32 802 Toepassing van de Wet openbaarheid van bestuur

D VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 30 maart 2026

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de meerjarenplannen digitale informatiehuishouding en openbaarheid 2026–2030 en het herijkte Actieplan Open Overheid 2023–2027. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 17 februari 2026.

  • De antwoordbrief van 30 maart 2026.

De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Bergman

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN

Aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Den Haag, 17 februari 2026

De leden van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 19 december 2025 over de meerjarenplannen digitale informatiehuishouding en openbaarheid 2026–2030 en herijkte Actieplan Open Overheid 2023–2027.2 Naar aanleiding van uw brief hebben de leden van de fracties van de BBB en PVV enkele vragen aan u.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

De leden van de fractie van de BBB hechten grote waarde aan het vertrouwen in de overheid maar zijn er niet van overtuigd dat de investeringen in een betere informatiehuishouding en openbaarheid in verhouding staan tot de beoogde groei van het vertrouwen. Om die reden hebben deze leden de volgende vragen aan u, die zich vooral richten op de uitvoerbaarheid van de plannen voor met name de kleinere gemeenten in de regio en de waterschappen.

Op welke wijze draagt beter informatiebeheer bij aan het vergroten van publiek vertrouwen? Is er ooit onderzocht of Woo-verzoeken bijdragen aan meer vertrouwen in de overheid? Zo ja, kunt u deze onderzoeken aan de kamer verstrekken? Zo nee, bent u bereid een dergelijk onderzoek uit te voeren? Deze leden lezen hier graag een toelichting op.

In de Gezamenlijke oplegger staat dat er in 2026 een monitor komt voor de feitelijke kosten van de Wet open overheid (Woo) en dat er pas in 2029 wordt gekeken of er extra geld nodig is voor decentrale overheden, terwijl de uitvoering van de Woo nu al een enorme wissel trekt op de begrotingen van decentrale overheden.3 Is er overleg geweest met bijvoorbeeld de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), Interprovinciaal Overleg (IPO) en Unie van Waterschappen (UvW) over deze termijnen? Is er een versnelling mogelijk? Deze leden lezen hier graag een toelichting op.

Het Rijksbrede programma Open Overheid stopt per eind 2026, waarna zelf financiering moet worden gevonden binnen bestaande budgetten. Hoe waarborgt u dat extra taken in het kader van beter informatiebeheer niet ten koste gaan van andere taken bij kleinere waterschappen of gemeenten?

Er wordt ingezet op strikte standaarden zoals MDTO en TOOI voor metadata. In hoeverre zijn de administratieve lasten die dit met zich meebrengt voldoende getoetst aan de dagelijkse praktijk?

De overbrengingstermijn van archieven wordt, als de nieuwe Archiefwet 20xx in werking treedt, verkort van 20 naar 10 jaar.4 Wat is de stand van zaken met betrekking tot de huidige termijn? Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit niet leidt tot nóg grotere achterstanden in de informatie-ordening dan er nu al zijn?

In de Woo staat een «antimisbruikbepaling» (art. 4.6). Zorgt deze bepaling er in voldoende mate voor dat de rechtmatigheid van informatievragen beter getoetst wordt? Deze leden lezen hier graag een toelichting op.

Er wordt prioriteit gegeven aan een generieke Woo-voorziening waar iedereen op aan moet sluiten. Is er voldoende gekeken naar de uitvoerbaarheid voor medeoverheden die allemaal eigen systemen hebben? Is er een uitvoeringstoets en of een impactanalyse gedaan? Deze leden lezen hier graag een toelichting op.

De innovatieagenda zet in op AI voor het sneller afhandelen van verzoeken. In hoeverre is de juridische juistheid voldoende gewaarborgd als algoritmen bepalen wat de burger wel of niet mag zien, gezien de ervaringen met algoritmen in het verleden?

Momenteel wordt slechts een klein deel van de Woo-verzoeken binnen de wettelijke termijn afgehandeld. Welke concrete stappen worden ondernomen om de uitvoerbaarheid te vergroten, zonder dat dit leidt tot meer dwangsommen? Deze leden lezen hier graag een toelichting op.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PVV

In uw brief is het volgende opgenomen: «Naast de meerjarenplannen van de verschillende overheidslagen, die passen bij ieders eigen opgaven, hebben we met de koepels van medeoverheden een Gezamenlijke oplegger opgesteld.»5 Bij uw brief zijn diverse bijlagen gevoegd afkomstig van de VNG, IPO en UvW.6

VNG, IPO en UvW zijn privaatrechtelijke organisaties, waarbij geen sprake is van kaderstelling of controle door de volksvertegenwoordiging. Middels de zelfverklaarde taak van vertegenwoordiging van de gemeenten, provincies en waterschappen, die publiekrechtelijke bestuursorganen zijn, wordt zonder democratische legitimatie gesproken námens deze bestuursorganen. Kunt u reflecteren op deze geschetste – onwenselijke – situatie? Hoe weegt u, gezien die context, de inbreng vanuit privaatrechtelijke organisaties VNG, IPO en UvW? Heeft u overwogen om de afzonderlijke bestuursorganen zelf om hun inbreng te vragen? Zo nee, waarom niet?

De leden van de fractie van de PVV zijn van mening dat de wijze waarop de zelfverklaarde vertegenwoordiging van publieke bestuursorganen door de privaatrechtelijke organisaties als de koepels plaatsvindt in feite een vorm van ondermijning is van de autonome rol van gemeenten, provincies en waterschappen. Kunt u deze stelling weerleggen?

De privaatrechtelijke «koepels» vallen niet onder de Woo, noch leggen zij verantwoording af aan de volksvertegenwoordiging. Hun handelen, al dan niet namens één, meerdere of alle leden, is daarmee niet transparant, niet afrekenbaar en niet controleerbaar voor burgers, journalisten of volksvertegenwoordigers. Kunt u onderbouwen waarom de privaatrechtelijke handelingen van de koepels geen belemmering vormen in de ongehinderde uitoefening van de processen in een vrije rechtsstatelijk sterke democratie, waaronder oordeelsvorming, informatievoorziening en vrije journalistiek? Zo nee, waarom niet?

Volgens het bindende Europese Handvest inzake Lokale Autonomie uit 1985 dat Nederland heeft geratificeerd houdt lokale autonomie in: «(...) het recht en het vermogen van lokale autoriteiten, binnen de grenzen van de wet, een belangrijk deel van de openbare aangelegenheden krachtens hun eigen verantwoordelijkheid en in het belang van de plaatselijke bevolking te regelen en te beheren.» en dienen de bevoegdheden die aan lokale autoriteiten zijn toegekend «(...) in de regel volledig en uitsluitend te zijn. Zij mogen niet worden aangetast of beperkt door een andere, centrale of regionale, autoriteit, behalve voor zover bij of krachtens de wet is bepaald.»7 Bent u het met de stelling van de leden van de fractie van de PVV eens dat Strategische Meerjarenplannen van overheden een kaderstellend karakter hebben en dus onder de kaderstellende bevoegdheid van de volksvertegenwoordiging vallen? Zo nee, waarom niet? Hoe onderbouwt u het naast zich neerleggen van dit bindende Europese Handvest?

Volgens de brief heeft u de meerjarenplannen gelijktijdig aangeboden aan het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding (ACOI). Volgens u zal het ACOI op een later moment een reactie op de plannen uitbrengen. Acht u het wenselijk dat de reactie van het ACOI op de plannen kan worden meegewogen door de volksvertegenwoordiging, voordat de volksvertegenwoordiging inbreng kan leveren op de plannen? Zo nee, waarom niet?

In uw brief schetst u de actuele uitdaging van «het bevorderen van de herbruikbaarheid van Open Data en het vergroten van de transparantie van algoritmen.»8 Kunt u aangeven hoe u aankijkt tegen het eigendomsrecht van open data? Kunt u meer duiding en betekenis geven bij «vergroten» van de transparantie van algoritmen? Met welke hoeveelheid transparantie bent u tevreden? Bent u bereid om volledige transparantie alsmede openbare registratie van alle overheidsalgoritmes te realiseren? Zo nee, waarom niet?

Hoe reflecteert u op de stellingname van de leden van de fractie van de PVV dat onderzoeken in opdracht van de overheid (ook als die door externe onderzoeksbureaus worden uitgevoerd) in beginsel altijd Open Data (en daarmee herbruikbare data) zouden moeten voortbrengen die per definitie publiek eigendom is? Zo nee, hoe luidt uw opinie dan wel?

Bent u in het kader van het bevorderen van «betekenisvolle transparantie» bereid om alle documenten die betrekking hebben op de totstandkoming van kaders, stellingname en agendasetting uit de Gezamenlijke oplegger openbaar te maken, alsmede de koepels ertoe te bewegen ook hun stukken openbaar te maken? Zo nee, waarom niet? Hoeveel waarde heeft de term «transparantie» voor u als deze documenten niet openbaar gemaakt worden?

In de Gezamenlijke oplegger wordt gesteld: «Essentieel is het besef dat verbetering van de informatiehuishouding een bestuurlijke opgave is. Het gaat namelijk niet om technologie alleen, maar om keuzes: wat wordt vastgelegd, hoe wordt dit bewaard, wie heeft toegang en waarvoor wordt informatie gebruikt? Deze keuzes, het consequent uitvoeren van die keuzes en het doelgericht sturen op de te behalen doelen, bepalen de kwaliteit en de continuïteit van de dienstverlening en de democratische legitimiteit van de overheid.»9 Bent u het met de leden van de fractie van de PVV eens dat deze belangrijke stellingname betekent dat de kaderstellende rol van de volksvertegenwoordiging niet kan worden genegeerd? Zo nee, Kunt u toelichten waarom niet? Hoe beschouwt u in deze de niet democratische gelegitimeerde procesgang via de koepelorganisaties?

De Gezamenlijke oplegger stelt «We zorgen ervoor dat informatie niet alleen goed wordt beheerd en gebruikt, maar ook betekenisvol wordt gedeeld met de samenleving.»10 Kunt u aangeven wat precies en uitputtend wordt bedoeld met «betekenisvol delen»?

In de Gezamenlijke oplegger is het volgende verwoord: «Een open overheid vraagt echter om een duidelijke richting. Daarom zullen wij gaan werken aan een gezamenlijke visie op open overheid, waarin we ook kijken naar andere «open» thema’s zoals open data. De visie op informatiehuishouding en de visie op open overheid moeten elkaar versterken. We zullen bij dit proces ook maatschappelijke organisaties betrekken.»11 In 2013 heeft u een Visie op Open Overheid opgesteld en gepubliceerd.12 Deze visie is volgens het document tot stand gekomen «dankzij de denkkracht vanuit de samenleving». Waarom wilt u werken aan een nieuwe visie op Open Overheid? Heeft u reden om aan te nemen dat onze burgers een andere visie hebben op wat een Open Overheid inhoudt? Is de visie van het Open Government Partnership (waar Nederland bij is aangesloten) op Open Overheid gewijzigd, waardoor een nieuwe (Nederlandse) visie op Open Overheid nodig is?

In hoofdstuk 3 in de Gezamenlijke oplegger wordt gesproken over «Betekenisvolle openbaarmaking». Gesteld wordt dat «Informatie die openbaar gemaakt wordt moet voor de samenleving meerwaarde hebben.»13 Kunt u deze stelling nader toelichten? Kunt u bevestigen dat voor een democratische samenleving enkel het belang van de openbaarheid zelf, en niet het belang van de waarde of meerwaarde van de betreffende informatie, relevant is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid afstand te nemen van deze stellingname in de Gezamenlijke oplegger?

Vervolgd wordt in deze passage met de stelling «Er zal daarom toegewerkt worden naar betekenisvolle openbaarmaking van informatie die aansluit bij de informatiebehoefte van de samenleving.»14 Wie of wat bepaalt wat «de informatiebehoefte van de samenleving» is? Bent u het met de leden van de fractie van de PVV eens dat «betekenisvolle openbaarmaking» een uiterst dubieuze vervorming is van het algemeen en individueel recht op overheidsinformatie? Zo nee, waarom niet? Komt u in dat licht bezien ook tot de conclusie dat «betekenisvolle openbaarmaking» een dubieus begrip is, en als zodanig ondermijnend is voor het beeld van een transparante en onafhankelijke overheid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om afstand te nemen van deze insteek?

In de paragraaf «afhandelen Woo-verzoeken» van de Gezamenlijke oplegger wordt gesteld «In de meerjarenplannen is daarom opgenomen dat er gewerkt gaat worden aan het verkorten van de gemiddelde afhandeltermijn van Woo-verzoeken. Één van de maatregelen daarvoor is het beter onderhouden van contact met verzoeker en het gesprek aan te gaan over diens informatiebehoefte.»15 Waarom moet volgens u het gesprek worden aangegaan met verzoeker over diens informatiebehoefte? Concludeert u net als de leden van de fractie van de PVV dat een dergelijke insteek op gespannen voet staat met artikel 1.1 van de Woo?16 Zo nee, waarom niet? Bent u bereid deze maatregel ongewenst te verklaren? Zo nee, waarom niet?

In de paragraaf «Misbruik en Oneigenlijk Gebruik» van de Gezamenlijke oplegger wordt gesteld «Een overheidsbrede werkgroep werkt momenteel aan een handreiking die overheidsorganisaties moet helpen bij het identificeren van misbruik of oneigenlijk gebruik van Woo-verzoeken en hoe daar vervolgens mee kan worden omgegaan.»17 Misbruik en Oneigenlijk gebruik van de Woo is ongewenst dient bestreden te worden wat de leden van de fractie van de PVV betreft. Herkent u tegelijkertijd het risico op het onterecht labelen van een Woo verzoek als «oneigenlijk gebruik» of «misbruik»? Herkent u ook het belang van het waarborgen dat een Misbruik-en-Oneigenlijk-gebruikargument nooit misbruikt mag worden om informatie niet openbaar te maken of de openbaarmaking onnodig te vertragen of frustreren? Hoe gaat u dit waarborgen? Hoe is het bestuurlijke toezicht geborgd bij de betreffende werkgroep?

In de paragraaf «Technische voorzieningen voor archivering van e-mail en tekstberichten» van de Gezamenlijke oplegger wordt gesteld «Dit is in lijn met de interventies in de [Nederlandse Digitaliseringsstrategie] NDS om inkoopkracht te bundelen en bepaalde collectieve oplossingen en bouwstenen verplicht te maken. We streven hierbij naar duurzame, soevereine en overheidsbrede voorzieningen.»18 Wat wordt precies bedoeld met «soevereine» voorzieningen? Ziet u het belang van overheden die voor hun technische voorzieningen zo min mogelijk afhankelijk moeten zijn van Big Tech partijen als Microsoft, Oracle of Google? Zo nee, waarom niet?

In de paragraaf «Vernietiging» van de Gezamenlijke oplegger wordt gesteld «Overheidsorganisaties moeten meer doen om dubbelingen te voorkomen ...».19 Wat wordt concreet bedoeld met «dubbeling»? Hoe kijkt u aan tegen «ontdubbeling» in het licht van Woo-verzoeken gericht aan een overheidsorgaan? Ziet u daarbij ook het risico dat informatievoorziening daarmee incompleet wordt?

De leden van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

Voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, I.M. Lagas MDR

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 maart 2026

Hierbij stuur ik u mijn reactie op de vragen over de meerjarenplannen digitale informatiehuishouding en openbaarheid 2026–2030 en het herijkte Actieplan Open Overheid 2023–2027, die de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken bij brief van 17 februari 2026 heeft voorgelegd. Deze beantwoording doe ik mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), vanwege haar verantwoordelijkheid voor de Archiefwet en onze gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de meerjarenplannen.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, E. van der Burg

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van BBB en PVV. Hieronder treft u de beantwoording aan op volgorde van de inbreng bij uw brief van 17 februari 2026.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

De leden van de fractie van de BBB hechten grote waarde aan het vertrouwen in de overheid maar zijn er niet van overtuigd dat de investeringen in een betere informatiehuishouding en openbaarheid in verhouding staan tot de beoogde groei van het vertrouwen. Om die reden hebben deze leden de volgende vragen aan u, die zich vooral richten op de uitvoerbaarheid van de plannen voor met name de kleinere gemeenten in de regio en de waterschappen.

Op welke wijze draagt beter informatiebeheer bij aan het vergroten van publiek vertrouwen?

Antwoord

Goed informatiebeheer zorgt voor de beschikbaarheid van betrouwbare informatie, nu en in de toekomst. Hiermee kan de juiste informatie sneller worden gevonden, kan de overheid sneller besluiten nemen, beter beleid maken en verantwoording afleggen aan de samenleving. Verder is goed informatiebeheer van groot belang voor goede en betrouwbare overheidsdienstverlening aan de samenleving, wat cruciaal is voor het publiek vertrouwen in de overheid. Daarnaast is ook openbaarheid van betrouwbare informatie belangrijk voor de werking van onze democratische rechtsstaat en voor het vertrouwen tussen de samenleving en de overheid. Een goede praktijk van openbaarmaking zorgt ervoor dat de overheid zelf beter functioneert. Goed informatiebeheer is hiervoor randvoorwaardelijk.

Is er ooit onderzocht of Woo-verzoeken bijdragen aan meer vertrouwen in de overheid? Zo ja, kunt u deze onderzoeken aan de kamer verstrekken? Zo nee, bent u bereid een dergelijk onderzoek uit te voeren? Deze leden lezen hier graag een toelichting op.

Antwoord

Ik ben niet bekend met onderzoeken naar specifiek de relatie tussen Woo-verzoeken en het vertrouwen in de overheid. Wel zijn er vele onderzoeken uitgevoerd naar de relatie tussen transparantie en vertrouwen in de overheid. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) concludeerde in haar onderzoek uit 2012 dat een constante en betrouwbare stroom van informatie over de activiteiten en resultaten van bestuursorganen vertrouwen wekt bij burgers en de interactie tussen bestuursorganen en inwoners verbetert.20 In datzelfde jaar betoogde de Raad voor het openbaar bestuur (ROB) in het advies «Gij zult openbaar maken» dat openbaarheid een noodzakelijke voorwaarde is voor een goed functionerende democratische rechtsstaat door de relatie die het heeft met het vertrouwen van burgers in de overheid. Zij halen hierbij het onderzoek aan van de Universiteit Utrecht naar de relatie tussen transparantie en vertrouwen.21 Het onderzoek maakt duidelijk dat een transparante overheid door burgers wordt beschouwd als een vanzelfsprekendheid. De overheid dient niet transparant te zijn «omdat het moet», maar omdat zij dat is. Transparantie is daarmee volgens dat onderzoek een wezenskenmerk van de overheid, een onmisbare voorwaarde om het vertrouwen in de overheid te bevorderen.

Desalniettemin moet op basis van het USBO-onderzoek van de Universiteit Utrecht van vorig jaar naar betekenisvolle transparantie de positieve relatie tussen transparantie en vertrouwen in een aantal opzichten worden genuanceerd. Uit het onderzoek blijkt dat overzichtelijk gepresenteerde informatie over beleid leidt tot beter begrip, maar ook mogelijk tot minder acceptatie van en steun voor dat beleid. Wanneer overheidsfalen aan het licht wordt gebracht, kan transparantie het vertrouwen in de overheid met name op de korte termijn verlagen. Als de positieve aspecten en positieve impact van overheidsprocedures en -besluiten worden benadrukt neemt de acceptatie ervan toe. Transparantie kan daardoor door de onderzoekers ook leiden tot een eenzijdige focus op imago en de korte termijn, ten koste van aandacht voor de daadwerkelijke impact van overheidshandelen op de lange(re) termijn.22

Uit het onderzoek blijkt dat voor effectieve en betekenisvolle transparantie informatie niet alleen openbaar moet worden gemaakt, maar dat burgers ook in staat moeten zijn deze informatie te vinden, te interpreteren en te begrijpen. Door informatie openbaar te maken, moeten burgers de interne werking en prestaties van de organisatie (beleid, besluiten, procedures en dienstverlening) kunnen monitoren en hun eigen informatiepositie kunnen versterken. De aangeboden informatie moet daarom aansluiten bij de informatiebehoefte van burgers en bij het doel dat met de openbaarmaking wordt beoogd.

Dit zijn elementen die ik ook in mijn beleid meeneem.

In de Gezamenlijke oplegger staat dat er in 2026 een monitor komt voor de feitelijke kosten van de Wet open overheid (Woo) en dat er pas in 2029 wordt gekeken of er extra geld nodig is voor decentrale overheden, terwijl de uitvoering van de Woo nu al een enorme wissel trekt op de begrotingen van decentrale overheden.23 Is er overleg geweest met bijvoorbeeld de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), Interprovinciaal Overleg (IPO) en Unie van Waterschappen (UvW) over deze termijnen? Is er een versnelling mogelijk? Deze leden lezen hier graag een toelichting op.

