Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201732878 nr. 18

32 878 Wijziging van enkele socialezekerheidswetten in verband met aanpassing van de hoogte van de uitkering aan het woonland (Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid)

Nr. 18 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 mei 2017

In mijn brief van 6 maart 2015 (Kamerstuk 32 878, nr. 17) heb ik u meegedeeld dat de wet Woonlandbeginsel in de sociale zekerheid de aanpassing vergt van bilaterale socialezekerheidsverdragen met vijftien landen: Australië, Bosnië, Canada, Quebec, Chili, India, Israël, Kosovo, Macedonië, Marokko, Montenegro, Nieuw-Zeeland, Servië, Suriname en Zuid-Korea.

Op 20 januari 2017 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) uitspraak gedaan over de toepassing van het woonlandbeginsel op de WGA-uitkering van een inwoner van Kaapverdië. De CRvB concludeert daarin dat het toepassen van het woonlandbeginsel op uitkeringen die op grond van het verdrag met Kaapverdië worden geëxporteerd, moet worden gezien als het deels niet-verstrekken van de uitkering. Omdat het verdrag daarvoor geen expliciete grondslag biedt, ziet de CRvB de toepassing van het woonlandbeginsel als niet toegestane exportbeperking. Volgens de Raad schept artikel 5 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kaapverdië inzake sociale zekerheid geen mogelijkheid de vervolguitkering te verlagen enkel op de grond dat de gerechtigde zich in Kaapverdië heeft gevestigd.

Op basis van de uitspraak Kaapverdië heb ik onderzocht welke verdragen eenzelfde bepaling kennen. De uitkomst is dat niet alleen het bilaterale socialeverzekerheidsverdrag Kaapverdië aangepast dient te worden, maar ook de bilaterale socialezekerheidsverdragen met: Verenigde Staten van Amerika, het Verenigd Koninkrijk (met betrekking tot het eiland Man), Japan, Tunesië en Uruguay, omdat ook deze verdragen soortgelijke bepalingen voor toepassing van het woonlandbeginsel hebben.

Vanaf de datum van de uitspraak zullen de Sociale verzekeringsbank, het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen en de Belastingdienst het woonlandbeginsel niet meer toepassen voor deze landen. Voor personen die in bezwaar en beroep zijn gegaan zal met terugwerkende kracht de toepassing van het woonlandbeginsel ongedaan worden gemaakt.

Voorts zal worden gestart met onderhandelingen met het oog op de aanpassing van de verdragen, met als inzet dat het woonlandbeginsel op termijn weer kan worden toegepast.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher