisementswet

Geen

Lid 1

Artikel 6, lid 3

Artikel 212c, lid 2

 

Lid 2

Artikel 10, lid 1

Artikel 212d, lid 7

 
       

Artikel 2

Richtlijn 2002/87/EG

Wft

Geen

Lid 1, onderdeel a

Artikel 4, lid 2

Artikel 3:291, lid 4

 

Lid 2

Artikel 9, lid 2

Omzetting middels aanpassing artikel 28, lid 2 Besluit prudentiële regels Wft

 

Lid 5

Artikel 10, lid 1

Artikel 3:292, lid 5

 

Lid 7

Artikel 12, lid 1

Artikel 1:69, 1:70 en 1:90 lid 6

 

Lid 9

Artikel 14, lid 1

Artikel 1:69, 1:70 en 1:90 lid 6

 

Lid 11, onderdeel a

Artikel 18, lid 1

Artikel 3:292, lid 5 en 6

 

Lid 11, onderdeel b

Artikel 18, lid 1bis

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene samenwerkings- en geschillenbeslechtingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 
       

Artikel 3

Richtlijn 2003/6/EG

Wft

Geen

Lid 4

Artikel 14, lid 5

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 6, onderdeel a

Artikel 16, lid 2

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene samenwerkings- en geschillenbeslechtingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 6, onderdeel b

Artikel 16, lid 4

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene samenwerkings- en geschillenbeslechtingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 
       

Artikel 4

Richtlijn 2003/41/EG

 

Geen

Lid 1, onderdeel a

Artikel 9, lid 1, onderdeel a)

Artikel 205a, lid 1, Pensioenwet en artikel 199a, lid 1, Wet verplichte beroepspensioenregeling

 

Lid 3

Artikel 14, lid 4

Artikel 205a, lid 2, Pensioenwet en artikel 199a, lid 2, Wet verplichte beroepspensioenregeling

 
       

Artikel 5

Richtlijn 2003/71/EG (Prospectusrichtlijn)

Wft

Geen

Lid 5, onderdeel a

Artikel 13, lid 2

Artikel 5:10, lid 5

 

Lid 5, onderdeel b, eerste alinea

Artikel 13, lid 5

Artikel 5:8

 

Lid 6, onderdeel a

Artikel 14, lid 1

Artikel 5:10, lid 5, en artikel 5:21, lid 1.

 

Lid 8, onderdeel a

Artikel 17, lid 1

Artikel 5:11, lid 1

 

Lid 8, onderdeel b

Artikel 17, lid 2

Artikel 5:23, lid 8

 

Lid 9, eerste alinea

Artikel 18, lid 3

Artikel 5:10, lid 5

 

Lid 9, tweede alinea

Artikel 18, lid 3

Artikel 5:11, lid 3

 

Lid 10

Artikel 21

Artikel 1:69, lid 1 en 2, 1:70, 1:90 lid 6 en omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene samenwerkings- en informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 11, onderdeel a

Artikel 22, lid 2

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene samenwerkings- en geschillenbeslechtingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 11, onderdeel b

Artikel 22, lid 3

Artikel 1:69, 1:70 en 1:90 lid 6

 

Lid 12

Artikel 23

Artikel 23 is beperkt gewijzigd. De wijziging wordt omgezet middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 
       

Artikel 6

Richtlijn 2004/39/EG

Wft

Geen

Lid 1

Artikel 5, lid 3

Artikel 5 is beperkt gewijzigd. De wijziging wordt omgezet middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 3

Artikel 8

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 5, onderdeel a

Artikel 15, lid 1

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 10

Artikel 27, lid 2

Artikel 27 is beperkt gewijzigd. De wijziging wordt omgezet middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 13

Artikel 36, lid 6

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 14

Artikel 41, lid 2

Artikel 41 is beperkt gewijzigd. De wijziging wordt omgezet middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 16

Artikel 47

Artikel 47 is beperkt gewijzigd. De wijziging wordt omgezet middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 17, onderdeel a en b