Antwoord

Ja, hierover heeft overleg plaatsgevonden met de koepels van de medeoverheden. Er is met opzet gekozen voor een termijn van vijf jaar na inwerkingtreding van de eerste tranche verplicht actief openbaar te maken informatiecategorieën, omdat op basis van een langere monitoringsperiode beter bepaald kan worden of de verstrekte compensatie afdoende is om de werkelijke structurele kosten voor de verplichte actieve openbaarmaking op grond van de Woo te dekken. Daarbij is wel afgesproken dat jaarlijks bezien zal worden of de uitkomsten van de monitor aanleiding geven voor tussentijdse bijstelling.

Het Rijksbrede programma Open Overheid stopt per eind 2026, waarna zelf financiering moet worden gevonden binnen bestaande budgetten. Hoe waarborgt u dat extra taken in het kader van beter informatiebeheer niet ten koste gaan van andere taken bij kleinere waterschappen of gemeenten?

Antwoord

Het op orde hebben van de informatiehuishouding betreft een reguliere taak van overheidsorganisaties (die voortvloeit uit de Archiefwet) en draagt juist bij aan een goede uitvoering van andere taken. Daarbij betreft dit geen nieuwe verplichting. De kosten voor het op orde houden van hun informatiehuishouding moeten overheden dan ook uit bestaande middelen financieren. Dat geldt ook voor de kleinere waterschappen en gemeenten. De mate waarin overheden ingrijpende maatregelen moeten nemen om hun informatiehuishouding op orde te hebben is grotendeels afhankelijk van de ontstane achterstanden in hun informatiebeheer.

Er wordt ingezet op strikte standaarden zoals MDTO en TOOI voor metadata. In hoeverre zijn de administratieve lasten die dit met zich meebrengt voldoende getoetst aan de dagelijkse praktijk?

Antwoord

Er is geen algemeen onderzoek gedaan naar wat de administratieve lasten zijn van het werken met metadata-standaarden zoals MDTO en TOOI. Wel is in het kader van de verplichte actieve openbaarmaking op grond van artikel 3.3 van de Woo in de uitvoeringstoets medeoverheden24 onder andere gekeken naar de consequenties van het verplicht gebruik van de TOOI-standaard hierbij. De gedeelde conclusie over dit rapport was echter dit geen goed en eenduidig beeld opleverde van de daadwerkelijke omvang van de uitvoeringslasten en bijbehorende (meer)kosten. Om die reden is in overleg met de koepels van de medeoverheden ook besloten om de daadwerkelijke kosten van actieve openbaarmaking onder artikel 3.3 en 3.3b Woo te monitoren.

In algemene zin helpen standaarden bij het op orde krijgen en houden van de informatiehuishouding, en het makkelijker uit kunnen wisselen van informatie. Op dit moment hanteren het Rijk, de gemeenten, provincies en waterschappen nog verschillende standaarden. De komende periode willen we gezamenlijk verkennen welke standaarden we overheidsbreed kunnen gaan toepassen of harmoniseren. De metadata standaard MDTO is bijvoorbeeld al omarmd door het Rijk en de medeoverheden.

De overbrengingstermijn van archieven wordt, als de nieuwe Archiefwet 20xx in werking treedt, verkort van 20 naar 10 jaar.25 Wat is de stand van zaken met betrekking tot de huidige termijn? Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit niet leidt tot nóg grotere achterstanden in de informatie-ordening dan er nu al zijn?

Antwoord

Om te voorkomen dat de verkorting van de overbrengingstermijn direct voor achterstanden en grote werkdruk zorgt wordt deze niet met terugwerkende kracht ingevoerd. De verkorte overbrengingstermijn van tien jaar zal gaan gelden voor alle documenten die ná inwerkingtreding van de nieuwe Archiefwet worden opgemaakt of ontvangen. Zo hebben overheidsorganisaties en archiefdiensten nog ruim de tijd om zich voor te bereiden op de verkorting en kunnen ze deze werklast spreiden over de tijd. Op termijn heeft overbrengen na tien in plaats van na twintig jaar als voordeel dat overheidsorganisaties tien jaar korter verantwoordelijk zijn voor het beheer van hun blijvend te bewaren documenten. De verkorting van de overbrengingstermijn en de voorbereiding daarop zal een belangrijk onderdeel van het implementatieprogramma van de nieuwe Archiefwet zijn.

In de Woo staat een «antimisbruikbepaling» (art. 4.6). Zorgt deze bepaling er in voldoende mate voor dat de rechtmatigheid van informatievragen beter getoetst wordt? Deze leden lezen hier graag een toelichting op.

Antwoord

Het recht op toegang tot overheidsinformatie is een belangrijk recht. Daarom is in de Woo het algemene recht op toegang tot overheidsinformatie voor iedereen verankerd, zonder dat daarbij een belang hoeft te worden gesteld. Het is vanzelfsprekend onwenselijk dat dit recht wordt misbruikt, aangezien dit leidt tot onnodige inzet van tijd en capaciteit bij overheidsorganisaties. Dat gaat niet alleen ten koste van de doorlooptijd van andere Woo-verzoeken, maar betekent ook verspilling van publieke middelen. Met de introductie van de antimisbruikbepaling in de Woo heeft de overheid een concreet middel om verzoeken die een ander doel dienen dan het verkrijgen van publieke informatie, niet in behandeling te nemen.

Uit de Woo-invoeringstoets blijkt dat bestuursorganen het lastig vinden om te bepalen wanneer zij de antimisbruikbepaling wel en niet kunnen inroepen.26 Met een werkgroep van vertegenwoordigers uit verschillende overheidsorganisaties is geïnventariseerd aan welke maatregelen behoefte bestaat om hier verbetering in te brengen. Hier is een handreiking uit voortgekomen die bestuursorganen handvatten biedt om de rechtmatigheid van het Woo-verzoek te toetsen. Wanneer blijkt dat de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van de publieke informatie, kan de antimisbruikbepaling worden ingeroepen. Deze handreiking wordt binnenkort gepubliceerd. De afweging om al dan niet de antimisbruikbepaling in te roepen, is altijd afhankelijk van de concrete context en blijft dan ook altijd de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan zelf.

De antimisbruikbepaling wordt dit jaar, samen met de andere wetsartikelen uit de Woo, onderzocht op doeltreffendheid in de wetsevaluatie van de Woo.

Er wordt prioriteit gegeven aan een generieke Woo-voorziening waar iedereen op aan moet sluiten. Is er voldoende gekeken naar de uitvoerbaarheid voor medeoverheden die allemaal eigen systemen hebben? Is er een uitvoeringstoets en of een impactanalyse gedaan? Deze leden lezen hier graag een toelichting op.

Antwoord

Bij de ontwikkeling van de centrale digitale infrastructuur op grond van artikel 3.3b van de Woo is vanaf de start interbestuurlijk samengewerkt met vertegenwoordigers van gemeenten, provincies en waterschappen in een stuurgroep. Medeoverheden zijn daarmee structureel betrokken geweest bij de koersbepaling, de implementatiestrategie en de verdere uitwerking van de voorziening.

In 2024 zijn uitvoeringstoetsen gedaan op zowel de Woo-index (voorganger van de huidige generieke Woo-voorziening) (hierna: GWV) als op de uitvoeringsimpact voor de medeoverheden.27 Daaruit bleek dat artikel 3.3b van de Woo technisch uitvoerbaar is. De uitvoeringstoets voor medeoverheden is vervolgens herzien, omdat partijen van mening verschilden over de gehanteerde aannames en kosteninschattingen. In 2025 is hierover nader overleg gevoerd en zijn aanvullende analyses uitgevoerd. Deze analyses hebben geen eenduidig beeld opgeleverd van de omvang van eventuele meerkosten ten opzichte van de eerdere uitvoeringstoetsen. Daarom is in overleg met betrokken partijen besloten om de daadwerkelijke kosten van actieve openbaarmaking onder artikel 3.3 en 3.3b Woo te monitoren.

Ten aanzien van de uitvoerbaarheid in technische zin geldt dat zowel het Rijk als medeoverheden met verschillende informatie- en zaaksystemen werken. De architectuur van de GWV wordt daarom gebaseerd op gestandaardiseerde koppelvlakken (zogeheten API’s). Organisaties kunnen daarmee vanuit hun bestaande systemen aansluiten, zonder hun interne informatievoorziening fundamenteel aan te hoeven passen. Leveranciers kunnen deze koppelvlakken in hun systemen implementeren, zodat organisaties via hun bestaande software kunnen aansluiten op de GWV.

De medeoverheden zijn zowel op bestuurlijk als technisch vlak nadrukkelijk betrokken bij de ontwikkeling van de generieke Woo-voorziening. Via uitvoeringstoetsen, interbestuurlijke afstemming, standaardisatie van koppelvlakken en samenwerking met de belangrijkste leveranciers wordt gewerkt aan een aansluiting die voor medeoverheden haalbaar en beheersbaar is.

De innovatieagenda zet in op AI voor het sneller afhandelen van verzoeken. In hoeverre is de juridische juistheid voldoende gewaarborgd als algoritmen bepalen wat de burger wel of niet mag zien, gezien de ervaringen met algoritmen in het verleden?

Antwoord

AI-toepassingen die momenteel in beeld zijn om opgenomen te worden in de innovatieagenda, ondersteunen uitsluitend processen en maken geen beslissingen over welke informatie openbaar gemaakt wordt. De uiteindelijke inhoudelijke beoordeling en besluitvorming wordt en blijft door ambtenaren gedaan. AI-toepassingen die worden opgenomen in de innovatieagenda, worden getoetst op het begrip van verantwoorde AI-inzet. Hiervoor zal de handreiking «Verantwoorde inzet van generatieve AI» worden gebruikt.28 In deze handreiking zijn ook de belangrijkste regelgeving en juridische kaders opgenomen die van belang zijn bij de inzet van AI (zoals de AVG, AI-verordening en het auteursrecht). De gekozen toepassingen zullen daarnaast worden opgenomen in het Algoritmeregister. Hierin zal uiteengezet worden waarom de toepassing wordt gebruikt en welke waarborgen zijn ingebouwd. De samenleving krijgt daarmee inzicht in de gemaakte keuzes en het gebruik van deze toepassingen.

Momenteel wordt slechts een klein deel van de Woo-verzoeken binnen de wettelijke termijn afgehandeld. Welke concrete stappen worden ondernomen om de uitvoerbaarheid te vergroten, zonder dat dit leidt tot meer dwangsommen? Deze leden lezen hier graag een toelichting op.

Antwoord

Er worden verschillende maatregelen genomen om de uitvoering en uitvoerbaarheid van de Woo te verbeteren, zoals aangekondigd in de kabinetsreactie op de Woo-invoeringstoets.29 Deze maatregelen moeten bijdragen aan een betere en efficiëntere uitvoering van de Woo, snellere afhandeling van Woo-verzoeken en daarmee juist een afname van het bedrag aan verbeurde dwangsommen. Met de hulp van overheidsbrede werkgroepen zijn verschillende producten voor overheidsorganisaties ontwikkeld om de uitvoering te verbeteren, bijvoorbeeld een handreiking voor de antimisbruikbepaling en een rolomschrijving en implementatieplan om passende invulling te geven aan de rol van de Woo-contactpersoon.30 Ook wordt gewerkt aan de vormgeving van een gestandaardiseerd optimaal Woo afhandelingsproces, en aan innovatieve oplossingen (waaronder AI)31 om het proces te versnellen. Ook andere partijen, zoals het ACOI werken aan hulpmiddelen die bijdragen aan een betere uitvoering van de Woo, zoals de Samenwerkwijzer.32

Uit cijfers over de afhandeling van Woo-verzoeken bij het Rijk in 2025 blijkt dat er sprake is van een positieve trendbreuk als het gaat om de afhandeltermijnen. Ondanks dat het aantal ingediende Woo-verzoeken bij ministeries opnieuw is toegenomen (7% ten opzichte van 2024), is het aantal verzoeken dat binnen de wettelijke of afgesproken termijn met verzoeker is afgehandeld met 10%-punt gestegen. Hoewel ministeries het merendeel van de verzoeken nog niet binnen de termijn afronden, is deze ontwikkeling een goede stap vooruit. Ook blijkt uit deze gegevens dat het bedrag aan verbeurde dwangsommen de afgelopen jaren fors is afgenomen. Uit de monitor van de VNG over de Woo blijkt dat gemeenten en gemeenschappelijke regelingen in 2024 gemiddeld 74% van alle Woo-verzoeken binnen de wettelijke termijn afhandelen.33 De afgelopen periode is fors geïnvesteerd in de verbetering van de informatiehuishouding bij het Rijk en de uitvoering van de Woo. Ik ben dan ook blij om te zien dat deze inspanningen en investeringen zich nu vertalen in betere afhandelingstermijnen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PVV

In uw brief is het volgende opgenomen: «Naast de meerjarenplannen van de verschillende overheidslagen, die passen bij ieders eigen opgaven, hebben we met de koepels van medeoverheden een Gezamenlijke oplegger opgesteld.»34 Bij uw brief zijn diverse bijlagen gevoegd afkomstig van de VNG, IPO en UvW.35

VNG, IPO en UvW zijn privaatrechtelijke organisaties, waarbij geen sprake is van kaderstelling of controle door de volksvertegenwoordiging. Middels de zelfverklaarde taak van vertegenwoordiging van de gemeenten, provincies en waterschappen, die publiekrechtelijke bestuursorganen zijn, wordt zonder democratische legitimatie gesproken námens deze bestuursorganen. Kunt u reflecteren op deze geschetste – onwenselijke – situatie? Hoe weegt u, gezien die context, de inbreng vanuit privaatrechtelijke organisaties VNG, IPO en UvW? Heeft u overwogen om de afzonderlijke bestuursorganen zelf om hun inbreng te vragen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Ik herken deze geschetste onwenselijke situatie niet. Provincies, gemeenten en waterschappen worden al decennia via hun verenigingen betrokken in gesprekken met het Rijk. De verenigingen zijn via de statuten belast met het ondersteunen van haar leden met belangenbehartiging, netwerken en dienstverlening. Via de eigen governance, die is vastgelegd in statuten, geven de decentrale overheidsorganen sturing aan deze verenigingen. De koepels hebben de meerjarenplannen en de oplegger binnen de statutaire taken opgesteld en bestuurlijk afgestemd. Het kabinet is van mening dat het niet aan de regering is om te oordelen over dergelijke verenigingen.

Er is in dit geval niet overwogen om afzonderlijke bestuursorganen zelf om inbreng te vragen, omdat de koepels van medeoverheden hierin al een vertegenwoordigende rol spelen. Ook de initiatiefnemers van de Woo hebben, via de memorie van toelichting (art. 6.2 over het meerjarenplan), het belang van samenwerking met de koepels aangegeven: «Uit het plan moet gaan blijken hoe de Minister haar verantwoordelijkheid neemt en hoe met de andere departementen en de koepels van decentrale overheden wordt samengewerkt.»36 Daar hebben we met de gezamenlijke oplegger invulling aan gegeven.

De leden van de fractie van de PVV zijn van mening dat de wijze waarop de zelfverklaarde vertegenwoordiging van publieke bestuursorganen door de privaatrechtelijke organisaties als de koepels plaatsvindt in feite een vorm van ondermijning is van de autonome rol van gemeenten, provincies en waterschappen. Kunt u deze stelling weerleggen?

Antwoord

Voorgenoemde verenigingen doen op geen enkele wijze afbreuk aan de zelfstandigheid van onze decentrale overheden. Ik herken het beeld van ondermijning door de koepelorganisaties dan ook niet. Provincies, gemeenten en waterschappen hebben zelf besloten zich te verenigen in verenigingsverband. Nergens wordt de suggestie gewekt dat deze koepels spreken namens alle bestuurders en volksvertegenwoordigers die actief zijn in het decentraal bestuur. De verenigingen binden hun leden evenmin.

De privaatrechtelijke «koepels» vallen niet onder de Woo, noch leggen zij verantwoording af aan de volksvertegenwoordiging. Hun handelen, al dan niet namens één, meerdere of alle leden, is daarmee niet transparant, niet afrekenbaar en niet controleerbaar voor burgers, journalisten of volksvertegenwoordigers. Kunt u onderbouwen waarom de privaatrechtelijke handelingen van de koepels geen belemmering vormen in de ongehinderde uitoefening van de processen in een vrije rechtsstatelijk sterke democratie, waaronder oordeelsvorming, informatievoorziening en vrije journalistiek? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

De decentrale overheidsorganen geven via de eigen governance, die is vastgelegd in statuten, richting aan de inzet van de koepels. De verenigingen plegen overleg, maar binden hun leden niet. De decentrale overheidsorganen leggen hier, desgewenst, verantwoording over af aan de eigen gekozen vertegenwoordigers.

Volgens het bindende Europese Handvest inzake Lokale Autonomie uit 1985 dat Nederland heeft geratificeerd houdt lokale autonomie in: «(...) het recht en het vermogen van lokale autoriteiten, binnen de grenzen van de wet, een belangrijk deel van de openbare aangelegenheden krachtens hun eigen verantwoordelijkheid en in het belang van de plaatselijke bevolking te regelen en te beheren.» en dienen de bevoegdheden die aan lokale autoriteiten zijn toegekend «(...) in de regel volledig en uitsluitend te zijn. Zij mogen niet worden aangetast of beperkt door een andere, centrale of regionale, autoriteit, behalve voor zover bij of krachtens de wet is bepaald.»37 Bent u het met de stelling van de leden van de fractie van de PVV eens dat Strategische Meerjarenplannen van overheden een kaderstellend karakter hebben en dus onder de kaderstellende bevoegdheid van de volksvertegenwoordiging vallen? Zo nee, waarom niet? Hoe onderbouwt u het naast zich neerleggen van dit bindende Europese Handvest?

Antwoord

De meerjarenplannen van de koepels hebben als doel bestuursorganen te ondersteunen bij het grip krijgen op hun informatiehuishouding en te ondersteunen bij de implementatie van de Woo en Archiefwet. Uiteindelijk blijven bestuursorganen zelf verantwoordelijk voor het orde krijgen van de informatiehuishouding en een juiste uitvoering van de Woo. Zij leggen hier dan ook zelf verantwoording over af aan de eigen gekozen vertegenwoordigers. Van kaderstelling in de zin van het Handvest is geen sprake.

Volgens de brief heeft u de meerjarenplannen gelijktijdig aangeboden aan het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding (ACOI). Volgens u zal het ACOI op een later moment een reactie op de plannen uitbrengen. Acht u het wenselijk dat de reactie van het ACOI op de plannen kan worden meegewogen door de volksvertegenwoordiging, voordat de volksvertegenwoordiging inbreng kan leveren op de plannen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

De volksvertegenwoordiging bepaalt zelf wanneer zij inbreng levert op de plannen. Dat kan zowel voordat het ACOI haar advies heeft uitgebracht als nadat het advies is uitgebracht.

In uw brief schetst u de actuele uitdaging van «het bevorderen van de herbruikbaarheid van Open Data en het vergroten van de transparantie van algoritmen.»38 Kunt u aangeven hoe u aankijkt tegen het eigendomsrecht van open data?

Antwoord

Open data kunnen onder verschillende licenties beschikbaar worden gesteld. In de meest vergaande licenties, doet de auteur volledig afstand van diens (intellectuele) eigendomsrechten en komen de gegevens in het publieke domein terecht. In veel gevallen is het echter noodzakelijk om enkele rechten voor te behouden of verplichtingen op te leggen aan de hergebruiker, waaronder een verplichting tot bronvermelding. Bij dergelijke licenties blijft het intellectuele eigendomsrecht formeel bij de auteur, maar wordt aan de hergebruiker erg veel vrijheid gegeven om met de gegevens te doen wat die hergebruiker wil. Uitgangspunt daarbij is dat voorwaarden voor hergebruik niet verder gaan dan noodzakelijk is, en objectief, evenredig, niet-discriminerend en gerechtvaardigd zijn door een algemeen belang. Dat volgt uit artikel 6 van de Wet hergebruik van overheidsinformatie (Who). Overigens doorbreekt de Who niet de intellectuele eigendomsrechten van derden. De overheid kan dus niet eenzijdig afdwingen dat een partij diens (onderzoeks)gegevens als open data beschikbaar stelt, maar wel de voorkeur geven aan andere contractpartijen die wel bereid zijn om gegevens als open data beschikbaar te stellen.

Kunt u meer duiding en betekenis geven bij «vergroten» van de transparantie van algoritmen? Met welke hoeveelheid transparantie bent u tevreden? Bent u bereid om volledige transparantie alsmede openbare registratie van alle overheidsalgoritmes te realiseren? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Het is van groot belang dat de overheid transparant is over haar werkwijzen. Dit geldt ook voor het gebruik van algoritmen. Inzicht in algoritmen kan nodig zijn om de processtappen of de uitkomsten daarvan te kunnen controleren. Om deze reden is het Algoritmeregister in 2022 ingericht.39 In het Algoritmeregister kunnen overheidsorganisaties de algoritmen die zij gebruiken vermelden, zodat de samenleving zich hierover kan informeren. De overheid gebruikt in haar omgeving vele algoritmen; het is met name van belang dat algoritmen die direct impact hebben op betrokkenen worden geregistreerd. Het Algoritmeregister is primair bedoeld voor het vergroten van transparantie richting burgers, maar wordt ook door wetenschappers, journalisten en toezichthouders gebruikt. Zoals mijn ambtsvoorganger in september vorig jaar aan de Tweede Kamer heeft laten weten, blijft het aantal registraties toenemen en zijn er diverse ontwikkelingen die leiden tot een toenemende urgentie bij overheidsorganisaties om te registreren.40 Op dit moment acht ik een wettelijke verplichting voor registratie daarom niet nodig.

Het is van belang te vermelden dat situaties en doelgroepen om een verschillende mate van transparantie kunnen vragen. Wanneer algoritmen worden gebruikt om besluiten te nemen, kan andere en wellicht meer specifieke informatie nodig zijn om de rechtmatigheid van dat besluit te kunnen beoordelen. Dit terwijl journalisten, toezichthouders of het parlement een andere informatiebehoefte kunnen hebben dan ontvangers van een besluit. Om deze reden wordt momenteel een beleidsonderzoek «Algoritmische besluitvorming en de Awb» uitgevoerd.41 Een eenduidig antwoord op de vraag over de mate van transparantie kan ik dan ook niet geven op dit moment omdat het onderzoek hiernaar nog loopt.

Hoe reflecteert u op de stellingname van de leden van de fractie van de PVV dat onderzoeken in opdracht van de overheid (ook als die door externe onderzoeksbureaus worden uitgevoerd) in beginsel altijd Open Data (en daarmee herbruikbare data) zouden moeten voortbrengen die per definitie publiek eigendom is? Zo nee, hoe luidt uw opinie dan wel?

Antwoord

Ik deel de opvatting van de leden van de fractie van de PVV. Het door hen aangehaalde beginsel is een wettelijke norm die te vinden is in artikel 2a, lid 2, van de Wet hergebruik van overheidsinformatie (Who). Uit dit artikel volgt dat overheidsorganisaties zich bij het financieren van onderzoek (ook als die door externe onderzoeksbureaus worden uitgevoerd) altijd moeten inspannen om onderzoeksgegevens:

  • te laten produceren op een manier die hergebruik van die gegevens faciliteert en makkelijk maakt;

  • beschikbaar te (laten) maken met zo min mogelijk beperkingen voor algemeen hergebruik.

Het kabinet spant zich in om hieraan gevolg te geven. Hierbij moet worden aangetekend dat onderzoeksgegevens verschillen van de onderzoeksrapporten zelf of andere wetenschappelijke publicaties waarin verslag wordt uitgebracht en commentaar wordt geleverd over resultaten van wetenschappelijk onderzoek. De inspanningsverplichting uit de Who ziet alleen toe op de onderzoeksgegevens en niet op de onderzoeksrapporten zelf of de wetenschappelijke publicaties waarin die gegevens zijn verwerkt. Op grond van andere wetgeving, zoals de Woo, kunnen wel verplichtingen bestaan om ambtelijk of extern opgestelde onderzoeksrapporten actief openbaar te maken.42

Bent u in het kader van het bevorderen van «betekenisvolle transparantie» bereid om alle documenten die betrekking hebben op de totstandkoming van kaders, stellingname en agendasetting uit de Gezamenlijke oplegger openbaar te maken, alsmede de koepels ertoe te bewegen ook hun stukken openbaar te maken? Zo nee, waarom niet? Hoeveel waarde heeft de term «transparantie» voor u als deze documenten niet openbaar gemaakt worden?

Antwoord

Ja, ik ben bereid de belangrijkste documenten die betrekking hebben op de totstandkoming van de gezamenlijke oplegger openbaar te maken, op dezelfde wijze zoals is gedaan bij de kabinetsreactie op de Woo-invoeringstoets.43 Hierbij maak ik ook de afstemming openbaar die met de koepels heeft plaatsgevonden.

In de Gezamenlijke oplegger wordt gesteld: «Essentieel is het besef dat verbetering van de informatiehuishouding een bestuurlijke opgave is. Het gaat namelijk niet om technologie alleen, maar om keuzes: wat wordt vastgelegd, hoe wordt dit bewaard, wie heeft toegang en waarvoor wordt informatie gebruikt? Deze keuzes, het consequent uitvoeren van die keuzes en het doelgericht sturen op de te behalen doelen, bepalen de kwaliteit en de continuïteit van de dienstverlening en de democratische legitimiteit van de overheid.»44 Bent u het met de leden van de fractie van de PVV eens dat deze belangrijke stellingname betekent dat de kaderstellende rol van de volksvertegenwoordiging niet kan worden genegeerd? Zo nee, Kunt u toelichten waarom niet? Hoe beschouwt u in deze de niet democratische gelegitimeerde procesgang via de koepelorganisaties?

Antwoord

Uiteraard kan de volksvertegenwoordiging niet genegeerd worden. De koepels hebben de meerjarenplannen en de oplegger binnen de statutaire taken opgesteld en bestuurlijk afgestemd. De decentrale bestuurders leggen over de uitvoering van de Woo binnen de eigen organisatie verantwoording af aan de eigen gekozen vertegenwoordigers, die hier uiteraard ook kaderstellend in kunnen optreden.

De Gezamenlijke oplegger stelt «We zorgen ervoor dat informatie niet alleen goed wordt beheerd en gebruikt, maar ook betekenisvol wordt gedeeld met de samenleving.»45 Kunt u aangeven wat precies en uitputtend wordt bedoeld met «betekenisvol delen»?

Antwoord

Transparantie draait om meer dan het vrijgegeven van documenten. Het gaat om het versterken van de informatiepositie van de samenleving waardoor verschillende groepen in de samenleving kunnen deelnemen aan het democratische proces, en door middel van de openbaar gemaakte informatie waarde kunnen toevoegen aan hun eigen (leef)omgeving. Hiervoor moet de geopenbaarde informatie begrijpelijk, relevant, toegankelijk en bruikbaar zijn voor de burger die de informatie tot zich neemt. Als burgers de overheid willen kunnen controleren, actief willen deelnemen aan het publieke debat en bewuste keuzes willen maken over hun leefomgeving, dan moet informatie niet alleen beschikbaar zijn, maar ook vindbaar, begrijpelijk en bruikbaar worden aangeboden. Hiermee wordt «betekenisvolle openbaarmaking» bedoeld, een uitgangspunt dat ook door de ROB en het ACOI wordt gebruikt in hun adviezen over (actieve) openbaarmaking.46

Het gaat daarbij om de openbaarmaking van informatie die voldoet aan de informatiebehoeften van de doelgroep en die zorgt voor een verbeterde informatiepositie van burgers. De inzet van «betekenisvolle openbaarheid» moet gericht zijn op onderwerpen die landelijk of lokaal sterk leven in de maatschappij of die daar een duidelijke impact op hebben.47 Burgers hebben met name behoefte aan openbaarmaking van informatie over voor hen relevante en concrete thema’s.48 Doelgroepen van openbaarmaking kunnen verschillen afhankelijk van het doel en het onderwerp van de openbaarmaking, bestuursorganen moeten zich daar bewust van zijn en hier expliciet bij stilstaan.

Om betekenisvolle openbaarheid te realiseren, moet openbaar gemaakte informatie voor de samenleving daarnaast begrijpelijk zijn. In het kader van het kunnen reconstrueren van besluitvorming en het mogelijk maken van actieve participatie is het doorgaans onvoldoende om uitsluitend het document zelf te publiceren. «Betekenisvolle openbaarmaking» vereist daarom dat informatie zodanig wordt gepresenteerd dat deze in context kan worden geplaatst. Dit betekent dat helder taalgebruik en een zorgvuldige formulering het uitgangspunt zijn. Actieve openbaarmaking en een communicatieve logica liggen daarbij in elkaars verlengde: openbaarheid ziet niet alleen op het publiceren van informatie, maar op het zodanig ontsluiten ervan dat de context zorgt dat de informatie begrijpelijk, navolgbaar en betekenisvol is voor de samenleving.49 Daarnaast is het van belang dat informatie voor burgers bruikbaar en vindbaar is, zodat deze informatie binnen de eigen leefwereld gebruikt kan worden en concreet toepasbaar is.

De komende jaren zullen we op meerdere manieren werken aan het betekenisvol openbaar maken van informatie. Op korte termijn wordt het beleidskader «Betekenisvolle Openbaarmaking» bekend gemaakt. Dit beleidskader geeft richting aan de invulling van de inspanningsverplichting tot actieve openbaarmaking, artikel 3.1 van de Woo. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid voor de Woo is het van belang om bestuursorganen kaders en handvatten te bieden bij de vraag hoe zij openbaarmaking in het kader van de inspanningsverplichting op een betekenisvolle manier kunnen vormgeven. Deze kaders en handvatten zullen overigens nooit volledig uitputtend zijn, omdat betekenisvol delen van informatie ook afhankelijk is van de specifieke situatie en doelgroep van openbaarmaking.

In de Gezamenlijke oplegger is het volgende verwoord: «Een open overheid vraagt echter om een duidelijke richting. Daarom zullen wij gaan werken aan een gezamenlijke visie op open overheid, waarin we ook kijken naar andere «open» thema’s zoals open data. De visie op informatiehuishouding en de visie op open overheid moeten elkaar versterken. We zullen bij dit proces ook maatschappelijke organisaties betrekken.»50 In 2013 heeft u een Visie op Open Overheid opgesteld en gepubliceerd.51 Deze visie is volgens het document tot stand gekomen «dankzij de denkkracht vanuit de samenleving». Waarom wilt u werken aan een nieuwe visie op Open Overheid? Heeft u reden om aan te nemen dat onze burgers een andere visie hebben op wat een Open Overheid inhoudt? Is de visie van het Open Government Partnership (waar Nederland bij is aangesloten) op Open Overheid gewijzigd, waardoor een nieuwe (Nederlandse) visie op Open Overheid nodig is?

