nr. 208
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 december 2009
In antwoord op de vragen van het lid Van Velzen (Handelingen der Kamer
II, vergaderjaar 2009–2010, nr. 31) met betrekking tot de JSF business
case en het daaruit voortvloeiende afdrachtpercentage voor de luchtvaartindustrie
kan ik u mede namens de staatssecretaris van Defensie het volgende mededelen.
Bij de herberekening van de JSF Businesscase op 1 juli 2008 is het
verschil tussen deelname aan de ontwikkeling van de JSF en het kopen van de
plank, zoals nader gedefinieerd in de Medefinancieringsovereenkomst (MFO),
door de Staat berekend op € 308 miljoen (Prijspeil 2001, netto contante
waarde). Na bezwaar van de Luchtvaartindustrie tegen de berekeningswijze heeft
de Staat dit verschil (het «Tekort») op 28 november 2008
vervolgens vastgesteld op € 302 miljoen. Dit Tekort komt overeen
met een afdrachtpercentage van 10,1. In 2002 was het Tekort nog becijferd
op € 191 miljoen, met een afdrachtpercentage van 3,5.
De Luchtvaartindustrie heeft op 15 december 2008 een arbitrageprocedure
aangespannen, waarin zij heeft gevorderd dat het afdrachtpercentage op nul
gesteld zou worden. Bij gedeeltelijk eindvonnis van 25 juni 2009 heeft
het Scheidsgerecht het Tekort op € 157,1 miljoen (prijspeil 2001,
NCW) vastgesteld. Afgezet tegen de daarnaast in opdracht van het Scheidsgerecht
opnieuw berekende omzet heeft het Scheidsgerecht op vrijdag 27 november
2009 het afdrachtpercentage vastgesteld op 4,49.
De wijze waarop het Scheidsgerecht het Tekort van € 157,1 miljoen
heeft vastgesteld staat in het gedeeltelijk arbitraal eindvonnis van 25 juni
2009. Dit is u op 30 juni 2009 lopende de arbitrage vertrouwelijk ter
inzage gegeven (Kamerstuk 26 488, nr. 190). Het Scheidsgerecht heeft
bepaald dat voor de SDD-bijdragen van de Staat tot de herijking van juli 2008
niet de werkelijk betaalde dollarkoers van € 1,05587 op basis van
het termijnvalutacontract moet worden gehanteerd, maar een gewogen gemiddelde
dollarkoers van € 0,8239. Dat had tot gevolg dat het Tekort met € 145
miljoen is verlaagd.
Het Scheidsgerecht wijst in het vonnis op een voordeel voor de belastingbetaler
van Nederlandse deelname aan de ontwikkelingsfase van de JSF dat los staat
van de berekening van de business case. Als gevolg van het feit dat Nederland
als partnerland kan participeren in de IOT&E fase en derhalve geen eigen
testfase hoeft uit te voeren kan het een bedrag aan meerkosten voor een nationaal
testprogramma van ongeveer € 200 miljoen (nominaal bedrag) besparen
(gemeld aan uw Kamer op 29 februari 2008, Kamerstuk 26 488 nr. 65).
Daarvan overweegt het Scheidsgerecht dat dit voordeel geen onderdeel is van
de business case en voor de berekening van het Tekort niet relevant is, maar
dat het wel «een uit de deelname aan de SDD-fase voortvloeiend voordeel
is dat de overheidsfinanciën – of in de termen van de in 2002 gegeven
toelichtingen: de belastingbetaler – ten goede komt».
Ik wijs er ten slotte op dat de deelname aan de SDD-fase voordelen voor
de belastingbetaler oplevert die door partijen bewust niet zijn meegenomen
in de business case. Te denken valt aan het vermijden van zogenaamde compensatiekosten.
Normaal worden bij Nederlandse opdrachten aan een buitenlandse leverancier
compensatie-orders voor de Nederlandse industrie ter waarde van de opdrachtsom
bedongen. Eventuele kosten die die buitenlandse leveranciers maken om een
pakket met compensatieorders te realiseren worden veelal doorberekend naar
de klant. Bij de Nederlandse participatie in de JSF is dit niet aan de orde.
Voor de aanschaf van de JSF is het daaruit resulterende compensatiekosten-voordeel
te becijferen op ongeveer € 100 miljoen (nominaal bedrag).
De contante waarde van deze twee voordelen komt in prijspeil 2001 uit
in de orde van grootte van ongeveer €150 miljoen. De hiervoor genoemde
verlaging van het Tekort in de business case met € 145 miljoen moet
derhalve mede tegen deze achtergrond worden beschouwd.
De minister van Economische Zaken,
M. J. A. van der Hoeven