Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132820 nr. 43

32 820 Nieuwe visie cultuurbeleid

31 288 Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid

Nr. 43 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 augustus 2011

De vereniging onderwijs kunst en cultuur (VONKC) heeft u op 23 mei 2011 een brief geschreven over het opleiden voor een onderwijsbevoegdheid voor docenten in de kunstvakken. Dit naar aanleiding van mijn eerdere brief aan u van 4 april 2011. Met uw brief van 10 juni 2011 met kenmerk 2011D29699 vroeg u mijn reactie op de brief van de VONKC van 23 mei 2011.

De brief van de VONKC is er één in een reeks van correspondentie met u en met het ministerie van OCW, maar ook met de HBO-raad en met de NVAO.

Centraal staat (in de woorden van de VONKC in haar brief van 23 mei jl.) «de vraag of er ongegradeerde Bachelor-opleidingen mogen bestaan die niet gevalideerd zijn» en verder merkt de VONKC op dat het jammer is «dat de (wel gevalideerde) aanvullende en tot een volledige bevoegdheid leidende Master geen civiel effect heeft gekregen, waardoor de kunstvakken opnieuw in een status aparte worden gezet. Alle andere vakken kennen een Master-eis voor de bevoegdheid in het VHO».

Aan die centrale vraag, in verschillende bewoordingen, is van de kant van het departement aandacht besteed in gesprek en reagerend op brieven van NVTO of VONKC (de opvolger van NVTO), te weten in

  • overleg met o.a. de NVTO op 29 januari 2008,

  • brief aan de NVTO van 10 maart 2008,

  • brief aan de NVTO van 8 december 2008,

  • brief aan de Tweede Kamer van 27 mei 2010 in reactie op een door VONKC aan u gezonden brief,

  • brief aan VONKC, eveneens van 27 mei 2010 en

  • brief aan de Tweede Kamer van 4 april 2011, wederom in reactie op een door VONKC aan u gezonden brief.

Met mijn brief van 4 april jl. heb ik aangegeven niet opnieuw de discussie te willen voeren, maar deze zaak nadrukkelijk in perspectief van de nabije toekomst te willen zetten. Dat kan ook. De sector heeft inmiddels het sectorplan kunstvakonderwijs gepresenteerd, waarin o.a. is aangegeven dat de kwaliteit van de kunstvakdocentopleidingen wordt versterkt. En inmiddels is er al een raamconvenant tussen opleidingen en beroepenveld waarin de vraag aan de orde is op welke wijze leraren het best kunnen worden opgeleid om op een bekwame wijze onderwijs te verzorgen waarvoor zij zijn benoemd.

Het werkveld, waaronder VONKC, is actief in dat proces betrokken, een proces waarin conclusies kunnen worden verbonden, zo is VONKC bekend, aan de evaluatie van de opleidingsprofielen en de toekomstgerichte analyse van de commissie Dijkgraaf. Eén en ander heeft geresulteerd in het sectorplan.

Vooruitlopend op conclusies in dat verband neem ik geen andere standpunten in dan in eerdere correspondentie is beschreven.

Kortheidshalve nog het volgende:

  • 1. Het is, voor zover het niet bekostiging of doelmatigheid betreft, niet aan bewindslieden van OCW om te kiezen tussen het bestaande model (een bacheloropleiding leidend tot een ongedeelde bevoegdheid) en het model waarin leraren in de bachelorfase worden opgeleid voor het 2e graadsgebied en in een daarop aansluitende masteropleiding voor de bovenbouw van havo en vwo (het eerstegraads gebied). Zoals in eerdere correspondentie aangegeven, zijn beide modellen mogelijk.

  • 2. Lerarenopleidingen moeten ervoor zorgen dat de student aan het eind van de opleiding voldoet aan de wettelijk vastgestelde beroepsvereisten (artikel 7.6 van de WHW). In dit geval zijn dat de bekwaamheidseisen voor betreffende vakken die zijn vastgelegd in het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel.

    Een ongedeelde opleiding in het kunstvakonderwijs moet de student in staat stellen te voldoen aan de (2e graads) vo/bve-bekwaamheidseisen (praktijkonderwijs, (v)mbo en de eerste drie leerjaren havo en vwo) en de (1e graads) vho-bekwaamheidseisen (bovenbouw havo en vwo).

  • 3. Accreditatie van de opleiding impliceert dat de opleiding zodanig is dat voor beide sets van bekwaamheidseisen wordt opgeleid. Aan die wettelijke eis is dan voldaan. In eerdere correspondentie is in dat verband ingegaan op het feit dat het onderwijsprogramma mogelijk te overladen was. In vervolg daarop is ook aangegeven tot welke actie dat heeft geleid, te weten besluitvorming naar aanleiding van een advies van Smets+Hover+.

    Ik verwijs hiervoor ten overvloede onder meer naar mijn brief aan u van 27 mei 2010.

  • 4. Alle lerarenopleidingen zijn de laatste jaren bezig geweest samen de noodzakelijke kennisbases voor de opleidingen vast te stellen, zodat er geen sprake (meer) zal zijn van onbalans tussen het kennen en het kunnen van de afgestudeerde. Bij dat traject is het werkveld betrokken. De kennisbases voor de opleidingen voor leraren kunstvakonderwijs komen nog dit jaar beschikbaar.

  • 5. Het feit dat alle betreffende opleidingen tussen 2007 en 2010 zijn geaccrediteerd én het feit dat ze druk doende zijn kennisbases vast te stellen en in te voeren, geeft mij op dit moment geen aanleiding om op het punt van validering vraagtekens te zetten.

Het is nu zaak dat de instellingen en het werkveld waaronder VONKC uitwerking gaan geven aan het sectorplan en de afspraken zoals vermeld in het raamconvenant.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

H. Zijlstra