Antwoord

Sinds de publicatie van de Visie Open Overheid uit 2013 hebben zich maatschappelijke en technologische ontwikkelingen voorgedaan die vragen om actualisering en verbreding van deze visie. Zo speelden digitale vraagstukken zoals AI in 2013 nauwelijks een rol. Transparantie over algoritmen, uitlegbaarheid van geautomatiseerde besluitvorming en publieke verantwoording over digitale systemen zijn vandaag de dag onmisbare onderdelen van een open overheid. Daarnaast is het wettelijk kader sinds 2013 gewijzigd. Zo heeft de inwerkingtreding van de Woo in 2022 het openbaarheidsstelsel in Nederland veranderd. De noodzaak voor een nieuwe visie komt dan ook niet voort uit de veronderstelling dat burgers fundamenteel anders zijn gaan denken over wat een open overheid inhoudt, maar is ingegeven door de hiervoor genoemde ontwikkelingen.

De kernwaarden van open overheid; transparantie, participatie en verantwoording, zoals ook uitgedragen door het Open Government Partnership (OGP), zijn niet gewijzigd. Wel zie ik, onder andere via de herijking van het Actieplan Open Overheid in co-creatie met de Maatschappelijke Coalitie Over Informatie Gesproken, dat maatschappelijke organisaties vragen om een bredere benadering van open overheid. Naast transparantie van overheidsinformatie, data en algoritmen vragen zij ook aandacht voor een open cultuur binnen overheidsorganisaties en een open aanpak van de overheid, bijvoorbeeld door participatie bij beleidsontwikkeling. Een nieuwe visie biedt ruimte om deze bredere open thema’s samenhangend te adresseren.

Onze inzet sluit aan bij de uitgangspunten van het OGP, waarbij Nederland is aangesloten. De visie van het OGP is niet gewijzigd. Wel zien wij binnen het OGP dat steeds meer landen werken (zoals Finland) met een brede, samenhangende open overheid visie of strategie waarin ook digitale ontwikkelingen en cultuurverandering worden meegenomen.

Het ontwikkelen van een nieuwe visie heeft daarmee als doel om in de huidige Nederlandse context duidelijke richting te geven aan een open overheid, samenhang te creëren tussen verschillende open thema’s, en maatschappelijke organisaties actief te betrekken bij het bepalen van die koers.

In hoofdstuk 3 in de Gezamenlijke oplegger wordt gesproken over «Betekenisvolle openbaarmaking». Gesteld wordt dat «Informatie die openbaar gemaakt wordt moet voor de samenleving meerwaarde hebben.»52 Kunt u deze stelling nader toelichten? Kunt u bevestigen dat voor een democratische samenleving enkel het belang van de openbaarheid zelf, en niet het belang van de waarde of meerwaarde van de betreffende informatie, relevant is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid afstand te nemen van deze stellingname in de Gezamenlijke oplegger?

Antwoord

Ik ben het met de leden eens dat openbaarheid op zichzelf van belang is voor een democratische samenleving. Ik ben het echter niet met de leden eens dat bij de invulling en uitvoering van deze openbaarheid de waarde van informatie niet relevant zou zijn.

Door digitalisering beschikt de overheid over heel veel data en documenten. Het is daarom van belang om keuzes te maken.53 Het openbaar maken van alle beschikbare documenten zou ervoor kunnen zorgen dat relevante informatie minder goed vindbaar wordt. Niet alle documenten die bij bestuursorganen berusten hebben namelijk dezelfde inhoudelijke informatiewaarde. Ter illustratie: een email van een willekeurige medewerker over een werkversie van een document heeft veelal niet dezelfde informatiewaarde als een reactie van een bewindspersoon op een bepaald stuk. Daarnaast kan ook de maatschappelijke belangstelling tussen dossiers verschillen. In dit verband is het daarom belangrijk om te bepalen welke informatie openbaar moet worden gemaakt om zo goed mogelijk de informatiebehoefte van de verzoeker en de samenleving als geheel te vervullen. Het simpelweg publiceren van allerlei informatie heeft het risico dat er een informatieovervloed ontstaat en is bovendien in redelijkheid niet haalbaar voor overheidsorganisaties.54

Ook in de Woo zelf komt dit tot uitdrukking. Zo zijn door de wetgever zeventien informatiecategorieën gekozen die (op termijn) verplicht actief openbaar gemaakt moeten worden, omdat deze dusdanig van belang zijn voor individuen en de democratische samenleving als geheel, dat openbaarmaking ervan niet achterwege kan blijven.55 Daarnaast is in artikel 3.1 van de Woo de inspanningsverplichting tot actieve openbaarmaking door bestuursorganen vastgelegd. Uit dit artikel vloeit voort dat bestuursorganen informatie actief openbaar moeten maken, indien dit zonder onevenredige inspanning of kosten mogelijk is en daarmee een redelijk belang wordt gediend. Ook daarbij komt dus tot uitdrukking dat informatie niet actief openbaar hoeft te worden gemaakt als de maatschappelijke meerwaarde daarvan beperkt is en er vanuit de samenleving weinig behoefte bestaat naar de informatie. Betekenisvolle openbaarmaking is met name van belang in de nadere uitwerking en invulling van deze inspanningsverplichting. Ik verwacht binnen afzienbare tijd het beleidskader «betekenisvolle openbaarmaking» af te ronden en beschikbaar te stellen voor overheidsorganisaties.

De open formulering van de inspanningsverplichting, veronderstelt dat overheidsorganisaties het beste zicht hebben op de informatie waarover zij beschikken en de mogelijke maatschappelijke relevantie daarvan.56 Dit betekent dat zij een eigen verantwoordelijkheid dragen om informatie waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daarvoor maatschappelijke belangstelling bestaat, actief openbaar te maken.

Vervolgd wordt in deze passage met de stelling «Er zal daarom toegewerkt worden naar betekenisvolle openbaarmaking van informatie die aansluit bij de informatiebehoefte van de samenleving.»57 Wie of wat bepaalt wat «de informatiebehoefte van de samenleving» is? Bent u het met de leden van de fractie van de PVV eens dat «betekenisvolle openbaarmaking» een uiterst dubieuze vervorming is van het algemeen en individueel recht op overheidsinformatie? Zo nee, waarom niet? Komt u in dat licht bezien ook tot de conclusie dat «betekenisvolle openbaarmaking» een dubieus begrip is, en als zodanig ondermijnend is voor het beeld van een transparante en onafhankelijke overheid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om afstand te nemen van deze insteek?

Antwoord

Nee, met het concept «betekenisvolle openbaarmaking» wordt het recht op informatie niet vervormd. Met de Woo is het algemene recht op toegang tot overheidsinformatie voor iedereen verankerd, zonder dat daarvoor een specifiek belang hoeft te worden aangegeven. Dit recht blijft onverminderd bestaan. Tegelijkertijd is er de ambitie om steeds meer informatie uit eigen beweging openbaar te maken. Op deze manier zijn burgers verzekerd van een constante stroom betrouwbare en relevante informatie. Om dit werkelijk betekenisvol te maken, moeten burgers de door de overheid geopenbaarde informatie ook kunnen begrijpen en toepassen en moet het aansluiten bij hun informatiebehoeften.

In onderzoeken over het achterhalen van informatiebehoeften van burgers is geconstateerd dat informatiebehoeften contextafhankelijk zijn en volatiel.58 Om een goed beeld te krijgen van welke informatie relevant en betekenisvol is om te openbaren, is het noodzakelijk om de bijbehorende informatiebehoeften op verschillende manieren in kaart te brengen. Dit kan onder andere door:

  • Woo-verzoeken en (media)vragen te analyseren;

  • gesprekken te voeren met burgers, journalisten en maatschappelijke belangenorganisaties en oog te hebben voor maatschappelijke signalen

  • burgerpanels, dialogen en enquêtes uit te zetten;

  • vragen en verzoeken vanuit de volksvertegenwoordiging in kaart te brengen;

  • hotspotanalyse van het Nationaal Archief (NA) uit te voeren;

  • uitvraag te doen bij ambtenaren die in contact staan met burgers.

Door deze gegevens te vergelijken en combineren, kan een bestuursorgaan de maatschappelijke informatiebehoefte zo goed mogelijk in kaart brengen en gerichte keuzes maken voor actieve openbaarmaking. In dit kader is in opdracht van mijn ministerie het stappenplan «Aan de slag met de inspanningsverplichting» ontwikkeld voor overheidsorganisaties. Hiermee kunnen overheidsorganisaties beter bepalen welke informatie zij uit eigen beweging openbaar maken en op welke manier. Daarnaast bevat het een stappenplan waarmee ambtenaren concreet aan de slag kunnen.59 Verder verwacht ik binnen afzienbare tijd het beleidskader «betekenisvolle openbaarmaking» af te ronden en beschikbaar te stellen voor overheidsorganisaties.

In de paragraaf «afhandelen Woo-verzoeken» van de Gezamenlijke oplegger wordt gesteld «In de meerjarenplannen is daarom opgenomen dat er gewerkt gaat worden aan het verkorten van de gemiddelde afhandeltermijn van Woo-verzoeken. Één van de maatregelen daarvoor is het beter onderhouden van contact met verzoeker en het gesprek aan te gaan over diens informatiebehoefte.»60 Waarom moet volgens u het gesprek worden aangegaan met verzoeker over diens informatiebehoefte? Concludeert u net als de leden van de fractie van de PVV dat een dergelijke insteek op gespannen voet staat met artikel 1.1 van de Woo?61 Zo nee, waarom niet? Bent u bereid deze maatregel ongewenst te verklaren? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Nee, dat ben ik niet met de leden eens. In artikel 1.1 Woo wordt het recht op informatie voor eenieder gewaarborgd. Dit recht is een groot goed. Het doel van een gesprek met een verzoeker is gericht op het zo snel en goed mogelijk vervullen van diens informatiebehoefte. In veel gevallen weet een verzoeker niet over welke informatie een bestuursorgaan precies beschikt. Bij een breed of omvangrijk verzoek, kan het daarom helpen om het gesprek aan te gaan om beter inzicht te krijgen in de informatiebehoefte van de verzoeker. Op basis daarvan kan de verzoeker beter en sneller geholpen worden. Daarbij wordt persoonlijk contact door veel verzoekers als prettig ervaren en kan het gesprek benut worden om andere zaken te bespreken, zoals het maken van afspraken over het verdere procesverloop en opvolgende contactmomenten. Het doel van een dergelijk gesprek is dan ook nadrukkelijk niet om het recht van de verzoeker te beperken; een verzoeker hoeft immers geen belang bij diens verzoek te stellen. Omdat ik niet van mening ben dat een gesprek met de verzoeker hiermee op gespannen voet staat, maar juist goed is voor de dienstverlening richting burgers, zou ik deze maatregel zeker niet als ongewenst verklaren.