Artikel 48, lid 1 en 2

Artikel 48 is beperkt gewijzigd. De wijziging wordt omgezet middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 18

Artikel 51

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 19

Artikel 53

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 21, onderdeel a en b

Artikel 56, lid 1 en 4

Artikel 56 is beperkt gewijzigd. De wijziging wordt omgezet middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 23, onderdeel b

Artikel 58, lid 5

Artikel 1:69, 1:70 en 1:90 lid 6

 

Lid 24

Artikel 58bis

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene samenwerkings- en geschillenbeslechtingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 25

Artikel 59, lid 2

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene samenwerkings- en geschillenbeslechtingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 27

Artikel 62

Artikel 62 is beperkt gewijzigd. De wijziging wordt omgezet middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 
       

Artikel 7

Richtlijn 2004/109/EG

Wft

Geen

Lid 12, onderdeel a

Artikel 23, lid 1

Artikel 23 is beperkt gewijzigd. De wijziging wordt omgezet middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 13

Artikel 24, lid 1 en 3

Artikel 24 is beperkt gewijzigd. De wijziging wordt omgezet middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 14

Artikel 25

Artikel 1:69, lid 1 en 2, 1:70, 1:90, lid 6 en omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene samenwerkings- en geschillenbeslechtingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 15

Artikel 26

Artikel 26 is beperkt gewijzigd. De wijziging wordt omgezet middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 16

Hoofdstuk VI

Behoeft geen omzetting

 
       

Artikel 9

Richtlijn 2006/48/EG

Wft

Geen

Lid 1, onderdeel a

Artikel 6

Artikel 6 is beperkt gewijzigd. De wijziging wordt omgezet middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 2

Artikel 9, lid 2

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 3

Artikel 14

Artikel 14 is beperkt gewijzigd. De wijziging wordt omgezet middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 4

Artikel 17, lid 2

Artikel 17 is beperkt gewijzigd. De wijziging wordt omgezet middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 10

Artikel 33

Artikel 33 is beperkt gewijzigd. De wijziging wordt omgezet middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 11

Artikel 36

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 12

Artikel 38, lid 2

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 15

Artikel 42bis

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene samenwerkings- en geschillenbeslechtingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 16

Artikel 42ter

Artikel 1:69, 1:70 en 1:90 lid 6

 

Lid 17

Artikel 44, lid 2

Artikel 1:69, 1:70 en 1:90 lid 6

 

Lid 18

Artikel 46

Artikel 1:90

 

Lid 19

Artikel 49

Artikel 1:69, 1:70 en 1:90 lid 6

 

Lid 20

Artikel 63bis

Betreft een taak voor EBA. Behoeft geen implementatie.

 

Lid 28

Artikel 111, lid 1

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 29

Artikel 112bis, lid 10

Betreft een taak voor EBA. Behoeft geen implementatie.

 

Lid 31

Artikel 126, lid 4

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 32, onderdeel a

Artikel 129, lid 1

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene samenwerkings- en geschillenbeslechtingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 32, onderdeel b

Artikel 129, lid 2

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene samenwerkings- en geschillenbeslechtingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 32, onderdeel d (ii tot v)

Artikel 129, lid 3

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene samenwerkings- en geschillenbeslechtingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 33

Artikel 130, lid 1

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 34

Artikel 131

Artikel 131 is beperkt gewijzigd. De wijziging wordt omgezet middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 35, onderdeel b (ii)

Artikel 131bis, lid 2

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 36, onderdeel b

Artikel 132, lid 1

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene samenwerkings- en geschillenbeslechtingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 37

Artikel 140, lid 3

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 38

Artikel 143, lid 3

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 
       

Artikel 10

Richtlijn 2006/49/EG

Wft

Geen

Lid 2

Artikel 22, lid 1

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 3, onderdeel a

Artikel 32, lid 1

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 4

Artikel 36, lid 1

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 
       

Artikel 11

Richtlijn 2009/65/EG

Wft

Geen

Lid 2

Artikel 6, lid 1

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 4

Artikel 9, lid 2

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 11, onderdeel a

Artikel 21, lid 5

Artikel 21, lid 5, is beperkt gewijzigd. De wijziging wordt omgezet middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene samenwerkings- en geschillenbeslechtingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 11, onderdeel b

Artikel 21, lid 7

Artikel 21, lid 7, is beperkt gewijzigd. De wijziging wordt omgezet middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 11, onderdeel c

Artikel 21, lid 9

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 14

Artikel 32, lid 6

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 19

Artikel 52, lid 4

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 31

Artikel 97, lid 1

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 32, onderdeel b

Artikel 101, lid 8

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene samenwerkings- en geschillenbeslechtingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 33

Artikel 102

Artikel 1:69, lid 1 en 2, 1:70 en 1:90 lid 6

 

Lid 34

Artikel 103

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 36, onderdeel a

Artikel 108, lid 5, eerste alinea

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene samenwerkings- en geschillenbeslechtingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Lid 36, onderdeel b

Artikel 108, lid 5, tweede alinea

Omzetting middels ministeriële regeling met als grondslag de algemene informatie-uitwisselingsbepaling (artikel 1:69, lid 3).

 

Artikelsgewijs

Artikel I

A

Aan artikel 1:1 wordt een nieuwe overkoepelende definitie van Europese toezichthoudende autoriteiten (in de algemene toelichting afgekort tot ESAs) toegevoegd waaronder drie nieuwe toezichthouders die bij verordening zijn opgericht worden verstaan. Deze toezichthouders zijn in de verordeningen waarbij zij zijn opgericht, reeds gedefinieerd. Vanwege de rechtstreekse werking die aan deze verordeningen toekomt zijn de definities niet nogmaals in de Wft opgenomen.

De Engelstalige namen van de drie nieuwe toezichthouders, hun afkortingen en hun Nederlandse benaming luiden:

  • European Securities and Markets Authority (ESMA): Europese Autoriteit voor effecten en markten;

  • European Insurance and Occupational Pensions Authority (EIOPA): Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen;

  • European Banking Authority (EBA): Europese Bankenautoriteit.

Deze Europese toezichthoudende autoriteiten nemen deel aan het Gemengd Comité van de Europese toezichthoudende autoriteiten. Dit comité is opgericht door artikel 54 van de verordeningen ter oprichting van de Europese toezichthoudende autoriteiten.9 Tot slot is ook middels een verordening het Europees Comité voor systeemrisico’s (European Systemic Risk Board; ESRB) opgericht. Beide comités zijn, net als de ESAs, gedefinieerd in de verordeningen maar beschikken in tegenstelling tot de drie ESAs niet over eigen rechtspersoonlijkheid.

B

Met de komst van de nieuwe Europese toezichthoudende autoriteiten (EBA, ESMA en EIOPA) en het Europees Comité voor systeemrisico’s (ESRB) wordt binnen de EU niet alleen informatie uitgewisseld tussen de Nederlandse toezichthouders (AFM en DNB) en de Europese Commissie of toezichthoudende instanties van andere lidstaten, maar ook met de nieuw opgerichte Europese instanties. Deze toezichthoudende instanties worden gezamenlijk aangeduid met het Europees Systeem voor financieel toezicht, conform artikel 2 van de oprichtingsverordeningen van de Europese toezichthoudende autoriteiten.9 Met de implementatie van de Omnibus I richtlijn is gekozen om de afdeling die zag op de samenwerking met de Europese Commissie te verbreden en haar titel aan te passen. Omdat de uitbreiding van de samenwerking binnen de EU ziet op een groot aantal van de in de Wft geregelde onderwerpen is ervoor gekozen een nieuwe algemene bepaling, artikel 1:69, op te nemen. Het eerste lid ziet op de samenwerking en het tweede lid op de informatie-uitwisseling, conform artikel 1:51 dat betrekking heeft op samenwerking met toezichthoudende instanties uit andere lidstaten. De samenwerking in het eerste lid ziet ook op de medewerking aan geschillenbeslechtingprocedures waarbij een van de Europese toezichthouders als bemiddelaar optreedt. Dit impliceert onder andere dat de toezichthouder opvolging dient te geven aan de uitkomst van een dergelijke bemiddeling en een eventueel besluit van de Europese toezichthouder dient uit te voeren. Overigens blijkt uit de oprichtingsverordeningen en overweging 19 van de Omnibus-I richtlijn dat de bevoegdheid van de Europese toezichthoudende autoriteiten geen afbreuk mag doen aan de in de sectorale richtlijnen gegunde discretionaire bevoegdheden van de nationale toezichthouders.De procedure voor geschillenbeslechting ziet op grensoverschrijdende geschillen tussen nationale toezichthouders en is vastgelegd in de artikelen 19 van de drie oprichtingsverordeningen van de Europese toezichthoudende autoriteiten.

