32 793 Preventief gezondheidsbeleid

Nr. 139 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 februari 2014

Tijdens het AO preventie van 30 mei 2013 (Kamerstuk 32 793, nr. 98) heb ik toegezegd u het RIVM-onderzoek «gehoorschade en geluidsblootstelling in Nederland – inventarisatie van cijfers» te sturen. Bij deze bied ik u het onderzoeksrapport aan1.

Inleiding

Jongeren en volwassenen worden via muziek en lawaai op het werk blootgesteld aan (hard) geluid. Veel jongeren hebben tegenwoordig al op jonge leeftijd persoonlijke muziekdragers en gaan naar discotheken, festivals en clubs. Blootstelling aan langdurig en hard geluid kan schadelijk zijn voor het gehoor en permanente gehoorschade veroorzaken. Om inzicht te krijgen in het huidige aantal mensen met gehoorschade door hard geluid, hebben mijn collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en ik het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) gevraagd om hier onderzoek naar te doen. Naast de prevalentie van lawaaislechthorendheid hebben we het RIVM gevraagd om de met lawaaislechthorendheid gepaard gaande economische, sociale en gezondheidskosten in kaart te brengen.

Inhoud van het RIVM-rapport

Op basis van de huidige wetenschappelijke gegevens is het niet mogelijk om de omvang en de trend van lawaaislechthorendheid en schadelijk geluidsblootstelling cijfermatig te beoordelen. De gegevens over slechthorendheid komen vooral uit de huisartsenregistratie, maar de oorzaak van de slechthorendheid wordt hierbij niet geregistreerd. In totaal zijn er 810.500 mensen bekend bij de huisarts met slechthorendheid. Het aantal mensen waarbij deze slechthorendheid is veroorzaakt door hard geluid is onbekend. Wel is bekend hoeveel werknemers door bedrijfsartsen gemeld worden met lawaaislechthorendheid: in 2012 zijn er 2814 meldingen van lawaaislechthorendheid op het werk binnengekomen bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten.

Hoewel er geen harde cijfers over gehoorschade door harde muziek en de grootte van de blootstelling aan muziek beschikbaar zijn, komen de «waarschuwingssignalen» voor mogelijke gehoorschade, zoals een tijdelijke piep of ruis in het oor, veel voor. Het vermoeden is dat de blootstelling van jongeren aan (harde) muziek de laatste jaren is toegenomen, onder andere door de toegenomen beschikbaarheid van persoonlijke muziekdragers zoals mp3, iPod en mobiele telefoons. Dit geldt ook voor bezoek aan discotheken en andere uitgaansgelegenheden.

Bij studies op basis van zelfrapportage rapporteert 14 tot 60% van de jongeren vaak of weleens een tijdelijke piep of ruis (tinnitus) in het oor te hebben na het uitgaan. Dit is een eerste indicatie van gehoorschade. Schattingen van jongeren met een permanente piep in het oor lopen op tot 18,3%. Een Amerikaans onderzoek laat op basis van objectieve metingen zien dat jongeren van nu een slechter gehoor hebben dan jongeren in de jaren 1980/1990.

De gevolgen van een hoge geluidsblootstelling bij jongeren zijn pas op lange(re) termijn merkbaar. Er zijn signalen dat door de huidige hoge geluidsblootstelling jongeren op termijn gehoorproblemen kunnen krijgen. Het RIVM doet de aanbeveling om meer inzicht te krijgen in de individuele blootstelling bij jongeren, en de bronnen van hard geluid en de geluidsniveaus die gehoorschade veroorzaken.

Omdat er geen geschikte prevalentie-cijfers zijn, is het niet mogelijk om de omvang van de kosten van lawaaislechthorendheid te berekenen.

Reactie op het RIVM-rapport

Hoewel de prevalentie van gehoorschade door hard geluid niet cijfermatig vastgesteld kan worden, is er wel degelijk een verband tussen geluidsbelasting en het risico op gehoorbeschadiging. Het geluidsniveau en de duur van de blootstelling bepalen de mogelijke schade aan het gehoor. De arbo-wetgeving met betrekking tot lawaai is op dit causale verband gebaseerd. De arbo-wetgeving stelt een grenswaarde van 87 dB (A) in het oor, dit niveau mag niet overschreden worden. Omdat harde muziek net zo schadelijk is als machinelawaai dat even sterk is, is het aannemelijk dat een grote (en langdurige) geluidsbelasting via muziek ook schadelijk kan zijn voor het gehoor. Uit het RIVM-rapport blijkt dat de «waarschuwingssignalen» voor mogelijke gehoorschade veel bij jongeren voorkomen.

Ik neem deze waarschuwingssignalen serieus. Preventie van gehoorschade is belangrijk: eenmaal opgelopen gehoorschade is namelijk niet te genezen of te repareren. Het hebben van een goed gehoor is belangrijk, het is een belangrijke voorwaarde voor communicatie, zowel privé als op het werk. Daarom heb ik het thema «preventie van gehoorschade» opgenomen in het Nationaal Programma Preventie.

Ik vind het belangrijk dat dit probleem bij de bron wordt aangepakt. Voor persoonlijke muziekspelers gelden sinds januari 2013 binnen de Europese Unie strengere eisen. Alle nieuwe muziekspelers moeten zijn uitgerust met een volumebegrenzer die standaard op 85 decibel staat. Als de gebruiker een hoger geluidsniveau instelt, dan verschijnt er een waarschuwing op het display. Nieuwe muziekspelers beschikken daarnaast over een maximum volume van 100 decibel. Op mijn verzoek heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit eind 2013 onderzoek gedaan naar de naleving van deze eisen. Uit dit onderzoek bleek dat een groot deel van de persoonlijke muziekdragers niet aan deze eisen voldeed. De NVWA zal in 2014 vervolgstappen nemen.

Een andere belangrijke bron van geluid bij jongeren is harde muziek tijdens het uitgaan. Daarom heb ik de muzieksector gevraagd om maatregelen te nemen om jongeren op verantwoorde manier van muziek te laten genieten. Hiertoe sluit ik binnenkort met partijen in deze sector een convenant dat zich richt op het instellen van een maximum geluidsnorm in combinatie met het dragen van gehoorbescherming. Ook zullen de partijen inzetten op bewustwording, zodat jongeren zich realiseren wat de risico’s van harde muziek voor hun oren zijn. Op deze manier kunnen zij een bewuste keuze maken door bijvoorbeeld gehoorbeschermers te dragen. De tekst van het convenant wordt in de Staatscourant gepubliceerd. Ik zal toezien op een goede voortgang van de uitvoering van het convenant. Mocht blijken dat onvoldoende voortgang wordt geboekt, dan overweeg ik het nemen van wettelijke maatregelen.

De aandacht voor de bescherming van het gehoor bij jongeren is groeiende. Ik geef hierbij een aantal voorbeelden. Scholen kunnen via de Gezonde School-aanpak werken aan de preventie van gehoorschade. Ook worden in het kader van het Generation R-onderzoek onder ongeveer 10.000 kinderen in Rotterdam op

9-jarige leeftijd gehoortesten afgenomen. Over drie jaar wordt dit onderzoek herhaald bij de jongeren die dan 12 jaar oud zijn. Dit zal op termijn waardevolle informatie over de stand van het gehoor bij jongeren opleveren. Bij de herziening van de JGZ-richtlijn gehoor is de jeugd ouder dan 12 jaar een aandachtspunt. Hierbij wordt nagegaan in hoeverre het mogelijk is effectief gehoorverlies op te sporen en welke interventies beschikbaar zijn. Overigens kan de JGZ-arts nu al, indien dit nodig wordt geacht, aandacht besteden aan het gehoor van de jongere.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven