Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201732849 nr. 112

32 849 Mijnbouw

33 529 Gaswinning

Nr. 112 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Naar aanleiding van het plenaire debat over mijnbouw van 15 februari 2017 (Handelingen II 2016/17, nr. 53, item 6) en het VAO ruimte van 22 februari 2017 (Handelingen II 2016/17, nr. 56, VAO Ruimtelijke Ordening) heeft uw Kamer diverse moties op het gebied van mijnbouw aangenomen. Hierbij informeer ik uw Kamer, mede namens de Minister van Infrastructuur en Milieu, over de wijze waarop het kabinet omgaat met deze moties.

Structuurvisie Ondergrond

Met de motie van het lid Van Tongeren (Kamerstukken 32 849 en 33 529, nr. 102) heeft uw Kamer de regering verzocht om, vanuit het voorzorgsprincipe, bij het gebruik van de ondergrond voorrang te geven aan duurzame toepassingen. Met de motie van het lid Smaling (Kamerstuk 33 118, nr. 91) heeft uw Kamer de regering verzocht om in de Structuurvisie Ondergrond op te nemen dat schaliegaswinning voor het gehele Nederlandse grondgebied op land wordt uitgesloten, en het in de toekomst slechts aan de orde te stellen wanneer daar zwaarwegende redenen voor zijn.

De (ontwerp) Structuurvisie Ondergrond gaat over de nationale belangen van de drinkwatervoorziening en de energievoorziening en de weging van beide belangen ten opzichte van elkaar. Uitgangspunten met betrekking tot de besluitvorming in de Structuurvisie Ondergrond zijn:

  • Dat het Rijk sturend optreedt als er risico’s zijn of er ruimtelijke conflicten (2D en 3D) optreden die aan de hand van ruimtelijke ordening kunnen worden opgelost;

  • Dat het Rijk sturend optreedt als er een knelpunt met betrekking tot de leveringszekerheid van drinkwater of energie wordt voorzien of voor de transitie naar een duurzame energievoorziening;

  • Dat er alleen sturende besluiten worden opgenomen in de vorm van reserveringen of uitsluitingen als er voldoende onderbouwing is inzake nut, noodzaak en de (milieu)veiligheid;

  • Dat overheden ieder vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheden samenwerken in vertrouwen.

Op basis van deze uitgangspunten zullen initiatieven voor het winnen van zowel duurzame als fossiele vormen van energie worden afgewogen. Daarbij is het niet op voorhand een gegeven dat initiatieven voor duurzame energieopwekking altijd en overal gunstiger uit de afweging komen dan initiatieven voor fossiele energieproductie. Ook zijn synergievoordelen mogelijk door fossiele en duurzame energieproductie te combineren. Voorbeelden hiervan zijn de mogelijkheid om boringen die uitgevoerd worden voor gaswinning in een later stadium te converteren naar geothermieputten en het gebruik van gasvelden of zoutcavernes voor de opslag van duurzame energie. Ook initiatieven voor schaliegaswinning zullen langs bovenstaande lijn worden afgewogen. Ten aanzien van schaliegaswinning heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu in reactie op de motie van het lid Smaling reeds aangegeven dat het feit dat schaliegaswinning na 2023 niet wordt uitgesloten niet per definitieve betekent dat schaliegaswinning na 2023 is toegestaan, maar dat dit een keuze is voor een toekomstig kabinet.

De ontwerp Structuurvisie Ondergrond heeft van 22 november 2016 tot en met 2 januari 2017 ter inzage gelegen. Momenteel worden de ingediende zienswijzen verwerkt in het kader van het opstellen van de definitieve Structuurvisie Ondergrond. Het vaststellen van de definitieve Structuurvisie Ondergrond is aan een volgend kabinet. Het volgende kabinet zal een eigen afweging kunnen maken, waarbij ook de verzoeken uit beide moties een rol kunnen spelen.

Waterinjectie Twente

Met de motie van de leden Van Tongeren en Agnes Mulder (Kamerstukken 32 849 en 33 529, nr. 103) is de regering verzocht om geen onomkeerbare beslissingen te nemen over waterinjectie in lege gas- of olievelden en besluiten hierover te laten aan het volgende kabinet.

De huidige injectie van productiewater in de voormalige gasvelden in Twente vindt plaats op grond van een vergunning voor onbepaalde duur. Deze vergunning voorziet in een zesjaarlijkse evaluatie van de verwerkingsmethode van het productiewater. NAM heeft de evaluatie versneld uitgevoerd en in december 2016 het eindrapport opgeleverd. Uit de evaluatie is gebleken dat waterinjectie in de voormalige gasvelden in Twente op dit moment de meest geschikte wijze van verwerking is. Ik heb de Commissie voor de milieueffectrapportage, kennisinstituut Deltares en TNO gevraagd om mij over het eindrapport van advies te voorzien. Deze onafhankelijke adviseurs hebben de conclusies uit het eindrapport bevestigd (zie Kamerstuk 32 849, nr. 100). De evaluatie geeft dan ook geen aanleiding om een besluit te nemen met als doel te komen tot een aanpassing van de vergunde situatie. Dit betekent dat er niets verandert aan de feitelijke situatie en er geen (onomkeerbare) stappen worden gezet.

Inzet tiltmeters bij gaswinning Oppenhuizen

Met de motie van de leden Agnes Mulder en Smaling (Kamerstukken 32 849 en 33 529, nr. 105) is de regering verzocht om bij de nulmeting die wordt uitgevoerd in relatie tot de gaswinning in Oppenhuizen tiltmeters in te zetten, zodat deze worden betrokken bij de monitoring van de mogelijke gevolgen van deze gaswinning.

Bij mijn besluiten in het kader van gaswinningsprojecten vraag ik de Technische commissie bodembeweging (Tcbb) en het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) om advies. Beide adviseurs hebben aangegeven dat voor de gaswinning bij Oppenhuizen geldt dat de bodemdaling kleiner dan 2 cm zal zijn en de kans op aardbevingen gering is. Zij adviseren op basis daarvan geen extra maatregelen te nemen of specifieke meetinstrumenten in te zetten. De exploitant van het gasveld is op basis van de Mijnbouwwet verplicht een meetplan in te dienen. Dit meetplan wordt beoordeeld door SodM en het is aan SodM of zij aanvullende eisen stelt aan de wijze van meten. Daarbij is het gebruik van tiltmeters op geen enkele manier uitgesloten als mogelijke specifieke meetmethode, maar of en in welke specifieke situatie deze gebruikt zouden moeten worden, is ter beoordeling van mijn adviseurs en de toezichthouder. Ik kan dus zonder degelijke inhoudelijke onderbouwing niet een specifiek meetinstrument eisen in een specifiek geval.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp