32 847 Integrale visie op de woningmarkt

30 995 Aanpak Wijken

Nr. 1495 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 juli 2026

Met deze brief informeer ik uw Kamer over het analyserapport «Leefbaarometer 2024; trendbreuk in de ontwikkeling?». Met de toezending van bijgaand rapport kom ik tegemoet aan de wens van uw Kamer om u tweejaarlijks over de stand van zaken te informeren met betrekking tot de leefbaarheid in Nederland. De Leefbaarometer is een monitor- en signaleringsinstrument waarmee een inschatting wordt gegeven van de leefbaarheid in Nederland, zoals bewoners die ervaren in hun buurt of wijk.1 Dit gebeurt aan de hand van 94 indicatoren binnen vijf dimensies, te weten: Fysieke leefomgeving, Woningvoorraad, Voorzieningen, Sociale samenhang, en Overlast en onveiligheid. De onderscheiden dimensies bieden gemeenten en andere partijen handvatten voor de richting waarin maatregelen voor verbetering van de leefbaarheid gezocht kunnen worden.

Het analyserapport gaat in op het algemene landelijke beeld van de leefbaarheidssituatie en -ontwikkeling in de afgelopen jaren en met name de periode 2022–2024. Daarover deel ik met u hieronder een aantal opvallende uitkomsten uit het rapport.

Aanvullend ga ik ook kort in op een aantal verdiepende thema’s die de externe onderzoeksbureaus nader hebben geanalyseerd. Het betreft de volgende drie thema’s in relatie tot leefbaarheid: fysieke leefomgeving, onderwijs, en overlast en onveiligheid. Deze verkenningen zijn bedoeld om de kennis te vergroten over de leefbaarheidsproblematiek en om te signaleren welke samenhang er is tussen de leefbaarheid en andere opgaven in kwetsbare wijken en buurten.

Mogelijke trendbreuk in de ontwikkeling van de leefbaarheid

Sinds het begin van de metingen in 2002 is er een voortdurende verbetering te zien geweest van de leefbaarheid in Nederland. De verschillen tussen de meting van 2022 en 2024 wijzen op minder gunstige ontwikkelingen. Dit laat volgens de onderzoekers een mogelijke trendbreuk zien. Hieronder wordt ingegaan op een aantal van deze minder gunstige ontwikkelingen.

– Gemiddelde score in het land is (zeer) licht gedaald tussen 2022–2024.

De ontwikkeling van de leefbaarheid in Nederland stagneert. De gemiddelde score is niet langer verbeterd, maar (zeer) licht) gedaald. Dat is voor het eerst sinds 2002. Landelijk gezien zijn de scores achteruitgegaan op de dimensies Woningvoorraad (bijvoorbeeld door meer overbewoning en iets meer leegstand), Fysieke omgeving (bijvoorbeeld door toename van verkeers- en geluidsoverlast) en in mindere mate op de dimensie Overlast en onveiligheid (bijvoorbeeld door meer ervaren overlast en onveiligheid); zie paragraaf 2.1 en figuur 2.1 in het rapport. De gemiddelde (zeer) lichte daling van de leefbaarheid kan vooral worden toegeschreven aan een daling van de leefbaarheid in de zeer sterk stedelijke gemeenten, waartoe de G4 en een groot deel van de G40 behoren. Daarbinnen zijn de verschillen groot, tussen gemeenten en tussen wijken en buurten binnen gemeenten. De daling komt vooral voor rekening van een verdere verslechtering van de dimensie Woningvoorraad en van de dimensie Overlast en onveiligheid. Ook de dimensie Voorzieningen daalt in deze gemeenten, hoewel het niveau van deze dimensie daar nog steeds zeer gunstig is. In gemeenten buiten de G4 en de G40 blijft de leefbaarheid gemiddeld wel licht stijgen.

In het analyserapport wordt niet specifiek ingezoomd op de leefbaarheid in de 20 gebieden van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV). Daaraan is aandacht besteed in de voortgangsrapportage van het NPLV die in november 2025 aan de Tweede Kamer is aangeboden.2 In de NPLV-gebieden verbeterde de leefbaarheid over een langere periode (2018–2024) gemiddeld iets sterker dan landelijk. Wel is de leefbaarheid in de gebieden gemiddeld in 2024 iets gedaald ten opzichte van 2022. Dit is vergelijkbaar met de gemiddelde trend in Nederland.

Deze lichte daling van de leefbaarheid wordt ook hier grotendeels verklaard door ontwikkelingen in de dimensie Woningvoorraad. Het aandeel woningen op een plek waar de woningvoorraad een negatieve bijdrage levert aan de leefbaarheid is in 2024 6 keer hoger dan gemiddeld in Nederland (8,17% tegen 1,36%). Daarentegen is de dimensie Overlast en onveiligheid in de NPLV-gebieden gemiddeld iets verbeterd ten opzichte van 2022, terwijl deze gemiddeld in Nederland is verslechterd.

– Toename aantal huishoudens in gebieden met ongunstige leefbaarheid.

Hoewel de leefbaarheid in Nederland als geheel gemiddeld «goed» is, woonden er anno 2024 ongeveer 2 miljoen Nederlanders (963.000 huishoudens) in gebieden waar de leefbaarheid van de directe woonomgeving «zwak» t/m «(ruim/zeer) onvoldoende» is. Opvallend is dat dit aantal tussen 2022 en 2024 voor het eerst is toegenomen (met 43.000 huishoudens) sinds de metingen zijn begonnen in 2002; zie hoofdstuk 3, figuur 3.1 in het rapport.

– Aantal «stijgers» neemt steeds verder af, aantal «dalers» neemt sterk toe.

In de gebieden met een ongunstige leefbaarheid (score «zwak» of «onvoldoende») zijn daarbinnen delen te onderscheiden die tussen 2022 en 2024 er substantieel op vooruit zijn gegaan (de stijgers) en die er substantieel op achteruit zijn gegaan (de dalers); zie de lijst met gemeenten, wijken en buurten in bijlage 3 resp. bijlage 4 in het rapport. Tussen 2018 en 2020 waren er meer stijgers dan dalers. Daarna is dit omgekeerd. Het aantal dalers is na 2020 sterk toegenomen en het aantal stijgers neemt steeds verder af. Deze verhouding is sinds 2020 ongunstiger geworden; zie hoofdstuk 4, tabel 4.1 in het rapport.

Er staan ongeveer 42.000 woningen in gebieden waar in de afgelopen twee jaar de leefbaarheid substantieel is verbeterd van «onvoldoende» naar «zwak» of «voldoende» (de stijgers). De dimensie Overlast en onveiligheid had hier de belangrijkste bijdrage aan de totale verbetering, gevolgd door de dimensie Woningvoorraad (nieuwbouw, afname overbewoning). In de gebieden met een ongunstige leefbaarheid waar de score nog verder achteruitging tussen 2022 en 2024 (de dalers) staan ongeveer 122.000 woningen. De daling had ook hier te maken met de bijdrage van de dimensie Overlast en onveiligheid en met verslechteringen op de dimensie Woningvoorraad, maar ook met een afnemende «Sociale samenhang».

– In gebieden met decennialang een «onvoldoende» of lagere leefbaarheid verslechtert deze de laatste jaren zelfs verder.

Gebieden die in 2024 een score «onvoldoende» of lager hebben, die hebben die score al decennialang. Ze laten gemiddeld genomen een verslechtering van de leefbaarheid zien waar deze vòòr 2020 steeds verbeterde of hetzelfde bleef. In deze relatief kleine groep gebieden zijn de problemen geconcentreerd geraakt en zeer persistent. Deze ontwikkeling was al zichtbaar in de periode 2020–2022 en heeft zich nu doorgezet in de periode 2022–2024; zie paragraaf 3.1, figuur 3.3 in het rapport.

– In gebieden met een «zwakke» t/m «(ruim) voldoende» leefbaarheid is de laatste jaren een lichte daling van de leefbaarheid ingezet.

Gebieden die in 2024 een score «zwak» t/m «(ruim) voldoende» hebben, zijn gemiddeld genomen gedaald in leefbaarheid, terwijl in dat soort gebieden de leefbaarheid daarvoor steeds verbeterde. Deze ontwikkeling was de vorige keer ook al zichtbaar en heeft zich doorgezet in de periode 2022–2024; zie paragraaf 3.1, figuur 3.3 in het rapport.

Leefbaarheid structureel onder druk

Ongeveer een miljoen mensen (495.000 huishoudens) wonen in een gebied waar de leefbaarheid qua aard en omvang langdurig onder druk staat. Deze gebieden worden gekwalificeerd als «structureel onder druk». Het gaat in 2024 om 431 buurten in 46 gemeenten; zie bijlage 2 in het rapport. Hierbij speelt vooral de dimensie Overlast en onveiligheid de hoofdrol.

Opvallend is dat het aantal woningen in de gemeenten waar in specifieke delen de leefbaarheid structureel onder druk staat met circa 32.000 is afgenomen ten opzichte van 2022. Dit terwijl het totaal aantal woningen in gebieden waar de leefbaarheid «zwak» of lager is in deze gemeenten als geheel echter is toegenomen (46.000 meer dan in 2022). Volgens de onderzoekers is hier mogelijk sprake van verplaatsing van problemen van de ene naar de andere plek.

Verdiepende thema’s

– Leefbaarheid en de fysieke leefomgeving

De onderzoekers hebben verkend wat voor de onderwerpen geluid, verkeer (parkeerdruk, verkeersveiligheid, luchtkwaliteit), hittestress en groen de verschillen zijn tussen gebieden met een gunstige en ongunstige leefbaarheid.

Uit het rapport blijkt dat bewoners over deze aspecten het ongunstigst oordelen in gebieden met een «zwakke» of «onvoldoende» leefbaarheid. Zoals verwacht zijn de gebieden met een «uitstekende» leefbaarheid ook de gebieden met het meeste groen en de minste hittestress.

Veel groen is echter ook vaak te vinden in gebieden met een «zwakke» of «onvoldoende» leefbaarheid. In combinatie met veel hoge gebouwen (die schaduw bieden) zorgt dat voor een beperkte hittestress. Het zijn juist veel uitbreidingswijken met veel hittestress, waar in hoge dichtheid is gebouwd met een lage bouwhoogte en weinig groen. De leefbaarheid is hier gemiddeld vaak «ruim voldoende» of «goed», maar op deze twee aspecten van de fysieke leefomgeving geldt dat niet. Bewoners van woningen in gebieden met een «zwakke» of «onvoldoende» leefbaarheid geven aan dat zij hun woning niet koel kunnen houden, terwijl de hittestress er relatief laag is en er vaak veel groen aanwezig is. Volgens de onderzoekers hangt dit vermoedelijk samen met de kwaliteit van zowel de woningen als van het groen in de buurt.

– Leefbaarheid en onderwijs

Uit het rapport blijkt dat leefbaarheid sterk samenhangt met onderwijsuitkomsten. In buurten met een ongunstigere («onvoldoende» en lagere) leefbaarheid krijgen leerlingen relatief vaker een vmbo-advies en minder vaak een vwo-advies ten opzichte van buurten met een «uitstekende» leefbaarheid. Ook is de gemiddelde onderwijsachterstand per leerling veel groter in gebieden met een ongunstiger leefbaarheid. Het aandeel jongeren zonder startkwalificatie en dat ook geen onderwijs meer volgt is ook groter in die gebieden.

Dit betekent volgens de onderzoekers niet dat die buurten daar ook de oorzaak van zijn. Voor een deel zal de leefbaarheidssituatie daaraan bijdragen, bijvoorbeeld dat er in de woonomgeving meer stressfactoren aanwezig zijn (denk aan overlast en onveiligheid). Voor een ander (groter) deel zullen persoonlijke omstandigheden bijdragen aan ongunstigere onderwijsprestaties, bijvoorbeeld door (de stress van) moeilijk rondkomen of doordat er structureel minder hulp geboden kan worden aan lerende kinderen.

– Leefbaarheid en overlast & onveiligheid

De onderzoekers hebben ook gekeken naar de verbanden tussen de dimensie Overlast en onveiligheid en de andere dimensies in de Leefbaarometer. De sterkste relatie bestaat met de dimensie Sociale samenhang: in buurten waar bewoners hechter zijn en er meer stabiliteit in de bevolking is, wordt minder overlast en onveiligheid ervaren. Ook is er een positieve relatie met de dimensie Woningvoorraad: buurten met grotere en kwalitatief betere woningen kennen doorgaans minder problemen. Buurten met een hoog aanbod aan voorzieningen kennen juist meer overlast en onveiligheid. Dit komt waarschijnlijk doordat drukte, horeca en nachtleven meer aanleiding geven tot incidenten en een gevoel van onveiligheid.

Ten slotte is geanalyseerd welke buurten het laagste scoren op de dimensie Overlast en onveiligheid; zie bijlage 5 in het rapport. Twee typen buurten komen hieruit naar voren: de «klassieke» probleembuurten waar overlast en onveiligheid samengaan met een lage leefbaarheid, en de centrumbuurten waar eveneens veel overlast en onveiligheid is. Dit laatste wordt gecompenseerd door sterke prestaties op andere dimensies, met name het aanbod aan voorzieningen en goede woningen.

Stevige inzet nodig op domeinoverstijgende, langjarige gebiedsaanpak

Uit het analyserapport blijkt dat de leefbaarheid in Nederland zich voor het eerst minder gunstig ontwikkelt. Dit duidt volgens de onderzoekers mogelijk op een trendbreuk. Ook de verschillen die er zijn tussen gemeenten, en tussen wijken en buurten binnen gemeenten zijn groot. Verder laten de verdiepende thema’s zien dat het in het leven van mensen een (soms groot) verschil maakt of je in een buurt of wijk woont met een gunstige of ongunstige leefbaarheid.

Dit analyserapport onderstreept voor mij de noodzaak om samen met collega-bewindslieden, decentrale overheden, bewoners en andere betrokken partijen hard te blijven werken aan het toekomstperspectief van kwetsbare gebieden en hun inwoners. Ook in die gebieden hebben mensen recht op een prettige en veilige woonomgeving, zodat ze zich er thuis voelen. Zoals in het coalitieakkoord «Aan de slag, Bouwen aan een beter Nederland» is vermeld, zal dit kabinet zich hier stevig voor inzetten met een domeinoverstijgende, langjarige aanpak.

Het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) en het Programma Preventie met Gezag worden doorgezet. Het is van belang deze programma’s lang vol te houden. De kennis en ervaring die dit oplevert over de aanpak en effectieve interventies komen breder ter beschikking voor andere gemeenten.

Gemeenten met kwetsbare wijken die een gebiedsgerichte, samenhangende aanpak willen opzetten, kunnen gebruikmaken van de expertise, producten en diensten die vanuit het NPLV zijn ontwikkeld. Deze zijn via het kennisplatform en leernetwerk van WijkWijzer beschikbaar voor alle gemeenten in Nederland. Ook is er een buddysysteem van burgemeesters en directeuren van NPLV-gebieden om met andere gemeenten kennis en ervaringen te delen. Verder staat er op de rijkswebsite www.leefbaarenveilig.nl informatie over het verbeteren van de leefbaarheid en veiligheid in de twintig NPLV-gebieden en daarbuiten. Zo zijn er praktijkverhalen te vinden, informatie per NPLV-gebied en een overzicht van (rijksbrede) wetten, instrumenten en regelingen.

Het zo goed mogelijk benutten van het beschikbare instrumentarium kan ook bijdragen aan het verbeteren van het leefklimaat voor bewoners in die gebieden waar bewoners het al lastig genoeg hebben. Waar nodig kunnen gemeenten hierbij ondersteund worden door het Rijk. Bijvoorbeeld kan de inzet van selectieve woningtoewijzing een toenemende concentratie van kwetsbare bewoners voorkomen en de instroom van woningzoekenden stimuleren van meer «dragers» dan «vragers». Ook kan dit instrument bijdragen aan het beperken van de instroom van woningzoekenden met ernstig overlastgevend en crimineel gedrag in buurten waar de veiligheid al ernstig onder druk staat.

Verder wijs ik op de mogelijkheid voor gemeenten om gedragsaanwijzingen op te leggen aan verhuurders, eigenaar-bewoners en huurders die herhaaldelijke en ernstige woonoverlast veroorzaken, en op het instellen van een vergunningplicht voor bedrijfsmatige activiteiten om problemen met de leefbaarheid en veiligheid in straten, gebieden of bepaalde branches tegen te gaan vanwege ondermijnende effecten.

Op het terrein van de Volkshuisvesting zal ik mij blijven inspannen om de afspraken uit het coalitieakkoord uit te voeren, in samenwerking met decentrale overheden en vele andere betrokken partijen: het zorgdragen voor voldoende, betaalbare en passende woningen, het beter benutten van bestaande gebouwen en tegengaan van leegstand, het isoleren van woningen en doorgaan met de verduurzaming van sociale huurwoningen, en meer aandacht voor de handhaving en uitvoering. Al deze maatregelen dragen direct en indirect ook bij aan een prettige leefomgeving.

Het analyserapport wordt via de websites www.leefbaarometer.nl, www.rijksoverheid.nl en www.leefbaarenveilig.nl onder de aandacht gebracht van gemeenten en andere gebruikers. Alle achterliggende data uit de Leefbaarometer zijn via eerstgenoemde website voor eigen bewerkingen beschikbaar (open data) ten behoeve van verdere verdieping en lokaal onderzoek.

De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, E. Boekholt-O’Sullivan


X Noot
2

Kamerstukken II 2025/26, 30 995, nr. 107 d.d. 27 november 2025

Naar boven