Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132839 nr. 5

32 839 Wijziging van de Warmtewet in verband met enkele aanpassingen

Nr. 5 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 juli 2011

Op 30 juni 2010 heeft mijn ambtsvoorganger met u gesproken over de Warmtewet. De directe aanleiding was het voorgenomen Warmtebesluit en het onderzoek naar de effecten van dat besluit op de rendementen van de leveranciers door de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (hierna: NMa). In dat overleg is besproken dat de minister van Economische Zaken een voorstel voor aanpassing van de Warmtewet zou doen, teneinde de complexiteit te verminderen met behoud van de oorspronkelijke uitgangspunten van de wet. De Raad van State heeft over deze aanpassing van de Warmtewet inmiddels advies uitgebracht en de opmerkingen van de Raad zijn verwerkt. Dit wetsvoorstel wordt thans ingediend.

In samenhang met het wetsvoorstel zijn ook het Warmtebesluit en de Warmteregeling aangepast. Hierin worden onder meer nadere regels uitgewerkt ten aanzien van de elementen en wijze van berekening van de maximumprijs. Beide treft u als bijlage bij deze brief aan.1 Het advies van de Raad van State over het Warmtebesluit is in de bijgevoegde versie van het besluit verwerkt.

Tot slot stuur ik uw Kamer in samenhang met het wetsvoorstel, het besluit en de regeling een aantal rapporten.1 Dit betreft:

  • 1) Een onderzoek van de NMa naar de effecten voor kleinverbruikers van de gewijzigde Warmtewet;

  • 2) Een onderzoek van de NMa naar de inkoopkosten van warmte bij geïntegreerde warmtebedrijven;

  • 3) Een onderzoek van D-Cision naar reguleringsopties voor warmteproducenten.

Ik zal hieronder op de afzonderlijke onderzoeken ingaan, waarbij het inkoopkostenonderzoek en het onderzoek naar reguleringsopties gezamenlijk worden behandeld.

Effecten voor kleinverbruikers

De NMa concludeert dat de wijzigingen in de Warmtewet voor verbruikers gunstig uitpakken ten opzichte van het eerste effectenonderzoek (2010). Uit het onderzoek blijkt dat de maximumprijs volgens de voorgestelde regelgeving boven de gemiddeld gehanteerde prijzen blijkt te liggen, maar dat dit verschil minder groot is dan in het effectonderzoek 2010. De voornaamste reden is dat in het wetsvoorstel een korting voor elektrisch koken is opgenomen. Dit heeft een dempend effect op de maximumprijs. Het staat niet vast dat de maximumprijs ook de prijs zal zijn die leveranciers daadwerkelijk in rekening zullen brengen. De maximumprijs is een plafond, waardoor het leveranciers ook in de toekomst vrij staat een lagere prijs in rekening te brengen. De NMa constateert verder dat de Warmtewet als gevolg van de wijzigingen duidelijker en transparanter is. Dit draagt naar het oordeel van de NMa bij aan de begrijpelijkheid voor verbruikers, maar ook aan de uitvoerbaarheid voor de toezichthouder. Op mijn verzoek heeft de NMa daarnaast een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd naar de effecten van differentiatie in de generieke maximumprijs. Hierbij is gekeken naar warm tapwater en de aanwezigheid een afleverset. De NMa concludeert dat differentiatie weliswaar voor een kleine groep gebruikers effect heeft, maar adviseert vast te houden aan een generieke maximumprijs, omdat een dergelijke wijziging de complexiteit van de regelgeving en de uitvoeringslasten voor leveranciers en toezichthouder aanzienlijk zou verhogen. Gelet op de beperkte effecten voor kleine groepen gebruikers houd ik dan ook vast aan het in de Warmtewet vastgelegde uitgangspunt van één generieke maximumprijs.

In het wetsvoorstel is een bepaling opgenomen waarin wordt voorgesteld dat een leverancier een warmtewisselaar tegen redelijke tarieven en voorwaarden aan verbruikers ter beschikking moet stellen. De NMa kan de redelijkheid hiervan toetsen. Mede in dat licht neem ik de aanbeveling van de NMa over om de eerste evaluatie van de Warmtewet te benutten om nader te kijken naar de verhouding tussen de in de regelgeving opgenomen forfaitaire bedragen voor de warmtewisselaar en de huurprijzen voor de warmtewisselaar die warmteleveranciers na invoering van de Warmtewet in rekening brengen.

Inkoop van warmte door geïntegreerde warmtebedrijven

Tijdens het Algemeen Overleg van 30 juni heeft uw Kamer verzocht om nader onderzoek naar mogelijke strategische toerekening van inkoopkosten tussen de warmteproducent en de warmteleverancier in situaties waarbij sprake is van geïntegreerde warmtebedrijven. Aanleiding hiervoor vormde het effectenonderzoek uit 2010 waarin de rendementen van warmteleveranciers in kaart zijn gebracht. De toezegging aan uw Kamer om dit nader te onderzoeken is langs twee lijnen uitgevoerd: een feitelijk onderzoek door de NMa en een beleidsmatig onderzoek door onderzoeksbureau D-Cision naar reguleringsopties voor warmteproducenten.

De NMa heeft onderzocht of de geïntegreerde warmtebedrijven van respectievelijk Eneco, Essent en NUON strategisch hebben gehandeld door te hoge inkoopprijzen voor de productie van warmte vast te stellen met als doel de rendementen op warmtelevering te verlagen. Op basis van het onderzoek concludeert de NMa dat er geen aanwijzingen zijn dat deze bedrijven strategisch hebben gehandeld. Dit betekent dat er geen aanleiding is om de conclusies ten aanzien van de hoogte van de rendementen die zijn onderzocht in het effectenonderzoek van 2010 bij te stellen.

In het onderzoek van D-Cision zijn de voor- en nadelen van een aantal reguleringsopties voor warmteproducenten in kaart gebracht. Hieruit blijkt dat de verschillende reguleringsopties elk gepaard gaan met bepaalde nadelen. In dit licht, en gelet op de conclusies van het onderzoek dat door de NMa is uitgevoerd, acht ik het niet noodzakelijk om op dit moment te komen tot nadere regulering van warmteproductie. Wel heb ik het wenselijk geacht om – gegeven de strategische positie van warmteproducenten – in het wetsvoorstel een bepaling op te nemen die het mogelijk maakt dat de NMa gegevens opvraagt bij warmteproducenten die hij nodig heeft voor de uitvoering van de wet. Hierdoor kan tijdig worden bijgestuurd als onderzoek daartoe aanleiding geeft.

De minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M. J. M. Verhagen


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.