In de paragraaf «Misbruik en Oneigenlijk Gebruik» van de Gezamenlijke oplegger wordt gesteld «Een overheidsbrede werkgroep werkt momenteel aan een handreiking die overheidsorganisaties moet helpen bij het identificeren van misbruik of oneigenlijk gebruik van Woo-verzoeken en hoe daar vervolgens mee kan worden omgegaan.»62 Misbruik en Oneigenlijk gebruik van de Woo is ongewenst dient bestreden te worden wat de leden van de fractie van de PVV betreft. Herkent u tegelijkertijd het risico op het onterecht labelen van een Woo verzoek als «oneigenlijk gebruik» of «misbruik»?

Antwoord

Ja, er bestaat altijd een risico dat de antimisbruikbepaling onterecht wordt ingeroepen. Met de inzet van de antimisbruikbepaling moet dan ook terughoudend worden omgegaan. Er moeten zwaarwichtige redenen zijn om de inzet van deze bepaling te rechtvaardigen. Een bestuursorgaan zal hier dan ook niet zomaar toe overgaan en eerst kijken naar alternatieve (minder ingrijpende) maatregelen. Het blijft daarom altijd van belang dat het betreffende bestuursorgaan een zorgvuldige afweging maakt als de verzoeker kennelijk een ander doel lijkt te hebben dan het verkrijgen van publieke informatie. Daarbij moeten alle relevante omstandigheden worden meegewogen en moet de toepassing van de antimisbruikbepaling, gelet op die omstandigheden, redelijk zijn.

De binnenkort te publiceren handreiking voor de antimisbruikbepaling geeft bestuursorganen handvatten bij het kunnen vaststellen van misbruik of oneigenlijk gebruik. In de handreiking wordt de nadruk gelegd op het feit dat er terughoudend met de toepassing van de antimisbruikbepaling moet worden omgegaan en dat gezien de omstandigheden van het verzoek ook andere (minder ingrijpende) maatregelen passender kunnen zijn. Dit alles om het risico dat de antimisbruikbepaling onterecht wordt ingeroepen, te verkleinen. Tot slot is er altijd nog de waarborg dat de rechter kan toetsen of de antimisbruikbepaling terecht door een bestuursorgaan is ingeroepen.

Herkent u ook het belang van het waarborgen dat een Misbruik-en-Oneigenlijk-gebruikargument nooit misbruikt mag worden om informatie niet openbaar te maken of de openbaarmaking onnodig te vertragen of frustreren? Hoe gaat u dit waarborgen? Hoe is het bestuurlijke toezicht geborgd bij de betreffende werkgroep?

Antwoord

Dat belang herken ik zeker. Het mag niet zo zijn dat bestuursorganen dit argument misbruiken om informatie niet openbaar te maken of onnodig te vertragen. In de ontwikkelde handreiking is daarom ook opgenomen dat er terughoudend moet worden omgegaan met de toepassing van de antimisbruikbepaling.

De werkgroep is vanuit mijn ministerie georganiseerd en bestaat uit een vertegenwoordiging van ervaren Woo-behandelaars die werkzaam zijn bij verschillende bestuurslagen van de overheid. Zij hebben aan de hand van verschillende situaties, voorbeelden uit de praktijk en jurisprudentie meegedacht over het gebruik van de antimisbruikbepaling en de bijbehorende aandachtspunten. Het conceptproduct is vervolgens voorgelegd in een openbare internetconsultatie waar iedereen de mogelijkheid had om op het conceptproduct te reageren. De handreiking zal op korte termijn vanuit mijn ministerie beschikbaar worden gesteld aan andere bestuursorganen.

In de paragraaf «Technische voorzieningen voor archivering van e-mail en tekstberichten» van de Gezamenlijke oplegger wordt gesteld «Dit is in lijn met de interventies in de [Nederlandse Digitaliseringsstrategie] NDS om inkoopkracht te bundelen en bepaalde collectieve oplossingen en bouwstenen verplicht te maken. We streven hierbij naar duurzame, soevereine en overheidsbrede voorzieningen.»63 Wat wordt precies bedoeld met «soevereine» voorzieningen? Ziet u het belang van overheden die voor hun technische voorzieningen zo min mogelijk afhankelijk moeten zijn van Big Tech partijen als Microsoft, Oracle of Google? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Met «soevereine» voorzieningen wordt volgens de visie digitale autonomie en soevereniteit van de overheid64 bedoeld dat de overheid juridische en bestuurlijke zeggenschap houdt over de betrokken infrastructuur, data en systemen, waarbij deze zoveel mogelijk onder Nederlandse of Europese rechtsmacht vallen. Het kabinet voelt breed de noodzaak om aan dit belangrijke thema te werken en om in samenhang te bezien hoe zeggenschap, controle en publieke waarden bij digitale voorzieningen kunnen worden geborgd. De verdere uitwerking hiervan vraagt om zorgvuldige afstemming en krijgt de komende periode stapsgewijs vorm.

In de paragraaf «Vernietiging» van de Gezamenlijke oplegger wordt gesteld «Overheidsorganisaties moeten meer doen om dubbelingen te voorkomen ...».65 Wat wordt concreet bedoeld met «dubbeling»? Hoe kijkt u aan tegen «ontdubbeling» in het licht van Woo-verzoeken gericht aan een overheidsorgaan? Ziet u daarbij ook het risico dat informatievoorziening daarmee incompleet wordt?

Antwoord

Met «dubbelingen» bedoelen we bijvoorbeeld documenten die hetzelfde zijn, maar die in meerdere applicaties worden opgeslagen en bewaard. Zo kan het voorkomen dat hetzelfde document zowel op een netwerkschijf als in een document managementsysteem voorkomt. Door deze op een zorgvuldige manier te «ontdubbelen» neemt de hoeveelheid documenten af, zonder dat het archief incompleet wordt. De vindbaarheid van informatie wordt hiermee verbeterd, wat helpt bij de afhandeling van Woo-verzoeken. Ik zie daarbij niet het risico dat de informatievoorziening door «ontdubbelen» incompleet wordt.


X Noot
1

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Dessing (FVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Karaaslan-Kilic (D66), Kroon (BBB), Lagas (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C.

X Noot
3

Gezamenlijke oplegger bij Meerjarenplannen digitale informatiehuishouding en openbaarheid 2026–2030 van Rijksoverheid, provincies, gemeenten en waterschappen), bijlage bij Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C.

X Noot
4

Artikel 5.4 lid 1 Archiefwet 20.

X Noot
5

Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C, p. 1.

X Noot
6

Bijlagen bij Kamerstuk I 2025/26, 32 802, C: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
7

Artikel 3, lid 1 en artikel 4 lid 4 van het Europees Handvest inzake lokale autonomie. Raadpleegbaar via: https://wetten.overheid.nl/BWBV0002625/1991-07-01

X Noot
8

Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C, p. 2.

X Noot
9

Bijlagen bij Kamerstuk I 2025/26, 32 802, C, p. 2–3: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
10

Bijlagen bij Kamerstuk I 2025/26, 32 802, C, p. 3: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
11

Bijlagen bij Kamerstuk I 2025/26, 32 802, C, p. 3: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
13

Bijlagen bij Kamerstuk I 2025/26, 32 802, C, p. 4: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
14

Bijlagen bij Kamerstuk I 2025/26, 32 802, C, p. 4: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
15

Bijlagen bij Kamerstuk I 2025/26, 32 802, C, p. 5: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
16

«Eenieder heeft recht op toegang tot publieke informatie zonder daartoe een belang te hoeven stellen, behoudens bij deze wet gestelde beperkingen.»

X Noot
17

Bijlagen bij Kamerstuk I 2025/26, 32 802, C, p. 5: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
18

Bijlagen bij Kamerstuk I 2025/26, 32 802, C, p. 6: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
19

Bijlagen bij Kamerstuk I 2025/26, 32 802, C, p. 6: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
20

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Vertrouwen in Burgers, Amsterdam: Amsterdam University Press 2012, p. 90.

X Noot
21

S.G. Grimmelikhuijsen, 2012 Utrecht University Repository beschikbaar via: https://dspace.library.uu.nl/handle/1874/218113.

X Noot
22

Ruijer, Erna, Isa Bertram, Stephan Grimmelikhuijsen en Albert Meijer (USBO-advies), Op weg naar betekenisvolle transparantie: onderzoek naar actieve openbaarmaking die aansluit bij de informatiebehoeften van burgers (2025).

X Noot
23

Gezamenlijke oplegger bij Meerjarenplannen digitale informatiehuishouding en openbaarheid 2026–2030 van Rijksoverheid, provincies, gemeenten en waterschappen), bijlage bij Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C.

X Noot
24

Zie hiervoor de uitvoeringstoets medeoverheden 3.3b Woo: https://www.open-overheid.nl/documenten/2024/12/10/uitvoeringstoets-medeoverheden-3.3b-woo.

X Noot
25

Artikel 5.4 lid 1 Archiefwet 20.

X Noot
26

Kamerstukken II 2023/24, 32 802, nr. 94.

X Noot
27

Zie hiervoor de uitvoeringstoets medeoverheden 3.3b Woo: https://www.open-overheid.nl/documenten/2024/12/10/uitvoeringstoets-medeoverheden-3.3b-woo.

X Noot
28

Kamerstukken II 2024/25, 26 643, nr. 1331.

X Noot
29

Kamerstukken II, 2023/24, 32 802, nr. 94.

X Noot
31

Kamerstukken II 2025/26, 29 362, nr. 397.

X Noot
34

Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C, p. 1.

X Noot
35

Bijlagen bij Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
36

Kamerstukken II 2021/22, 35 112, nr. 28.

X Noot
37

Artikel 3, lid 1 en artikel 4 lid 4 van het Europees Handvest inzake lokale autonomie. Raadpleegbaar via: https://wetten.overheid.nl/BWBV0002625/1991-07-01

X Noot
38

Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C, p. 2.

X Noot
39

Het algoritmeregister is beschikbaar via: https://algoritmes.overheid.nl/nl.

X Noot
40

Kamerstukken II 2024–2025, 26 643, nr. 1394.

X Noot
41

Kamerstukken I 2024/25, CXLVII, V.

X Noot
42

Artikel 3.3, lid 1, onder j, van de Wet open overheid (Woo). Deze bepaling treedt op een later te bepalen tijdstip in werking.

X Noot
44

Bijlagen bij Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C, p. 2–3: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
45

Bijlagen bij Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C, p. 3: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
46

ACOI, Wat zou u zelf willen weten?, beschikbaar via https://www.acoi.nl/actueel/nieuws/advies-over-actieve-openbaarmaking/.

ROB advies «Betekenisvol transparant» beschikbaar via file:///H:/Downloads/rob-advies-betekenisvol-transparant-een-bredere-kijk-op-open-overheid%20(2).pdf.

X Noot
48

Instituut Maatschappelijke Innovatie (IMI), Informatiebehoeften, beschikbaar via https://www.open-overheid.nl/documenten/2025/02/27/onderzoek-informatiebehoeften.

X Noot
49

ACOI, Wat zou u zelf willen weten?, beschikbaar via https://www.acoi.nl/actueel/nieuws/advies-over-actieve-openbaarmaking/.

X Noot
50

Bijlagen bij Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C, p. 3: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
52

Bijlagen bij Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C, p. 4: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
53

Zie in dit kader ook het advies van het ACOI over de archivering van concepten: «Kan dit weg? Ja.»

X Noot
54

Zie in dit kader de adviezen van het ACOI (2025) en het ROB (2025).

X Noot
55

Kamerstukken II 2019/20, 35 112, nr. 7.

X Noot
56

Kamerstukken II 2019/20, 35 112, nr. 7.

X Noot
57

Bijlagen bij Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C, p. 4: Gezamenlijke oplegger Rijk, VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
58

IMI, onderzoek naar informatiebehoeften en Ruijer, USBO onderzoek (2025).

X Noot
59

Het rapport «Aan de slag met de inspanningsverplichting» met daarin het stappenplan en afwegingskader is beschikbaar via https://www.open-overheid.nl/documenten/2025/06/23/rapport-en-stappenplan-aan-de-slag-met-de-inspanningsverplichting-uit-de-wet-open-overheid.

X Noot
60

Bijlagen bij Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C, p. 5: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
61

«Eenieder heeft recht op toegang tot publieke informatie zonder daartoe een belang te hoeven stellen, behoudens bij deze wet gestelde beperkingen.»

X Noot
62

Bijlagen bij Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C, p. 5: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
63

Bijlagen bij Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C, p. 6: Gezamenlijke oplegger Rijk, VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
64

Bijlage bij Kamerstukken II, 2025/26, 26 643, nr. 1450.

X Noot
65

Bijlagen bij Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C, p. 6: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.


X Noot
1

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Dessing (FVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Karaaslan-Kilic (D66), Kroon (BBB), Lagas (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C.

X Noot
3

Gezamenlijke oplegger bij Meerjarenplannen digitale informatiehuishouding en openbaarheid 2026–2030 van Rijksoverheid, provincies, gemeenten en waterschappen), bijlage bij Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C.

X Noot
4

Artikel 5.4 lid 1 Archiefwet 20.

X Noot
5

Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C, p. 1.

X Noot
6

Bijlagen bij Kamerstuk I 2025/26, 32 802, C: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
7

Artikel 3, lid 1 en artikel 4 lid 4 van het Europees Handvest inzake lokale autonomie. Raadpleegbaar via: https://wetten.overheid.nl/BWBV0002625/1991-07-01

X Noot
8

Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C, p. 2.

X Noot
9

Bijlagen bij Kamerstuk I 2025/26, 32 802, C, p. 2–3: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
10

Bijlagen bij Kamerstuk I 2025/26, 32 802, C, p. 3: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
11

Bijlagen bij Kamerstuk I 2025/26, 32 802, C, p. 3: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
13

Bijlagen bij Kamerstuk I 2025/26, 32 802, C, p. 4: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
14

Bijlagen bij Kamerstuk I 2025/26, 32 802, C, p. 4: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
15

Bijlagen bij Kamerstuk I 2025/26, 32 802, C, p. 5: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
16

«Eenieder heeft recht op toegang tot publieke informatie zonder daartoe een belang te hoeven stellen, behoudens bij deze wet gestelde beperkingen.»

X Noot
17

Bijlagen bij Kamerstuk I 2025/26, 32 802, C, p. 5: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
18

Bijlagen bij Kamerstuk I 2025/26, 32 802, C, p. 6: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
19

Bijlagen bij Kamerstuk I 2025/26, 32 802, C, p. 6: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
20

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Vertrouwen in Burgers, Amsterdam: Amsterdam University Press 2012, p. 90.

X Noot
21

S.G. Grimmelikhuijsen, 2012 Utrecht University Repository beschikbaar via: https://dspace.library.uu.nl/handle/1874/218113.

X Noot
22

Ruijer, Erna, Isa Bertram, Stephan Grimmelikhuijsen en Albert Meijer (USBO-advies), Op weg naar betekenisvolle transparantie: onderzoek naar actieve openbaarmaking die aansluit bij de informatiebehoeften van burgers (2025).

X Noot
23

Gezamenlijke oplegger bij Meerjarenplannen digitale informatiehuishouding en openbaarheid 2026–2030 van Rijksoverheid, provincies, gemeenten en waterschappen), bijlage bij Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C.

X Noot
24

Zie hiervoor de uitvoeringstoets medeoverheden 3.3b Woo: https://www.open-overheid.nl/documenten/2024/12/10/uitvoeringstoets-medeoverheden-3.3b-woo.

X Noot
25

Artikel 5.4 lid 1 Archiefwet 20.

X Noot
26

Kamerstukken II 2023/24, 32 802, nr. 94.

X Noot
27

Zie hiervoor de uitvoeringstoets medeoverheden 3.3b Woo: https://www.open-overheid.nl/documenten/2024/12/10/uitvoeringstoets-medeoverheden-3.3b-woo.

X Noot
28

Kamerstukken II 2024/25, 26 643, nr. 1331.

X Noot
29

Kamerstukken II, 2023/24, 32 802, nr. 94.

X Noot
31

Kamerstukken II 2025/26, 29 362, nr. 397.

X Noot
34

Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C, p. 1.

X Noot
35

Bijlagen bij Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
36

Kamerstukken II 2021/22, 35 112, nr. 28.

X Noot
37

Artikel 3, lid 1 en artikel 4 lid 4 van het Europees Handvest inzake lokale autonomie. Raadpleegbaar via: https://wetten.overheid.nl/BWBV0002625/1991-07-01

X Noot
38

Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C, p. 2.

X Noot
39

Het algoritmeregister is beschikbaar via: https://algoritmes.overheid.nl/nl.

X Noot
40

Kamerstukken II 2024–2025, 26 643, nr. 1394.

X Noot
41

Kamerstukken I 2024/25, CXLVII, V.

X Noot
42

Artikel 3.3, lid 1, onder j, van de Wet open overheid (Woo). Deze bepaling treedt op een later te bepalen tijdstip in werking.

X Noot
44

Bijlagen bij Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C, p. 2–3: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
45

Bijlagen bij Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C, p. 3: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
46

ACOI, Wat zou u zelf willen weten?, beschikbaar via https://www.acoi.nl/actueel/nieuws/advies-over-actieve-openbaarmaking/.

ROB advies «Betekenisvol transparant» beschikbaar via file:///H:/Downloads/rob-advies-betekenisvol-transparant-een-bredere-kijk-op-open-overheid%20(2).pdf.

X Noot
48

Instituut Maatschappelijke Innovatie (IMI), Informatiebehoeften, beschikbaar via https://www.open-overheid.nl/documenten/2025/02/27/onderzoek-informatiebehoeften.

X Noot
49

ACOI, Wat zou u zelf willen weten?, beschikbaar via https://www.acoi.nl/actueel/nieuws/advies-over-actieve-openbaarmaking/.

X Noot
50

Bijlagen bij Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C, p. 3: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
52

Bijlagen bij Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C, p. 4: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
53

Zie in dit kader ook het advies van het ACOI over de archivering van concepten: «Kan dit weg? Ja.»

X Noot
54

Zie in dit kader de adviezen van het ACOI (2025) en het ROB (2025).

X Noot
55

Kamerstukken II 2019/20, 35 112, nr. 7.

X Noot
56

Kamerstukken II 2019/20, 35 112, nr. 7.

X Noot
57

Bijlagen bij Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C, p. 4: Gezamenlijke oplegger Rijk, VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
58

IMI, onderzoek naar informatiebehoeften en Ruijer, USBO onderzoek (2025).

X Noot
59

Het rapport «Aan de slag met de inspanningsverplichting» met daarin het stappenplan en afwegingskader is beschikbaar via https://www.open-overheid.nl/documenten/2025/06/23/rapport-en-stappenplan-aan-de-slag-met-de-inspanningsverplichting-uit-de-wet-open-overheid.

X Noot
60

Bijlagen bij Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C, p. 5: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
61

«Eenieder heeft recht op toegang tot publieke informatie zonder daartoe een belang te hoeven stellen, behoudens bij deze wet gestelde beperkingen.»

X Noot
62

Bijlagen bij Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C, p. 5: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
63

Bijlagen bij Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C, p. 6: Gezamenlijke oplegger Rijk, VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

X Noot
64

Bijlage bij Kamerstukken II, 2025/26, 26 643, nr. 1450.

X Noot
65

Bijlagen bij Kamerstukken I 2025/26, 32 802, C, p. 6: Gezamenlijke oplegger Rijk VNG, IPO, UvW bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding. VNG – Strategisch meerjarenplan digitale informatiehuishouding 2026–2030. UvW – Meerjarenplan Digitale informatiehuishouding 2026–2030. Meerjarenplan Digitale Informatiehuishouding Provincies 2026–2030.

Naar boven