32 820 Nieuwe visie cultuurbeleid

29 362 Modernisering van de overheid

Nr. 411 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 maart 2021

In december 2020 heeft de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed (hierna: de inspectie) het rapport Een lappendeken. Zicht op toezicht. Actueel overzicht van de invulling van het interbestuurlijk toezicht domein monumenten en archeologie door provincies aan mij aangeboden. Het rapport is, naar aanleiding van de evaluatie in 2017 van het stelsel van het generiek toezicht door de Minister van BZK, op mijn verzoek tot stand gekomen. Hierbij zend ik u het rapport toe1 en geef ik mijn reactie op de inhoud van het rapport.

De inspectie constateert dat er verschillen zijn in de wijze waarop het toezicht door de provincies wordt ingevuld, zowel wat betreft intensiteit als criteria. Ook constateert de inspectie dat verbeteringen mogelijk zijn in de wijze waarop informatie gedeeld wordt, bijvoorbeeld over meldingen van burgers. Verder constateert de inspectie dat door de verschillen tussen de provincies op landelijk niveau niet altijd goed inzicht is in bepaalde trends en/of risico’s op gemeentelijk niveau. De erfgoedmonitor van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), de vierjaarlijkse Erfgoedbalans en de monitor van de inspectie geven weliswaar een goed beeld van de stand van zaken, maar dat laat onverlet dat de signalen die uit het Interbestuurlijk Toezicht (IBT) komen dit beeld kunnen aanvullen. Positief is dat de inspectie in haar rapport constateert dat ruim de helft van de provincies inmiddels bezig is met de professionalisering van het toezicht op erfgoed.

Naar aanleiding van het rapport ben ik samen met het Ministerie van BZK in gesprek getreden met het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). De provincies geven aan dat met de invoering van de Wet revitalisering generiek toezicht in 2012 het interbestuurlijk toezicht is vereenvoudigd en versoberd. De keuze voor een gedecentraliseerd toezicht brengt met zich mee dat er verschillen zijn en zullen blijven tussen provincies. Provincies hebben hun toezichtwerkzaamheden niet ingericht met het oog op het kunnen aggregeren van informatie naar een landelijk beeld. Er zijn destijds ook geen afspraken gemaakt over het verstrekken van toezichtinformatie aan mijn ministerie.

Naar aanleiding van de evaluatie uit 2017 van de in 2012 ingevoerde Wet revitalisering generiek toezicht hebben de Minister van BZK, het IPO, de VNG en Staatssecretaris van Financiën de Agenda Toekomst interbestuurlijk Toezicht (ATT) opgesteld. De ATT beoogt een verandering in werkwijze, waarbij toezichthouders en toezichtontvangers gezamenlijk en in dialoog, het IBT vormgeven. In de Agenda zijn vijf actielijnen benoemd waaronder het uniformeren van de uitvoering van het toezicht. Deze actielijn ziet onder meer op landelijke afspraken over de verschillende domeinen waar het toezicht zich op zou moeten richten. Daarnaast moet duidelijk zijn wat het normenkader is, welke methodiek en werkwijze de toezichthouder hanteert en hoe wordt omgegaan met de uitkomsten. Toezichtontvangers en toezichthouders weten dan wat ze van elkaar kunnen verwachten. Dit moet uitmonden in één landelijk toezichtkader voor het generieke toezicht. In het verlengde daarvan wordt gewerkt aan (landelijke) afspraken over inhoud en wijze van rapporteren.

Als onderdeel van deze actielijn zal door provincies en gemeenten in samenwerking met het IPO, de VNG en de Ministeries van BZK en OCW een gemeenschappelijk toezichtkader voor erfgoed worden uitgewerkt. Hiertoe zal op korte termijn een werkgroep worden gestart. Daarbij worden de verschillende verantwoordelijkheden binnen het gedecentraliseerde erfgoedstelsel in acht genomen. Ook betrek ik het rapport van de inspectie bij de beleidsdoorlichting erfgoed en de evaluatie van de Erfgoedwet.

Tot slot wijzen zowel provincies als gemeenten erop dat IBT slechts een van de manieren is om te bevorderen dat in de praktijk het juiste gebeurt. Ook kennisnetwerken, handreikingen en ondersteuning van gemeenten via steunpunten voor erfgoed spelen een belangrijke rol, net als de vele dagelijkse contacten die er tussen medewerkers van de verschillende bestuurslagen bestaan.

Ik kijk er naar uit om samen met provincies en gemeenten en met inachtneming van ieders verantwoordelijkheid, stappen te zetten om het toezicht op erfgoed op alle niveaus zo goed mogelijk vorm te geven.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

Naar boven