Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 maart 2014
Tijdens het VAO Milieuraad van 20 februari jl. (Handelingen II 2013/14, nr. 57, Milieuraad)
heeft het lid Klaver gevraagd naar de mogelijkheden om de besluitvormingsprocedure
voor ggo-markttoelatingen te veranderen. Hierbij informeer ik u, mede namens de Minister
van Buitenlandse Zaken en de Staatssecretaris van Economische Zaken, over het antwoord
op de vraag van het lid Klaver.
Voor aanpassing van de besluitvormingsprocedure rond de toelating van ggo’s op de
markt zou gekeken kunnen worden naar de aanpassing van de comitologieverordening (Verordening
(EU) 182/2011)1. Deze verordening regelt de toepassing van artikel 291 lid 3 EU Werkingsverdrag (VWEU).
In deze verordening zijn de algemene voorschriften en beginselen vastgelegd op basis
waarvan de lidstaten de Commissie kunnen controleren bij de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden.
Uit de comitologieverordening volgt dat de onderzoeksprocedure van toepassing is op
uitvoeringshandelingen met betrekking tot het milieu, bescherming gezondheid en veiligheid
van mensen, dieren of planten. Binnen de onderzoeksprocedure wordt besloten met een
gekwalificeerde meerderheid van stemmen. Om ervoor te zorgen dat uitvoeringshandelingen
op het gebied van ggo-markttoelatingen met een gewone meerderheid van stemmen kunnen
worden vastgesteld, zou een unieke bepaling opgenomen moeten worden die regelt dat
bij de stemming voor ggo-markttoelatingen bij uitzondering wordt gestemd met een eenvoudige
meerderheid. Voor aanpassing van deze verordening is om te beginnen een voorstel van
de Commissie nodig en daarna overeenstemming tussen Raad en Europees Parlement.
Het verzoek om bij de besluitvorming over ggo-markttoelatingen over te gaan naar besluitvorming
bij eenvoudige meerderheid, kan door het betoog van het lid Van Gerven tijdens het
AO Milieuraad op 19 februari jl. nader worden geduid door zijn stelling dat het ongewenst
zou zijn als de Commissie overgaat tot de toelating van een ggo op de markt indien
een meerderheid van de lidstaten daar tegen is.
In dit verband wordt er op gewezen dat juist met het oog op een democratische besluitvorming,
besluitvorming in de Europese Unie standaard plaatsvindt bij gekwalificeerde meerderheid.
Slechts indien in de Verdragen anders is bepaald, vindt besluitvorming op een andere
wijze plaats. Besluitvorming met eenvoudige meerderheid is daarbij beperkt tot procedurele
kwesties en daarvan is bij de toelating van ggo’s geen sprake.
Bij besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid is het inderdaad zo dat indien
een meerderheid van de vertegenwoordigers in het desbetreffende comité tegen is, een
besluit op het terrein van ggo’s via het zgn. Comité van Beroep toch kan worden aangenomen.
Dit heeft te maken met het feit dat een gewone meerderheid van lidstaten niet per
definitie ook een meerderheid van de bevolking van de Europese Unie vertegenwoordigt.
Om die reden geldt dat er niet alleen een meerderheid van lidstaten moet zijn, maar
dat die lidstaten ook een gekwalificeerde meerderheid van de bevolking van de Unie
moeten vertegenwoordigen. Daarmee is beoogd het democratisch gehalte van de besluitvorming
te waarborgen.
Daarbij moet naast bovenstaande argumenten ook gekeken worden naar de bredere politieke
context. Lidstaten zullen niet snel geneigd zijn om voor een onderwerp als toelating
van ggo’s akkoord te gaan met een besluitvormingsprocedure met eenvoudige meerderheid.
Op basis van bovenstaande wordt het streven naar besluitvorming met gewone meerderheid
in plaats van gekwalificeerde meerderheid voor marktoelatingen van ggo’s als onwenselijk
en onhaalbaar gekwalificeerd.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,
W.J. Mansveld