Het derde lid voorziet in de mogelijkheid om nadere regels te stellen aan de grensoverschrijdende samenwerking tussen de AFM en DNB enerzijds en de ESRB, Europese toezichthoudende autoriteiten en Europese Commissie anderzijds. Dit is bedoeld om een technische uitvoering te kunnen geven aan deze samenwerking, zoals de exacte informatie-uitwisselingverplichtingen tussen de toezichthouders en de specifieke gevallen, zoals bepaald in de Omnibus I richtlijn, waarin de toezichthouder een geschillenbeslechtingprocedure kan starten.

Het nieuwe artikel 1:70 is nodig om goed aan de informatieverzoeken van de Europese Commissie, de ESRB en de Europese toezichthoudende autoriteiten te kunnen voldoen. De bevoegdheden van de ESRB en de Europese toezichthoudende autoriteiten om informatie op te vragen volgen uit hun oprichtingsverordeningen11 en zijn in de algemene toelichting behandeld. In het tweede lid is, conform het tweede lid van artikel 1:52 Wft, geregeld dat het evenredigheidsbeginsel (5:13 Awb) en de verplichting om mee te werken (5:20 Awb) van overeenkomstige toepassing zijn.

C

In artikel 1:90 zijn uitzonderingen opgenomen op het in artikel 1:89 bedoelde verbod om vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verder te verstrekken. Het betreft uitzonderingen die bedoeld zijn om de grensoverschrijdende samenwerking tussen de AFM en DNB enerzijds en toezichthoudende instanties uit andere lidstaten anderzijds te kunnen effectueren. Omdat deze samenwerking met de komst van het nieuwe Europese Toezichtraamwerk, en uitgewerkt in de Omnibus I richtlijn, zich heeft verbreed tot de Europese toezichthoudende autoriteiten is dit zesde lid aan artikel 1:90 toegevoegd. Hiermee kunnen in bepaalde gevallen vertrouwelijke gegevens of inlichtingen aan de Europese Commissie, de ESRB, een of meerdere Europese toezichthoudende autoriteiten en hun Gemengd Comité worden verstrekt. Bij deze informatie-uitwisseling gelden dezelfde waarborgen die gelden bij informatieverstrekking aan toezichthoudende autoriteiten van andere lidstaten, zoals reeds in het eerste lid vastgelegd. Dat de Europese toezichthoudende autoriteiten de informatie vertrouwelijk behandelen is, tezamen met andere waarborgen, in de verordeningen verankerd.

D

De AFM dient op basis van de Omnibus I richtlijn (artikel 6, zestiende lid) de lijst van gereglementeerde markten niet langer aan de Europese Commissie te verstrekken maar in plaats daarvan aan ESMA.

E

DNB dient op basis van de Omnibus I richtlijn (artikel 2, eerste lid, onder a) het besluit dat de groep als financieel conglomeraat is aangemerkt en dat DNB als coördinator is aangewezen, niet langer tevens aan de Europese Commissie te verstrekken maar in plaats daarvan aan het Gemengd Comité van de Europese toezichthoudende autoriteiten.

