Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201532824 nr. 78

32 824 Integratiebeleid

Nr. 78 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 november 2014

Op verzoek van uw Kamer d.d. 12 november 2014 (Handelingen II 2014/15, nr. 23, Regeling van Werkzaamheden) doe ik u hierbij een reactie toekomen op de berichtgeving op nu.nl onder de kop «Asscher noemt opvatting Turkse jongeren over IS «verontrustend»».

Het is van groot belang dat jongeren die in Nederland opgroeien zich richten op de Nederlandse samenleving. Hier ligt immers hun toekomst. Nederland is een land waarin het iedereen vrij staat te geloven wat men wil, waarin mensen kritisch mogen zijn en hun mening mogen laten horen zonder bang te zijn voor geweld of intimidatie. Deze vrijheden staan aan de basis van onze samenleving en garanderen de grondrechten van iedere burger in onze samenleving.

Veel Nederlandse moslims zijn zeer betrokken bij ontwikkelingen in het Midden-Oosten. Op een moment dat het conflict in Gaza escaleerde en de wereld in verbijstering de beelden van ongekend geweld in Irak en Syrië voorbij zag trekken, is Turkse en Marokkaanse jongeren om hun mening gevraagd: over zaken als democratie en het Kalifaat, over de jihadistische strijd in Irak, over het gebruiken van geweld als onderdeel van die strijd, over Hamas en over de vraag of met het conflict in Gaza op de achtergrond nog vriendschappen kunnen bestaan tussen joden en moslims.

Motivaction ondervroeg in opdracht van Forum circa 700 Nederlandse moslimjongeren van Turkse en Marokkaanse afkomst tussen de 18 en 34 jaar oud. De jongeren die hebben meegedaan aan de enquête komen uit Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven en Twente. Jongeren zijn benaderd via internet, bij moskeeën en supermarkten, in winkelstraten en bij theehuizen, bij onderwijsinstellingen en sportverenigingen, in buurthuizen en bij mensen thuis. De onderzoekers hebben niet gekeken naar de verschillende geledingen binnen de Turkse Nederlandse gemeenschap. Op 11 november presenteerde Forum de uitkomsten van deze enquête.

De enquête laat zien hoe jonge mensen denken over recente ontwikkelingen in het Midden Oosten en waar ze hun informatie vandaan halen. De uitkomsten van deze enquête zijn zeer verontrustend en leggen een aantal zeer gevoelige zaken bloot. Vooral Turks Nederlandse jongeren laten zich in hun ideeën- en meningsvorming beïnvloeden door de manier waarop in de Turkse media wordt bericht over het conflict in Gaza, over IS en over de strijd in Syrië en Irak. Dit kan niet los worden gezien van de invloed van de Turkse politieke context. De enorme steun onder de Turkse Nederlandse respondenten voor «IS», en voor het gebruiken van geweld tegen anders gelovigen door jihadistische strijdgroepen in Syrië en Irak, roept veel vragen op. Dat geldt ook voor het breed gedragen idee dat joden en moslims geen vrienden zouden kunnen zijn. Deze uitkomsten schokken en stuiten mij tegen de borst. Hoopgevend is dat deze opvattingen door de Marokkaans Nederlandse jongeren niet breed gedeeld worden. De opvattingen van de Marokkaanse respondenten laten in die zin een veel gevarieerder beeld zien. Gelukkig is er veel steun onder Turks Nederlandse jongeren voor de democratie. De uitgesproken prodemocratische opvattingen onder Turkse jongeren die ook met deze peiling naar voren komen, bieden aanknopingspunten voor een gesprek over de uitkomsten van deze enquête.

Ik hecht eraan te benadrukken dat het in dit stadium gaat om een kwantitatieve peiling zonder duiding. De uitkomsten zijn dermate verontrustend dat het nu zaak is om meer en beter inzicht te krijgen in wat er aan deze opvattingen ten grondslag ligt. Ik zal daarom aanvullend kwalitatief onderzoek laten doen naar de herkomst van deze opvattingen. De vraag in hoeverre de periode van enquêteren en de specifieke oorlogscontext in Syrië en Irak een rol hebben gespeeld bij de uitkomsten wordt hierin meegenomen.

De uitkomst van deze peiling mag niet leiden tot een verharding in onze samenleving. Hoe verwerpelijk sommige opvattingen ook zijn, we hebben in Nederland vrijheid van meningsuiting. Haatzaaien, discriminatie of het oproepen tot geweld zijn strafbaar. Wie zich hieraan schuldig maakt kan rekenen op een harde aanpak. Echter, we kunnen en mogen niet accepteren dat onze Turks Nederlandse jongeren zich van de Nederlandse samenleving afkeren en ten prooi vallen aan dit soort denkbeelden. Deze jonge mensen zijn onze jonge mensen. De problemen die met deze peiling worden blootgelegd zijn onze problemen. De oplossing moet ook van ons zijn: een gezamenlijke oplossing met betrokkenheid van de jongeren zelf, van religieuze organisaties en van anderen. Voor inmenging van buitenlandse mogendheden en van mensen die de rechtsstaat opzij willen zetten is geen ruimte.

Ik wil van de Turks Nederlandse gemeenschap horen, ook tegen de achtergrond van het onderzoek naar de vier grote Turkse stromingen en religieuze organisaties, hoe we ervoor zorgen dat deze jonge mensen zich meer op de Nederlandse samenleving gaan richten. Dat bereiken we niet door deze jongeren te isoleren of van ons af te duwen. Wel door hen te betrekken bij de Nederlandse samenleving en hen duidelijk te maken dat geen geloof ooit geweld rechtvaardigt, tegen wie dan ook, en waar ook ter wereld. Het gesprek met deze jongeren moet gevoerd worden tot op het niveau van de huiskamers. Ouders, scholen, moskeeën en buurthuizen spelen een cruciale rol om de binding van de Turks Nederlandse jongeren met de Nederlandse samenleving te versterken.

De reacties van het Inspraakorgaan Turken (IOT) en het Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO) op de uitkomsten van de enquête stemmen mij hoopvol als het gaat om een gezamenlijke aanpak voor het vervolg. Ik was al in gesprek met Turkse organisaties, na deze uitkomsten is de urgentie hiervan verhoogd.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher