33 000 XIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (XIII) voor het jaar 2012

Nr. 53 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 november 2011

Hierbij doe ik u toekomen het Jaarverslag 2010, Delfstoffen en aardwarmte in Nederland en het Jaarverslag 2010 van Energie Beheer Nederland B.V.1

Eerstgenoemd jaarverslag is samengesteld door TNO Bouw en Ondergrond, Adviesgroep Economische Zaken. Het biedt een overzicht van de aardgasactiviteiten als bedoeld in artikel 125 van de Mijnbouwwet en rapporteert over de activiteiten en resultaten van de opsporing en winning van koolwaterstoffen, steenzout en aardwarmte in Nederland. Daarnaast komt de eveneens onder het regime van de Mijnbouwwet vallende ondergrondse opslag van stoffen (aardgas, stikstof, CO2 en water) aan de orde. De digitale versie van dit jaarverslag is te raadplegen op het Nederlands Olie en Gas portaal: www.nlog.nl.

Het jaarverslag van Energie Beheer Nederland B.V. («EBN») schetst een beeld van de wijze waarop EBN in 2010 haar wettelijke publieke taken heeft uitgevoerd en andere activiteiten heeft verricht, en geeft inzicht in de financiële gang van zaken in de onderneming. Dit jaarverslag is in digitale vorm te vinden op de website van EBN: www.ebn.nl.

Toelichting

Jaarverslag 2010, Delfstoffen en aardwarmte in Nederland

Het Jaarverslag 2010, Delfstoffen en aardwarmte in Nederland rapporteert over alle onder het regime van de Mijnbouwwet vallende ontwikkelingen in 2010 ten aanzien van de opsporing, winning en ondergrondse opslag van koolwaterstoffen (aardolie en aardgas) in Nederland en het Nederlandse deel van het continentaal plat. Daarnaast geeft het jaarverslag een prognose voor de winning van aardgas in de komende 25 jaar (periode 2011 t/m 2035). Verder wordt gerapporteerd over de opsporing en winning van steenzout en aardwarmte en over de ondergrondse opslag van stoffen. In dit jaarverslag worden de aardgas- en aardoliehoeveelheden weergegeven in standaard m3 («Sm3») met als referentiecondities 15°C en 101,325 kPa. Mogelijke gasvoorraden in andere dan conventionele voorkomens, zoals schaliegas en koollaagmethaan, zijn in de rapportage niet meegenomen. Zowel de potentieel aanwezige hoeveelheid als de technische en economische winbaarheid ervan moeten nog worden bepaald en aangetoond.

Ten aanzien van aardgas en aardolie blijkt uit het jaarverslag onder meer het volgende:

  • De aardgasproductie uit de Nederlandse gasvelden on- en offshore bedroeg in 2010 in totaal 85,9 miljard Sm3 en was daarmee 16,5 % hoger dan in 2009. Van de totale productie was 32,2 miljard Sm3 afkomstig uit de kleine velden (waarvan 22,1 miljard Sm3 offshore) en 53,7 miljard m3 kwam uit het Groningenveld; in 2009 was dat 34,0 respectievelijk 39,7 miljard Sm3.

  • De resterende Nederlandse aardgasvoorraad, zowel ontwikkelde als nog niet ontwikkelde voorkomens, is per 1 januari 2011 geschat op 1 304 miljard Sm3, waarvan 980 miljard Sm3 in het Groningenveld. De overige 324 miljard Sm3 bevindt zich in de kleine velden: de kleine velden op land bevatten nog 160 miljard Sm3 en die op het Nederlandse deel van het continentaal plat 164 miljard Sm3 aardgas. 53 miljard Sm3 hiervan betreft potentiële reserves in wel aangetoonde, maar nog niet ontwikkelde voorkomens. Voor een deel van deze reserves in nog niet ontwikkelde voorkomens wordt de productiestart verwacht in de periode 2011 t/m 2015.

  • Op basis van gegevens en vondsten kan een inschatting worden gemaakt van prospectieve structuren waarvan voldoende aannemelijk wordt geacht dat aan noodzakelijke geologische voorwaarden voor het voorkomen van aardgasaccumulaties is voldaan. Met inachtneming van bepaalde minimumvoorwaarden ten aanzien van het verwachte winbare volume wordt dit zogenoemde exploratiepotentieel voor het Nederlandse territoir geschat op 60–150 Sm3 en voor het continentaal plat op 80–200 Sm3 aardgas. De bijdrage van dit exploratiepotentieel aan de reserves is sterk afhankelijk van ontwikkelingen in technologie, infrastructuur, kosten en opbrengsten.

