Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 6 juli 2016
Op 4 juli jongstleden heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
(BZK) u een brief gestuurd met als bijlage het voortgangsmemo van de aanjager Banenafspraak
overheid (Kamerstuk 29 544, nr. 728). In het memo treft u een overzicht op hoofdlijnen aan van de inspanningen die de
werkgevers van de overheidsectoren verrichten. Voordat dit memo aan de Kamer is aangeboden,
is het voorgelegd aan het Verbond van Sectorwerkgevers van de overheid (VSO). Het
VSO is op deze manier in de gelegenheid gesteld om op de resultaten te reageren. Het
is goed gebruik dat als BZK over overheidssectoren communiceert naar de Kamer, deze
informatie eerst wordt gedeeld met de sectoren. Dit is op 28 juni jongstleden gebeurd.
Tijdens de debatten met u op 16 en 23 maart (Kamerstuk 34 352, nr. 14 en Handelingen II 2015/16, nr. 68) heeft u met mij gesproken over de resultaten bij
de overheid. Tijdens deze debatten heeft u uw zorgen geuit over de voortgang van de
banenafspraak bij de overheid. U heeft om deze reden twee moties1 ingediend. In de moties vraagt u de Minister van BZK om de informatie over de resultaten
bij de overheidswerkgevers direct naar de Kamer te sturen en u vraagt om te rapporteren
over de actuele stand van zaken bij de overheidsonderdelen die achterlopen en ze aan
te sporen om daar snel verbetering in te brengen.
In deze moties heeft u niet naar aantallen gevraagd, maar naar de inspanningen. Als
u via deze moties naar cijfers had gevraagd, had ik de moties moeten ontraden. Ik
wist ook in maart immers dat in mei of juni nog geen cijfers bekend zouden zijn. Dat
heb ik wederom gemeld op 29 juni in het Algemeen Overleg met uw Kamer.
In de brief van 11 maart 20162 hebben de Ministers Plasterk, Blok en ik u op de hoogte gebracht van de laatste ontwikkelingen.
Bij deze brief zaten de twee rapportages van de heer Spigt en een overzicht van de
activiteiten bij de verschillende overheidssectoren. Het voortgangsmemo van de heer
Spigt bij de brief van 4 juli actualiseert dit beeld, ook op de overheidsonderdelen
die op grond van de informatie van de heer Spigt in zijn eerdere memo’s achterliepen.
Met de brief van 4 juli van Minister Blok is naar de mening van het kabinet aan de
hiervoor genoemde moties voldaan.
In het debat van 16 maart heb ik, zoals ik hiervoor schreef, aangegeven dat er niet
eerder cijfers over de resultaten van de banenafspraak beschikbaar zijn dan in juli
2016. Dit is om de volgende reden. UWV kan pas in mei beginnen met tellen, omdat werkgevers
tot 1 mei nog correctieberichten kunnen insturen op de polis. Daardoor is de polisadministratie
voor 1 mei nog niet stabiel. Verder is UWV voor gegevens ook afhankelijk van andere
partijen. Zo moet het CBS gegevens aanleveren over de WIW/ID banen en Panteia over
de Wsw-detacheringen.
Ten slotte moet onderzoeksbureau SEO een verdeelsleutel vaststellen voor het verdelen
van de inleenverbanden over de sector overheid en sector markt.
Hierdoor is de berekening van de definitieve cijfers een complex geheel.
De cijfers van de banenafspraak moeten uiteraard zorgvuldig worden samengesteld. Er
kunnen immers financiële consequenties aan verbonden worden, in het geval de quotumheffing
wordt geactiveerd. Vanwege deze stappen zijn de cijfers in juli beschikbaar, naar
verwachting binnen twee weken.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. Klijnsma