Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 februari 2026
Hierbij stuur ik u de reactie op het verzoek van de commissie naar aanleiding van
de vergadering van 27 november 2025 inzake een burgerbrief over de publieke omroepen
en journalistiek.
Inhoud van de brief
In de procedurevergadering van 27 november 2025 heeft de vaste commissie voor Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap een burgerbrief ontvangen met een betoog over onafhankelijkheid
de publieke omroepen en waarde van journalistiek voor de democratische rechtstaat.
De schrijvers betogen dat journalisten niet onafhankelijk zijn en geen rol behoren
te spelen binnen de democratische rechtstaat en dat de samenleving zowel de publieke
als commerciële omroepen zou kunnen missen.
Reactie
Ik wil de schrijvers bedanken voor hun brief waaruit een grote maatschappelijke betrokkenheid
blijkt. Tegelijkertijd ben ik het niet eens met de conclusies van hun betoog. De democratische
rechtsstaat heeft baat bij een sterk en pluriform medialandschap. Journalistiek en
media zijn nauw verbonden met de democratische rechtsstaat en spelen hierin een rol
van onschatbare waarde.
Journalisten controleren de macht, geven informatie aan de bevolking en geven mensen
een podium. In, onder meer, de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van
de Mens zijn de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid verankerd. Onder deze vrijheden
valt in ieder geval bescherming tegen ongeoorloofde overheidsinmenging. Het is belangrijk
dat media zich vrij weten van onder meer politieke beïnvloeding. De Mediawet 2008
bevat aanvullende, specifieke waarborgen voor de redactionele onafhankelijkheid van
de publieke omroep. Deze normen vormen essentiële onderdelen van het constitutionele
en wettelijk kader waarbinnen onafhankelijke journalistiek functioneert. Het is een
groot goed dat we in Nederland persvrijheid hebben. Alleen als de publieke omroep
onafhankelijk kan opereren, kan zij haar taak binnen de democratische rechtsstaat
vervullen.
De journalistiek is daarbij gehouden aan de journalistieke principes, denk aan het
controleren van feiten en het plegen van hoor- en wederhoor. Hiermee worden regels
gesteld aan de journalistieke praktijk. Het past de overheid hier niet te interveniëren,
dat zou botsen met de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting. Daarom moet de
overheid terughoudend zijn. Zij vertrouwt op de regulering die voor de journalistieke
sector is ingericht.
Dit alles wil overigens uiteraard niet zeggen dat omroepen zich in het huidige bestel
niet hoeven te verantwoorden over hun redactionele keuzes, of dat daar geen debat
over zou mogen ontstaan. Ook dat hoort bij de journalistieke praktijk. Bij opmerkingen
of klachten over de journalistieke handelwijze kan iedereen contact opnemen met de
desbetreffende omroep of redactie. Wanneer iemand niet tevreden is met de reactie
van de omroep of redactie is er de mogelijkheid om een melding te maken bij de Ombudsman
voor de publieke omroepen. De Ombudsman kan naar aanleiding van klachten nader onderzoek
doen naar het journalistiek handelen van de omroep of redactie. Ook de Raad voor de
Journalistiek kan om een oordeel gevraagd worden.
Het klopt inderdaad dat de Grondwet geen voorafgaand toezicht op media-uitingen toestaat.
Achteraf kan dat wel, bijvoorbeeld door een conclusie van de Raad voor de Journalistiek
of een gerechtelijke uitspraak. Daarbij moet wel in acht genomen worden dat een uitspraak
achteraf niet zijn schaduw vooruitwerpt: de journalistiek moet vrij blijven om publicaties
te maken over onderwerpen, ook in de toekomst. Journalistieke publicaties kunnen zeer
goed onderdeel worden van het publieke debat, maar daarbij moet zeer voorzichtig worden
omgesprongen met «verdachtmakingen» aan het adres van de afzender. Dat kan de onafhankelijkheid
aantasten of beperken.
Als Minister van OCW ben ik verantwoordelijk voor het mediabeleid en stelselverantwoordelijk
voor de publieke omroep en de journalistiek. Ik zie het als mijn verantwoordelijkheid
om te staan voor een betrouwbare en onafhankelijke publieke en commerciële nieuwsvoorziening.
Die is van grote waarde voor onze samenleving en democratie.
Tot slot wil ik u er voor de volledigheid op wijzen dat de schrijvers van de burgerbrief
aangegeven hebben dat alleen tot publicatie van hun brief overgegaan mag worden met
uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de schrijvers. Ik treed ook in contact
met de schrijvers van de brief.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, G. Moes