Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 juni 2011
Naar aanleiding van het notaoverleg van 27 juni over de brief Meer dan Kwaliteit, informeer ik u mede namens mijn collega
van Financiën over de indemniteitsregeling.
De indemniteitsregeling beoogt door het beperken van de verzekeringskosten van tijdelijke bruiklenen uit het buitenland een
bijdrage te leveren aan het realiseren van tentoonstellingen van bijzonder belang in Nederland. Door een staatsgarantie voor
schade of verlies tot een bepaald percentage van de verzekerde waarde (indemniteit) worden de verzekeringskosten gedrukt.
Belangrijke tentoonstellingen kunnen zo worden bevorderd en het publieksbereik en het ondernemerschap worden gestimuleerd.
De regeling dateert van 1989 en is in 2005 en 2008 aangepast. Ook in Europees verband heeft Nederland zich ingezet voor collectiemobiliteit,
waar de indemniteitsregeling aan bijdraagt. In de periode 2008–2010 zijn in Europa ervaringen op dit gebied uitgewisseld.
Dit gaat leiden tot het ontwikkelen van een toolkit ten behoeve van het museale veld om de communicatie en informatievoorziening
te verbeteren. Ook zal de stijging van verzekeringswaarden van kunstvoorwerpen in relatie tot de indemniteit en niet-verzekeren,
onderwerp zijn van een vergelijkend Europees onderzoek waarvan de resultaten in 2012 worden verwacht.
In het notaoverleg kwam aan de orde in hoeverre het opportuun is om de garantstelling van de verzekerde waarde van kunstvoorwerpen
te verhogen met het oog op de waardestijging van kunstvoorwerpen en de verzekeringskosten bij tentoonstellingen. Het is niet
mogelijk de garantiestelling te verhogen onder de huidige voorwaarden van de indemniteitsregeling.
Het kabinet is terughoudend op het gebied van garanties zoals ook staat verwoord in het regeerakkoord. De huidige indemniteitsregeling
kent een indemniteitspercentage van 30% en een garantieplafond van € 300 miljoen, waarmee een premiekorting van 30 tot 50%
kan worden bereikt.
In het najaar start een evaluatie van de indemniteitsregeling om te bezien of, en op welke wijze de huidige regeling aanpassing
behoeft. Vooruitlopend daarop zie ik de volgende voor- en nadelen van het verhogen van het indemniteitspercentage en/of garantieplafond.
Indemniteitspercentage
In de huidige indemniteitsregeling is het indemniteitspercentage 30%. Een verhoging van dit percentage heeft de volgende voor-
en nadelen:
Voordelen
Nadelen
-
1. bij het huidige plafond kan het verhogen van het indemniteitspercentage leiden tot een vermindering van het aantal te honoreren
verzoeken;
-
2. het mogelijke maximale financiële effect voor de staat is groot, ten opzichte van de premiebesparing voor musea;
-
3. extra bemoeienis door de staat, omdat verzekeringstaken, zoals de risico-inschatting, die nu door de commerciële verzekeraar
wordt uitgevoerd, dan meer of volledig (bij indemniteitspercentage van 100%) door de staat moet worden overgenomen.
Garantieplafond
In de huidige indemniteitsregeling is het garantieplafond € 300 miljoen. Een verhoging van dit plafond heeft de volgende voor-
en nadelen:
Voordelen
Nadelen
-
1. sterke toename van het risico voor de staat;
-
2. bij nieuwe garantieregelingen of aanpassingen in bestaande regelingen moeten de nieuwe begrotingsregels toegepast worden,
hetgeen inhoudt dat risico’s marktconform beprijsd moeten worden. Indien de marktconforme premie wordt doorberekend, leidt
dit tot extra kosten voor de musea en/of OCW die de financiële voordelen van de indemniteitsregeling deels teniet zou kunnen
doen.
Met het oog op de komende evaluatie wil ik het indemniteitspercentage in samenhang met het garantieplafond bezien. Ik hecht
daarbij aan een evenwichtige rolverdeling tussen het Rijk, de commerciële verzekeraars en musea. Ten slotte bezie ik de indemniteitsregeling
ook in relatie tot andere instrumenten om de internationale collectiemobiliteit te bevorderen, zoals het niet-verzekeren van
collecties in bezit van overheden.
Over de resultaten van genoemde evaluatie zal ik de Tweede Kamer begin 2012 nader informeren. Ik stel voor niet vooruit te
lopen op deze evaluatie, maar pas op dat moment met u in gesprek te treden over de meest effectieve, en tevens doelmatige,
aanwending van het beleid.
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
H. Zijlstra