F

Het Gemengd Comité van de Europese toezichthoudende autoriteiten hebben de taak om richtsnoeren op te stellen van het Comité voor Financiële Conglomeraten overgenomen. DNB dient op basis van de Omnibus I richtlijn (artikel 2, elfde lid en veertiende lid, onder a) deze richtsnoeren van het Gemengd Comité van de Europese toezichthoudende autoriteiten in acht te nemen.

Verder dient DNB de verlening van de in het zesde lid bedoelde toestemming niet langer tevens aan de Europese Commissie te verstrekken maar in plaats daarvan aan het Gemengd Comité van de Europese toezichthoudende autoriteiten.

G

Deze wijziging is bedoeld om de rol van ESMA bij het overdragen van de goedkeuringsbevoegdheid van prospectussen in de Wft te verankeren. De kennisgeving aan ESMA is vereist om een prospectus door een andere toezichthoudende instantie te laten goedkeuren. Deze wijziging dient ter implementatie van artikel 5, vijfde lid, onderdeel b, van de Omnibus I richtlijn.

H

Deze wijziging dient ter implementatie van artikel 5, vijfde lid, onderdeel a, zesde lid, onderdeel a, en negende lid, eerste alinea, van de Omnibus I richtlijn. Een van de doelstellingen van de verstrekking van het prospectus door de AFM aan ESMA is dat ESMA op haar website een lijst van goedgekeurde prospectussen bekend kan maken (overweging 29 Omnibusrichtlijn). De totstandbrenging van één enkele geconsolideerde lijst binnen de EU zal de transparantie vergroten, helpt het gelijke speelveld binnen de EU te verbeteren en de grensoverschrijdende handel te bevorderen.

I

De wijzigingen in het eerste en tweede onderdeel dienen ter implementatie van artikel 5, achtste lid, onderdeel a, van de Omnibus I richtlijn. ESMA dient, net als de AFM, de in dit lid bedoelde verklaring te hebben ontvangen alvorens de onderneming de effecten mag aanbieden. De wijziging in het derde onderdeel dient ter implementatie van artikel 5, negende lid, tweede alinea, van de Omnibus I richtlijn en strekt tot een eenduidig, goed toegankelijk, overzicht van de afgegeven verklaringen als bedoeld in het eerste lid, verklaringen met betrekking tot eventuele aanvullingen op het prospectus en hyperlinks naar websites waarop de betreffende prospectussen en aanvullingen zijn gepubliceerd. De AFM dient deze lijst actueel te houden en de informatie ten minste een jaar op de website te laten staan.

J

Er wordt, ter implementatie van artikel 5, zesde lid, onderdeel a, van de Omnibus I richtlijn verduidelijkt dat de uitgevende instelling het prospectus niet alleen algemeen verkrijgbaar kan stellen indien de AFM het prospectus heeft goedgekeurd, maar ook als de goedkeuring wordt afgegeven door een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat indien de AFM deze bevoegdheid heeft overgedragen als bedoeld in artikel 5:8, eerste lid, Wft.

K

Deze toevoeging dient ter implementatie van artikel 5, achtste lid, onderdeel b, van de Omnibus I richtlijn. ESMA krijgt hiermee de mogelijkheid om, net als de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat, de AFM te verzoeken een document ter aanvulling van het prospectus te laten opstellen.

Artikel II

A

Deze wijziging bewerkstelligd dat ook het Europees Comité voor systeemrisico’s (ESRB) en de Europese autoriteit voor effecten en markten (ESMA) in kennis worden gesteld van de faillietverklaring. Het is bedoeld ter implementatie van artikel 1, eerste lid, van de Omnibus I richtlijn.

B

Op basis van de Omnibus I richtlijn (artikel 1, tweede lid) dient de Minister van Financiën de aangewezen systemen niet langer aan de Europese Commissie aan te melden maar in plaats daarvan aan de Europese autoriteit voor effecten en markten (ESMA).

Artikel III

Met deze toevoeging in de Wet Verplichte beroepspensioenregeling wordt uitvoering gegeven aan de Omnibus I richtlijn die de Europese Richtlijn 2003/41/EG wijzigt. Deze wijzigingen zijn doorgevoerd naar aanleiding van de oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen, EIOPA) in verordening (EU) Nr. 194/2010. De toevoeging in de Pensioenwet bewerkstelligt dat de toezichthouder aan EIOPA melding doet van de lidstaten waar een pensioenfonds bij grensoverschrijdende activiteiten werkzaam is en van een besluit van de toezichthouder de activiteiten van een pensioenfonds te verbieden. Bij dit laatste kan gedacht worden aan situaties als bedoeld in de artikelen 149 of 197 van de Pensioenwet.

Artikel IV

Met deze toevoeging in de Wet Verplichte beroepspensioenregeling wordt uitvoering gegeven aan de Omnibus I richtlijn die de Europese Richtlijn 2003/41/EG wijzigt. Deze wijzigingen zijn doorgevoerd naar aanleiding van de oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen, EIOPA) in verordening (EU) Nr. 194/2010. De toevoeging in de Wet verplichte beroepspensioenregeling bewerkstelligt dat de toezichthouder aan EIOPA melding doet van de lidstaten waar een beroepspensioenfonds bij grensoverschrijdende activiteiten werkzaam is en van een besluit van de toezichthouder de activiteiten van een beroepspensioenfonds te verbieden. Bij dit laatste kan gedacht worden aan situatie als bedoeld in de artikelen 144 of 191 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Artikel VI

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. De Omnibus I richtlijn dient op 31 december 2011 omgezet te zijn in de nationale wetgeving. Het streven is erop gericht deze wet in werking te laten treden op 1 januari 2012.

De minister van Financiën,

J. C. de Jager


X Noot
1

Richtlijn 2010/78/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot wijziging van de Richtlijnen 98/26/EG, 2002/87/EG, 2003/6/EG, 2003/41/EG, 2003/71/EG, 2004/39/EG, 2004/109/EG, 2005/60/EG, 2006/48/EG, 2006/49/EG en 2009/65/EG wat de bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankenautoriteit), de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) betreft (PbEU 2010, L 331).

X Noot
2

Verderop zal blijken dat deze comités inmiddels niet meer bestaan en zijn opgegaan in de Europese toezichthoudende autoriteiten.

X Noot
3

Voor de internationale herkenbaarheid van de nieuwe Europese instanties is gekozen om deze in de toelichting met hun Engelstalige afkortingen aan te duiden. In de wetstekst zelf worden de Nederlandse namen voor de vier nieuwe instanties gehanteerd: Europees Comité voor systeemrisico’s (ESRB), Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA), Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EIOPA) en Europese Bankenautoriteit (EBA).

X Noot
4

Artikel 2 van verordeningen (EU) nr. 1093/2010, nr. 1094/2010 en nr. 1095/2010 (PbEU 2010, L 331).

X Noot
5

Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico’s (PbEU 2010, L 331); Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese bankenautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PbEU 2010, L 331); Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie (PbEU 2010, L 331); en tot slot Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PbEU 2010, L 331).

X Noot
6

Momenteel wordt in Brussel over een tweede Omnibus Richtlijn onderhandeld waarin wordt voorgesteld de prospectusrichtlijn en de Solvency II richtlijn aan te passen aan het nieuwe EU-toezichtraamwerk.

X Noot
7

Dit kan breed worden uitgelegd; verkeerde implementatie van richtlijnen en handelingen van nationale toezichthouder in strijd met de EU regels kunnen hieronder vallen.

X Noot
8

Verordening (EG) nr. 1060/2009 inzake ratingbureaus.

X Noot
9

Verordening (EU) nr. 1093/2010, verordening (EU) nr. 1094/2010 en verordening (EU) nr. 1095/2010.

X Noot
11

Zie onder andere artikel 35 van de oprichtingsverordeningen van de Europese toezichthoudende autoriteiten en artikel 15 en 16 van de oprichtingsverordening van de ESRB.