Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 30 oktober 2012
In de brief van 31 oktober 20111 van mijn ambtsvoorganger dhr. Donner, is aangekondigd dat het Planbureau voor de
Leefomgeving (PBL) nader inzicht zou verschaffen in de mogelijke effecten van de «Tijdelijke
regeling diensten van algemeen economisch belang toegelaten instellingen volkshuisvesting»
(de staatssteunregeling) op de mutatiegraad, de doorstroming en de slaagkans van middeninkomens
op de woningmarkt in de komende jaren. Het gaat hierbij om de effecten van de toewijzingsregels
voor vrijgekomen sociale huurwoningen, waarvan minimaal 90% dient te worden toegewezen
aan huishoudens met een inkomen (in 2011) van minder dan € 33 614. Bij deze doe ik
uw Kamer de betreffende PBL-rapportage toekomen.*)
Het PBL heeft in haar doorrekeningen een periode van 25 jaren in beschouwing genomen.
Daarbij is het PBL uitgegaan van de huishoudenprognose van het CBS en een voorraadgroei
van 1 miljoen woningen tot 2025 alsmede inflatievolgend huurbeleid voor zittende huurders.
De effecten van de crisis op de woningmarkt zijn niet in de berekeningen meegenomen.
Eén van de belangrijkste conclusies in het onderzoek is dat woningmarkteffecten van
de huidige staatssteunregeling op den duur worden overschaduwd door de woningmarkteffecten
van de vergrijzing. Na circa 15 tot 20 jaren, zo stelt het PBL, zal de vergrijzing
tot een aanmerkelijke ontspanning van de woningmarkt leiden en zullen de zoektijden
voor alle inkomensgroepen aanzienlijk dalen. Het PBL adviseert dan ook om bij het
maken van beleidskeuzen voor de korte en middellange termijn de woningmarkteffecten
van de vergrijzing in de afweging mee te nemen.
Het korte termijneffect van de staatssteunregeling op de doorstroming in de PBL-berekeningen
is dat er jaarlijks zo’n 3% minder verhuizingen zijn.
De door het PBL berekende korte termijneffecten op de slaagkansen op de woningmarkt
van diverse inkomensgroepen zijn:
-
– De zoektijden voor de huishoudens met een inkomen tot € 33 614 (de toewijzingsgrens
voor een sociale huurwoning in 2011) worden door de staatssteunregeling circa 20%
lager.
-
– De zoektijden voor huishoudens met een lager middeninkomen (€ 33 614–€ 38 000) nemen
door de staatssteunregeling toe met circa 50%.
-
– De zoektijden voor huishoudens met een middeninkomen tussen € 38 000 en € 43 000 nemen
met circa 30% toe.
-
– De zoektijden van huishoudens met een inkomen vanaf € 43 000 wijzigen nauwelijks.
Het PBL verwacht daarbij niet dat private partijen in grote mate zullen gaan investeren
in huurwoningen in het middensegment.
Het PBL heeft eveneens doorgerekend wat de effecten op de slaagkansen op de woningmarkt
voor huishoudens met een middeninkomen zouden zijn van extra liberalisatie, van extra
verkoop en van overheveling van 10% sociale huurwoningen2 naar de niet-DAEB portefeuille. Uit de berekeningen blijkt dat de positieve effecten
beperkt zijn (extra liberalisatie en overheveling) of zich pas op termijn voordoen
(extra verkoop).
Hier past de kanttekening dat het PBL is uitgegaan van de veronderstelling dat de
woningen na overheveling nog steeds «gedeeld» moeten worden met lagere inkomens (die
getalsmatig een aanzienlijk grotere groep vormen). Het is echter geheel aan de corporaties
zelf om, in overleg met lokale partijen, invulling te geven aan de toewijzingsregels
rond deze overgehevelde woningen. Het is daarbij goed voorstelbaar dat in regio’s
waarin huishoudens met een (laag) middeninkomen het relatief moeilijker hebben om
een geschikte woning te vinden, de overgehevelde woningen geheel voor de groep middeninkomens
worden gereserveerd. Meer in het algemeen nopen de toewijzingsregels er toe dat er
op lokaal niveau een scherper dan voorheen op de lokale woningmarktsituatie afgestemd
toewijzingsbeleid wordt gevoerd.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J. W. E. Spies
*) Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer