Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 5april 2012
Zoals toegezegd aan de vaste Commissie voor Buitenlandse Zaken tijdens het Algemeen
Overleg van 15 maart 2012 (kamerstuk 21 501-02, nr. 1143) ter voorbereiding van de Raad Buitenlandse Zaken bied ik u hierbij nadere informatie
aan over de dood van de leider van de Palestijnse Volksverzetscomités Zuhair al-Qaissi.
Op 9 maart 2012 heeft het Israëlische leger bekend gemaakt bij een luchtaanval al-Qaissi
en een van zijn medewerkers, tevens zijn schoonzoon, Mahmud Hananni, te hebben gedood.
Deze luchtaanval heeft geleid tot een escalatie van het geweld in Zuid-Israël en Gaza
in de daaropvolgende dagen.
Volgens de Israëlische strijdkrachten waren beiden bezig met de planning van een terreuraanslag
die in de volgende dagen zou plaatsvinden in Israël, uit te voeren via de Sinaï. Het
voorkómen van deze op handen zijnde terreuraanslag lijkt de grondslag voor de Israëlische
aanval. Eerder zou al-Qaissi, aldus Israël, betrokken zijn geweest bij de gijzeling
van de Israëlische militair Ghilad Shalit.
De vaste Commissie vroeg specifiek om een oordeel van het kabinet of hier sprake is
geweest van een buitengerechtelijke executie en zo ja, waarom Nederland geen protest
heeft aangetekend, zoals Nederland eerder deed bij de buitengerechtelijke executies
van Sheikh Yassin en zijn opvolger Abdel Aziz Rantisi in 2004.
Zoals uiteengezet in de brief van 24 juni 2011 over het Nederlandse standpunt inzake
buitengerechtelijke executies (32 735, nr. 24) vereist de beantwoording van de vraag of hier sprake is van een buitengerechtelijke
executie, inzicht in de feitelijke omstandigheden van de levensberoving.
Aangezien het kabinet niet beschikt over deze informatie onthoudt het zich van een
oordeel over de rechtmatigheid van deze levensberoving. Ook de VN, de EU en EU-lidstaten
hebben zich niet uitgesproken over deze gebeurtenis.
Het Israëlische rechtssysteem biedt de mogelijkheid om vragen, zoals over de rechtmatigheid
van het gebruik van geweld, voor te leggen aan de nationale rechter.
De minister van Buitenlandse Zaken,
U. Rosenthal