32 847 Integrale visie op de woningmarkt

Nr. 214 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR WONEN EN RIJKSDIENST

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 februari 2016

In mijn brief van 27 november 20151 heb ik u geïnformeerd over de zaken met betrekking tot de huisvesting van vergunninghouders, voortvloeiend uit het Bestuursakkoord Verhoogde Instroom, alsmede de uitvoering van de nog liggende moties. Dat betrof tevens de motie van het lid Albert de Vries2, inzake een indicatieve taakstelling voor gemeenten. Over de uitvoering van deze motie wil ik u nu informeren.

Uitvoering motie De Vries

De motie verzoekt de regering in overleg met VNG en andere betrokken partijen een indicatieve taakstelling voor gemeenten te introduceren van extra tijdelijke en betaalbare woningen voor de sociale doelgroep, door het beschikbaar stellen van voor ombouw geschikte gebouwen en door verhuur van bouwrijpe kavels.

Het doel van deze motie is om gemeenten en corporaties aan te zetten tot het uitbreiden van de voorraad goedkopere huurwoningen, onder meer door transformatie van gebouwen, ontwikkeling van kavels indien mogelijk met gebruik van de subsidieregeling tijdelijke huisvestingsvoorziening statushouders, zodat het eenvoudiger is om de doelgroep, die passend gehuisvest moet worden, ook daadwerkelijk een woning met een huur onder de aftoppingsgrens aan te bieden. Tevens kan meer ruimte ontstaan voor groepen die snel in de knel komen zoals studenten, jongeren, vergunninghouders en (andere) starters op de woningmarkt.

Ik ben voornemens deze motie als volgt uit te voeren. Allereerst zal ik informatie verzamelen uit drie verschillende bronnen: een analyse van de omvang van de doelgroep in relatie tot de omvang van de geschikte woningvoorraad, een analyse van wachttijden voor sociale huurwoningen en tot slot een analyse van de gemaakte prestatieafspraken tussen gemeenten en corporaties. Vervolgens zal ik de resultaten met de Vereniging Nederlandse gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) bespreken.

Meer specifiek gaat het om het volgende.

Als eerste wordt een analyse gemaakt van de omvang van de doelgroep van beleid (inkomens tot aan de huurtoeslaggrens) in relatie tot de omvang van de woningvoorraad met een huur tot aan de aftoppingsgrens (voorjaar 2016).

Ten tweede wordt een analyse van woonruimteverdelingsystemen in Nederland en wachttijden en slaagkansen van verschillende type huishoudens, regionaal gedifferentieerd opgesteld (voorjaar 2016). Gelet op de verschillen in urgentie- en toelatingseisen bij inschrijving van woningzoekenden en de mogelijkheid om je als woningzoekende in te schrijven in meerdere regio’s en gemeenten, is het niet mogelijk voor heel Nederland een betrouwbaar overzicht te maken van het aantal ingeschreven (urgente) woningzoekenden per regio of gemeente. Wel zijn er in een aantal regio’s woonruimteverdelingsystemen waaruit de wachttijd- en zoekperiode van ingeschreven woningzoekenden kan worden bepaald. Hieruit kan een aantal knelpunten worden afgeleid.

Tot slot zal het reeds bestaande wettelijke (Woningwet) systeem van woonvisies en prestatieafspraken benut worden om tot een inventarisatie van knelpunten te komen (voorjaar 2016). Dat behelst het volgende:

  • De Woningwet veronderstelt dat gemeenten in de Woonvisie onder meer opnemen hoeveel woningen er in de komende periode nodig zijn en hoe die kunnen worden gerealiseerd.

  • Vervolgens kunnen gemeenten daar in samenspraak met bouwers en verhuurders invulling aan geven. Voor corporaties kan dat de vorm hebben van prestatieafspraken, de Woningwet verplicht corporaties hieraan mee te werken.

  • Hieruit kan worden afgeleid welk deel van de woningbehoefte zij hiervan vervolgens, vastgelegd in de prestatieafspraken, met huurders en corporaties gaan realiseren.

  • Op basis hiervan kan een overzicht van knelpunten (te zien als gemeenten die een (veel) grotere woningbehoefte hebben dan waar aan tegemoet gekomen gaat worden) opgesteld worden.

Op basis van deze gegevens zal een overzicht van knelpunten worden opgesteld: gebieden waarvoor nog een opgave ligt zoals in de motie is bedoeld. Op voorhand kan niet worden vastgesteld of dit overzicht compleet zal zijn. Ik zal het overzicht, en de gegevens waarop dat gebaseerd wordt, bespreken met VNG en IPO. Van belang is dan vooral op welke wijze de resultaten door de gemeenten kunnen worden gebruikt bij de herziening of vernieuwing van de prestatieafspraken met huurders en corporaties. Het resultaat hiervan zal ik naar verwachting in de zomer van dit jaar met uw Kamer delen.

Tot slot merk ik op dat, hoezeer ik ook instem met de doelstelling van de motie, de verantwoordelijkheid voor het vaststellen van tekorten in (delen van) de woningvoorraad en het treffen van maatregelen daarop, uitdrukkelijk op het lokale niveau ligt. Dat is in overeenstemming met de richting die is gekozen met en vastgelegd in de recente herziening van de Woningwet. Het Rijk kan hierbij signaleren en ondersteunen, maar deze verantwoordelijkheid niet overnemen.

De hiervoor beschreven uitwerking van de motie van het lid Albert de Vries kan worden betrokken bij de behandeling van het wetsvoorstel wijziging Huisvestingswet 2014, als uitwerking van de motie van het lid Van der Linde3, inzake het schrappen van de voorrangsbepaling voor vergunninghouders uit de Huisvestingswet 2014. Ik verwacht dat ik dit wetsvoorstel kort voor de zomer aan uw Kamer kan verzenden.

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok


X Noot
1

Kamerstuk 19 637, nr. 2083.

X Noot
2

Kamerstuk 34 300 XVIII, nr. 15.

X Noot
3

Kamerstuk 34 300 XVIII, nr. 40

Naar boven