32 872 Wijziging van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs in verband met de invoering van een registratieplicht voor intermediairs die arbeidskrachten ter beschikking stellen, alsmede in verband met het verstrekken door de rijksbelastingdienst en de Arbeidsinspectie van gegevens over de naleving van bepaalde wetten aan certificerende instellingen (Wet registratieplicht intermediairs die arbeidskrachten ter beschikking stellen)

C MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 15 mei 2012

De regering heeft met belangstelling kennisgenomen van de vragen van de leden van de VVD-fractie, waarbij de leden van de overige fracties zich hebben aangesloten, bij het wetsvoorstel registratieplicht intermediairs die arbeidskrachten ter beschikking stellen. Mede namens de Staatssecretaris van Financiën wordt in deze memorie van antwoord op de vragen en opmerkingen van deze leden ingegaan.

Sanctiemiddel

De leden van de commissie vragen wat de strafrechtelijke sanctie heeft opgeleverd. Deze leden vragen in dat kader of de regering kan aangeven hoe vaak er is vervolgd, hoe vaak een delict bewezen is verklaard en een veroordeling is uitgesproken. Voor zover bekend zijn er geen strafrechtelijke veroordelingen geweest. Dit ligt ook in de rede omdat de economische delicten die strafbaar worden gesteld op grond van de Wet op de economische delicten overtreding van artikelen in de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) betreffen die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (amvb) nader inhoud worden gegeven, terwijl dit niet (speciaal regime in artikel 12) of nauwelijks (artikel 4: alleen een regeling voor arbeidsbemiddeling in de zeescheepvaart) is gebeurd. Voor overtreding van artikel 4 is geen strafrechtelijke veroordeling uitgesproken.

De leden van de commissie vragen zich af wat dan het succes zou kunnen zijn van een nieuw in te voeren systeem van bestuurlijke boetes. De regering verwacht dat invoering van de bestuurlijke boete een groter effect zal sorteren. Zoals in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is aangegeven kiest de regering voor een lik op stuk benadering. Hiermee wordt aangesloten bij de brief van de toenmalige minister van SZW over de aanbieding onderzoek evaluatie bestuurlijke boete1. Invoering van de bestuurlijke boete is inderdaad ingegeven door het afschrikwekkende effect dat daarvan uit gaat aangezien de boetes zeer hoog zijn. De leden van de commissie vragen in hoeverre het mogelijk is om de boetes bij malafide veelal mobiele uitzendbureaus te kunnen innen. De regering erkent dat het niet altijd mogelijk zal zijn om zeer vluchtige ondernemers, zonder een vast vestigingsadres te achterhalen en de boetes te innen. Het opleggen van een bestuurlijke boete is echter niet beperkt tot de uitlener. Ook de inlener – die in het algemeen minder vluchtig zal zijn dan de malafide uitlener – die van de diensten van de uitlener gebruik maakt, kan op zijn gedrag worden aangesproken door middel van het opleggen van eenzelfde boete als aan de uitlener wordt opgelegd. De inlener zal nadat hem een hoge boete is opgelegd minder snel geneigd zijn om weer met hetzelfde uitzendbureau in zee te gaan. Langs deze weg verwacht de regering dat de markt voor dergelijke vluchtige malafide uitzendbureaus op termijn zal verminderen.

De leden van de commissie informeren naar de beleidsregels over de hoogte van de boetes en de matigingsgronden. Deze zijn nog niet gereed maar zullen voordat het wetsvoorstel in werking treedt gepubliceerd worden in de Staatscourant.

Certificerende instellingen en gegevensverstrekking

De leden van de commissie vragen of informatie kan worden verstrekt over de kwaliteit van de certificerende instellingen. De certificerende instelling moet geaccrediteerd zijn door de Raad voor Accreditatie (of vergelijkbare organisatie in het buitenland). Deze Raad houdt toezicht op deze certificerende instellingen. Bovendien zal nader worden geregeld aan welke normen dient te worden voldaan; dit zijn de normen die gelden voor de accreditatie en de onafhankelijkheidscriteria die in zo’n norm zijn opgenomen voor keuringsinstellingen. Alle certificerende instellingen dienen in verband met de centrale registratie van gecertificeerde ondernemingen een overeenkomst met de Stichting Normering Arbeid (hierna: SNA) te hebben afgesloten. Op deze overeenkomst is het Reglement Registratie van de SNA van toepassing. Hierin wordt geregeld hoe de relatie is tussen de SNA en de certificerende instellingen. Het reglement bevat tevens afspraken over de kwaliteitsborging van de certificerende instellingen. Tevens zijn een aantal bepalingen opgenomen over de eisen die de SNA stelt aan de inspecties.

Deze leden vragen voorts hoe de vertrouwelijkheid van de gegevens bij de certificerende instellingen is gewaarborgd. Verder vragen zij op welke wijze de gegevens worden verstrekt en of ook hier de vertrouwelijkheid kan worden gegarandeerd. In het voorgestelde artikel 14b, zesde lid, is een geheimhoudingsplicht opgenomen voor een ieder die kennis neemt van de gegevens die op grond van het eerste en tweede lid van het voorgestelde artikel 14b aan de certificerende instelling worden verstrekt. Die gegevens worden verstrekt aan een bewerker. Deze bewerker valt ook onder die geheimhoudingsplicht. In het zevende lid van het voorgestelde artikel 14b is voor een aantal situaties geregeld dat de geheimhoudingsplicht niet geldt, zoals voor het verstrekken door de bewerker van gegevens van een onderneming of rechtspersoon aan de certificerende instelling, indien desbetreffende instelling de onderneming of rechtspersoon waarop de gegevens betrekking hebben ook heeft gecertificeerd. Met dit artikel wordt geregeld dat de certificerende instelling de uitzendonderneming mag informeren over het feit dat zij van de Belastingdienst of de Inspectie SZW een bericht hebben ontvangen over een door dat bedrijf begane overtreding die relevant is voor de certificering. Krachtens het reglement van de SNA is de gecontroleerde onderneming verplicht de certificerende instelling inzage te geven in het boeterapport. De certificerende instelling krijgt van de Belastingdienst of de Inspectie SZW alleen de melding over de aard van de overtreding maar geen informatie over het boeterapport zelf. In het onderhavige wetsvoorstel (artikel 14a, vijfde lid) is ook voorzien in een algemene maatregel van bestuur waarin wordt geregeld op welke wijze door de bewerker gegevens worden verwerkt. Zodra het ontwerp van deze amvb gereed is zal uw Kamer over de inhoud daarvan worden geïnformeerd, dit in antwoord op een verzoek hiertoe van de leden van de commissie. Op de hiervoor beschreven wijze is de vertrouwelijkheid van de gegevens die aan de certificerende instellingen worden verstrekt, goed gewaarborgd. De leden van de commissie vragen welke instantie als bewerker in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens zal worden aangewezen. Via een ministeriële regeling zal de SNA als zodanig worden aangewezen. Dit is een sedert 2007 bestaande, door de branche opgerichte stichting, die het register van NEN 4400–1 en 4400–2 gecertificeerde uitzendondernemingen beheert. De SNA is een gerede partij die ook nu al op adequate wijze de verklaringen betalingsgedrag verstrekt aan de certificerende instelling. Het is dus niet nodig voor de bewerking van de gegevens een nieuwe stichting op te richten.

De leden van de commissie informeren naar de betekenis van het gecertificeerd zijn, nu het zo is dat het aantal gecertificeerde ondernemingen dat zich niet aan de regels houdt niet veel afwijkt van het aantal niet-gecertificeerde ondernemingen dat in overtreding is. De regering deelt de zorg van deze leden. Het onderhavige wetsvoorstel geeft de Belastingdienst en de Inspectie SZW de mogelijkheid om de namen van bedrijven en de begane overtreding door te geven aan de SNA die op haar beurt opdracht kan geven tot een inspectie. Hiermee kunnen gemakkelijker frauderende bedrijven uit het register worden geweerd. Het doel van dit voorstel is dan ook dat zo de kwaliteit van het certificaat kan worden verbeterd. Daarmee krijgt de in artikel 7:692 BW opgenomen vrijwaring, waarnaar deze leden ook verwijzen de betekenis, die het zou moeten hebben, namelijk alleen vrijwaring voor de inlener indien wordt ingeleend van een uitzendbureau dat niet fraudeert.

Buitenlandse uitzendbureaus

De leden van de commissie vragen in te gaan op de controle van uitzendbureaus in het buitenland.

Voor buitenlandse uitzenders is er een aparte NEN norm (NEN 4400–2) ontwikkeld. Deze norm stelt aan buitenlandse uitzendbureaus, die zich op de Nederlandse markt begeven, met NEN 4400–1 vergelijkbare eisen. Naast Nederlandse certificerende instellingen kunnen ook buitenlandse certificerende instellingen worden geaccrediteerd. De audits worden, afhankelijk van waar de administraties zich bevinden, geheel of gedeeltelijk in het land van vestiging van het buitenlandse uitzendbureau uitgevoerd. De wijze van inschrijving in het register van de Stichting Normering Arbeid en de auditfrequentie zijn vergelijkbaar met die voor in Nederland gevestigde uitzendbureaus. Uit het land van herkomst afkomstige signalen over onjuiste betaling van het loon zijn voor de SNA reden voor het doen uitvoeren van een extra audit door een certificerende instantie bij het desbetreffende uitzendbureau. Omdat de controles een puur privaat karakter hebben, waarmee de uitzendondernemingen hebben ingestemd bij het certificeren, zijn er geen problemen t.a.v. de bevoegdheden van certificerende instellingen bij de controles van in het buitenland gevestigde uitzendondernemingen.

Tot slot vragen deze leden met verwijzing naar het onlangs ingediende voorstel van Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving, hoe stillegging als sanctiemiddel kan worden geëffectueerd in de situatie dat het gaat om een buitenlandse ondernemende eenpitter in zijn busje met een mobiele telefoon.

Deze situatie is vergelijkbaar met de eerder door de leden van de commissie geconstateerde omstandigheid van een vluchtige ondernemer zonder vast vestigingsadres. Ook een buitenlandse eenpitter zal moeilijk te achterhalen zijn. Maar zoals eerder opgemerkt wordt niet alleen deze eenpitter aangepakt maar ook de inlener aan wie deze uitlener personeel ter beschikking heeft gesteld. Van het opleggen van een zeer hoge boete aan de inlener op het zaken doen met een niet geregistreerde uitzendonderneming gaat een afschrikwekkende werking uit. Ook hier verwacht de regering dat op termijn de markt voor dergelijke malafide ondernemers zal gaan opdrogen. Overwogen wordt om actieve handhavingcommunicatie in te zetten indien buitenlandse eenpitters ondanks de ongrijpbaarheid ervan toch beboet zijn. Hiervan zal naar verwachting een preventief effect uit kunnen gaan.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, H. G. J. Kamp


X Noot
1

Kamerstukken II 2009/10, 17 050, nr. 396.

Naar boven