Den Haag, 10 februari 2012
De vaste commissie voor Europese Zaken (EUZA) van de Tweede Kamer en de vaste commissie
voor Europese Samenwerkingsorganisaties (ESO) van de Eerste Kamer hebben op dinsdag
17 januari 2012 een gezamenlijk informeel overleg gevoerd met het oog op onderlinge
afstemming van de eigenstandige werkzaamheden op het werkterrein van beide commissies,
zowel nationaal als in Europees verband.
Tijdens dat overleg hebben de leden van beide commissies ook van gedachten gewisseld
over de opties met betrekking tot de timing en opzet van de Staat van de Europese
Unie, zoals door u verwoord in de zogenoemde «aanvulbrief» bij de Staat van de Europese
Unie d.d. 3 mei 2011 (Kamerstukken 2010/11, 32 502, nr. 3). Eerder hadden beide Kamercommissies u laten weten inhoudelijk te reageren op de
in uw brief geformuleerde opties, nadat zij hierover gezamenlijk van gedachten zouden
hebben gewisseld.
Nu dit overleg heeft plaatsgevonden in beide Kamercommissies, berichten zij u ter
zake graag als volgt. De vaste commissie ESO van de Eerste Kamer en de vaste commissie
EUZA van de Tweede Kamer houden graag vast aan twee separate documenten: een apart
document «Staat van de Unie» en een apart document «Kabinetsappreciatie van het Werkprogramma
(WP) van de Europese Commissie».
Dat neemt niet weg dat zij u verzoeken het moment van publicatie van de «Staat van
de Unie» los te koppelen van de begrotingsstukken en in januari van ieder jaar te
laten plaatsvinden, kort ná het verschijnen van de Kabinetsappreciatie van het WP.
Het zwaartepunt in de kabinetsappreciatie van het WP ligt bij een beknopte appreciatie
van die voorstellen uit het WP «die in de ogen van het kabinet voor Nederland het
meest van belang zijn». De regering bespreekt die Europese voorstellen in de appreciatie
per beleidsterrein. De beide Kamercommissies stellen de huidige opzet van de kabinetsappreciatie
van het WP op prijs.
Met betrekking tot de inhoud van de Staat van de Unie verzoeken zij u – naast de verschuiving
van de publicatiedatum – tevens een verband te leggen met hetgeen in de kort daarvoor
verschenen Kabinetsappreciatie WP naar voren is gebracht. Voorts zouden zij graag
zien dat de Staat van de Unie meer dan in het verleden de Nederlandse opstelling in
Europa, verspreid over de verschillende beleidsterreinen, in samenhang inzichtelijk
maakt. De Kamercommissies hebben er behoefte aan dat de uitgangspunten van het Nederlandse
beleid met betrekking tot Europa duidelijker, concreter en in samenhang door de regering
worden toegelicht. De integrale en toekomstgerichte regeringsvisie op Europa die de
Staat van de Unie alsdan biedt, moet beide Kamers vervolgens meer houvast geven waar
het gaat om de appreciatie en evaluatie van afzonderlijke Europese beleidsdocumenten
en regelgevingsvoorstellen door de regering. De aldus in de Staat van de Unie neergelegde
regeringsvisie zou bovendien concreet moeten zijn en handvatten moeten bieden voor
parlementaire controle en voor het debat met de regering op hoofdlijnen.
Bovengenoemde voorstellen van beide Kamercommissies hebben tot gevolg dat ze ten tijde
van de algemene politieke beschouwingen en de begrotingsbehandeling niet langer kunnen
beschikken over een «Staat van de Unie». Ze hebben zich daarbij rekenschap gegeven
van het feit «dat Europees beleid vervlochten is met nationaal beleid en dus eigenlijk
bij de begrotingshoofdstukken thuishoort.» Het later publiceren van de «Staat van
de Unie» speelt voor beide Kamers overigens niet in dezelfde mate, gelet op de volgtijdigheid
van de begrotingsbehandelingen/beleidsdebatten in Tweede en Eerste Kamer. Het hoeft
evenwel niet bezwaarlijk te zijn wanneer – naast publicatie in december/januari van
de beide documenten «Kabinetsappreciatie WP» en «Staat van de Unie» – in de memories
van toelichting op de afzonderlijke begrotingsstaten de Europese dimensie van het
(nationale) beleidsterrein verder en versterkt wordt geïntegreerd. Doorgaans gaan
de memories hierop slechts summier in. Hetzelfde zou dan moeten gebeuren ten aanzien
van de overkoepelende documenten, zoals de Miljoenennota. Zij verzoeken u dit binnen
het kabinet te bevorderen.
Wanneer «Europa» op deze wijze meer wordt ingevlochten in de memories van toelichting
op de afzonderlijke begrotingsstaten en daarin uitvoeriger wordt behandeld (en ook
in onder andere de Miljoenennota), ontstaan in feite twee verantwoordingen: één begrotingsgewijs
(«gecompartimenteerd») in september (aangevuld met/geactualiseerd door de Kabinetsappreciatie
van het WP in december van ieder jaar) en één meer integrale, samenhangende en fundamentele
(«uitgangspunten» Nederlands Europabeleid) in december/januari («de Staat van de Unie»).
Beide Kamercommissies zien uw reactie op bovengenoemde voorstellen graag op korte
termijn tegemoet.
Voorzitter van de vaste commissie voor Europese Samenwerkingsorganisaties van de Eerste
Kamer der Staten-Generaal, Mr. dr. M. H. A. Strik
Voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Drs. R. W. Knops