  • De Nederlandse aardgasgasreserves namen in 2010 af met 86,2 miljard Sm3 van 1390 miljard Sm3 in 2009 tot 1304 miljard Sm3 in 2010, zijnde het netto resultaat van nieuw ontdekte aardgasvoorkomens (+ 5,2 miljard Sm3), herevaluatie van eerder aangetoonde voorkomens (– 5,4 miljard Sm3) en productie gedurende het jaar 2010 (– 86,0 miljard Sm3).

  • De productie uit de kleine velden is in 2010 conform de prognose verlopen. De hogere productie uit het Groningenveld wordt verklaard door de relatief strenge winter van 2009–2010 en het koude vierde kwartaal van 2010 en een daardoor hogere gasafzet. Voor de komende jaren wordt voor de kleine velden verwacht dat de productie geleidelijk zal afnemen. Het Groningenveld zal na 2021 een geleidelijke afname van de productie laten zien.

  • In 2010 zijn er in totaal 58 boringen naar olie en gas verricht, zes meer dan in 2009. Daarvan waren er 10 exploratieboringen (3 op land en 7 op zee), waarbij in zes gevallen aardgas werd aangetroffen (2 op land en 4 op zee). Verder zijn er twee evaluatieboringen, die op het continentaal plat de vermoede aanwezigheid van aardgas hebben aangetoond, en 46 productieboringen (waaronder 11 injectieputten in het Schoonebeek olieveld) gezet. Evenals in 2009 betrof het overgrote deel van de productieboringen de herontwikkeling van het Schoonebeek olieveld.

  • De schatting van de, zowel ontwikkelde als niet ontwikkelde, aardoliereserves op 1 januari 2011 bedraagt 45,7 miljoen Sm3, waarvan 33,7 miljoen Sm3 op het vasteland en 12 miljoen Sm3 op het continentaal plat. Er zijn in 2010 geen nieuwe vondsten van aardolie gedaan. Door herevaluatie en statusverandering van eerder aangetoonde voorkomens (– 3,1 miljoen Sm3) en productie gedurende het jaar 2010 (– 1,2 miljoen Sm3) is het netto resultaat ten opzichte van 2009 een afname van de olievoorraad met 4,3 miljoen Sm3. Door de herstart van de productie uit het Schoonebeek olieveld wordt in 2011 een toename van de olieproductie verwacht.

Evenals voorgaande jaren is ter uitvoering van de motie Bakker (Kamerstukken II, 2004/05, 31 105, nr. 16) een overzicht bijgevoegd van de kosten van TNO voor het opstellen van het jaarverslag en het verzamelen van de inhoudelijke gegevens (bijlage 1).

Jaarverslag Energie Beheer Nederland B.V. 2010.

Ook in 2010 heeft Energie Beheer Nederland B.V. («EBN»), in het belang van een doelmatige opsporing en winning, een planmatig beheer en een optimale afzet van koolwaterstoffen de publieke taken uitgeoefend die haar in de Mijnbouwwet zijn opgedragen. EBN is een onderneming waarvan de aandelen volledig in handen zijn van de staat en worden beheerd door de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. De wettelijke taken van EBN bestaan uit het deelnemen in de opsporing en winning van aardolie en aardgas in Nederland door middel van overeenkomsten van samenwerking met houders van vergunningen voor de opsporing en winning van koolwaterstoffen, het uitvoeren van taken in het kader van het gasgebouw en de advisering van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie over het energiebeleid in het algemeen en over opsporing, winning, beheer en afzet van koolwaterstoffen in het bijzonder. Naast de opsporing en winning is EBN met haar belang van 40% in GasTerra B.V. betrokken bij de verkoop van het Nederlandse aardgas. Daarnaast kan EBN onder voorafgaande instemming van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie andere activiteiten verrichten die nauw verwant zijn aan haar publieke taken, die taken niet belemmeren of bemoeilijken en het algemeen belang van het energiebeleid dienen. In dat kader is in 2010 verdergegaan met de herontwikkeling van het olieveld Schoonebeek en de ontwikkeling van het Bergermeer-gasopslagproject.

Vanuit de visie dat aardgas een belangrijke rol speelt in de Nederlandse energievoorziening en de Nederlandse economie, en dat er ook op termijn een significante vraag naar fossiele brandstoffen zal blijven bestaan, zet EBN zich in voor maximale opsporing en winning van de Nederlandse gasreserves. Met haar totaaloverzicht over activiteiten in alle opsporings- en winningsvergunningen en hun onderlinge samenhang is de lange(re) termijn strategie gericht op een optimale ontwikkeling van de aanwezige gasvoorkomens en het daarmee genereren van gasbaten voor de overheid. Een actieve en stimulerende opstelling van EBN in de samenwerkingsverbanden met vergunninghouders, de ontwikkeling van nieuwe, innovatieve technieken, reductie van operationele kosten, verlenging van de (economische) levensduur van producerende velden en van de cruciale infrastructuur offshore, een goed mijnbouwklimaat en het verkrijgen van maatschappelijk draagvlak voor mijnbouwactiviteiten dragen bij aan het realiseren van de ambitie van EBN om rond 2 030 nog jaarlijks zo’n 30 miljard m3 aardgas uit kleine velden te produceren.

In het kader van haar wettelijke, publieke taak participeert EBN per 31 december 2010, naast het belangrijke samenwerkingsverband met NAM in de Maatschap Groningen voor de exploitatie van het Groningenveld, in 126 winningsvergunningen, waarvan 103 offshore en 23 onshore, en in 48 opsporingsvergunningen offshore. De investeringen van mijnbouwondernemingen en EBN gezamenlijk lagen in 2010 met € 1,6 miljard op ongeveer hetzelfde niveau als in voorgaande jaren. In totaal is door EBN in 2010 € 664 miljoen geïnvesteerd, waarvan € 152 miljoen in exploratie- en evaluatieboringen, € 138 miljoen in productieputten, € 317 miljoen in constructiewerken en € 57 miljoen was nodig voor opruimverplichtingen. Daarnaast neemt EBN deel in 3 faciliteiten voor de ondergrondse opslag van aardgas en hield zij belangen in een vijftal offshore gasverzamelleidingen. De omzet van EBN kwam in 2010 uit op € 6,5 miljard euro, tegen € 6,4 miljard in 2009. Lagere gasopbrengstprijzen ten opzichte van 2009 werden als gevolg van de relatief strenge winter van 2009–2010 en het koude vierde kwartaal van 2010 gecompenseerd door een gerealiseerde hogere afzet van aardgas, met name uit het Groningenveld. Achterblijvende afzetvolumes van aardolie en condensaat werden deels gecompenseerd door een hogere olieprijs. Het nettoresultaat kwam in 2010 met € 2,1 miljard iets lager uit dan in 2009 (€ 2,2 miljard). Naast dit nettoresultaat werd nog € 3,2 miljard aan belastingen en heffingen afgedragen aan de Staat.

De minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M. J. M. Verhagen

Bijlage 1

Inleiding

Ter uitvoering van de motie Bakker (Kamerstukken II, 2004/05, 31 105, nr. 16) bevat deze bijlage een motivering van de noodzaak en een overzicht van de kosten van het Jaarverslag 2010, Delfstoffen en aardwarmte in Nederland

Motivering van de noodzaak van het Jaarverslag

Het Jaarverslag 2010, Delfstoffen en aardwarmte in Nederland, is in opdracht van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie samengesteld door TNO Bouw en Ondergrond, Adviesgroep Economische Zaken, gevestigd te Utrecht. Het bevat een overzicht van aardgasactiviteiten als bedoeld in artikel 125, tweede lid, van de Mijnbouwwet dat de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie op grond van artikel 125, eerste lid, van die wet dient te verstrekken aan de beide Kamers der Staten-Generaal. Mijnbouwondernemingen dienen op grond van artikel 123, eerste lid, van de Mijnbouwwet gegevens betreffende de opsporing en winning van delfstoffen te verstrekken aan de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Het beheer van deze gegevens is ingevolge artikel 123, tweede lid, van de Mijnbouwwet opgedragen aan TNO Bouw en Ondergrond, Adviesgroep Economische Zaken. Het Jaarverslag bevat tevens een raming omtrent de winning van aardgas in de komende jaren als bedoeld in artikel 125, tweede lid, onder d, van de Mijnbouwwet.

Kostenoverzicht

Het onderstaande overzicht betreft de door TNO Bouw en Ondergrond, Adviesgroep Economische Zaken gemaakte kosten voor het beheer van de bovengenoemde gegevens in het jaar 2010 en de kosten voor het opstellen van het Jaarverslag 2010, Delfstoffen en aardwarmte in Nederland.

   

Kosten (excl. BTW)

Arbeidskosten gegevensbeheer

568,8 uur

€ 78 312,90

Drukkosten

 

€ 2 645,00

     

Totale kosten

 

€ 80 957,90

(incl. BTW)

 

€ 96 339,90


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven