Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201233000-I nr. 8

33 000 I Vaststelling van de begrotingsstaat van de Koning (I) voor het jaar 2012

Nr. 8 BRIEF VAN DE MINISTER PRESIDENT, MINISTER VAN ALGEMENE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 januari 2012

Eerder heb ik toegezegd u te informeren wanneer Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins van Oranje en Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Máxima der Nederlanden hun vakantiewoning in Mozambique hebben verkocht. Dat is nu het geval.

De Prins en Prinses hebben tot eind 2011 geprobeerd het huis aan een andere particulier te verkopen. Dat is vanwege de marktomstandigheden niet gelukt. Daarom hebben de Prins en Prinses, teneinde uitvoering te geven aan hun voornemen tot verkoop, op 11 januari jl. het huis tegen een symbolisch bedrag verkocht aan Machangulo SA. Machangulo SA is de organisatie die opereert als een vereniging van eigenaren (VvE) en als zodanig het project op het schiereiland in Mozambique beheert. De eigendom van de woning, de aandelen in de SA en het bouwrecht op de overige percelen gaan daarmee over van de Prins en Prinses naar de VvE. De VvE heeft op zich genomen het huis door te verkopen, waarbij het financiële risico bij de Prins en Prinses ligt.

De Prins en Prinses hebben mij, gelet op de voorgeschiedenis, in een vroeg stadium geïnformeerd over hun voornemen. Ik heb hen daarin volledig gesteund. Door deze verkoop hebben de Prins en Prinses geen enkele bemoeienis meer met het project in Mozambique.

Ten overvloede merk ik op dat voor het kabinet geldt dat de aan- en verkoop van een vakantiewoning van een lid van het Koninklijk Huis een privéaangelegenheid is die als zodanig in principe het openbaar belang niet raakt, ook al wordt die aan- en verkoop publiekelijk bekend.

Dit standpunt van het kabinet heb ik u eerder meegedeeld en toegelicht naar aanleiding van de voorlichting van de Raad van State over de ministeriële verantwoordelijkheid voor de Koning en leden van het koninklijk huis ten aanzien van de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer, in het bijzonder in relatie tot de inlichtingenplicht van de regering jegens de Staten-Generaal (TK, 32 791).

De minister-president, minister van Algemene Zaken, M. Rutte