De regering is de vaste commissie voor Financiën erkentelijk voor de aandacht die zij aan het onderhavige wetsvoorstel heeft
geschonken en voor de door haar daarover gestelde vragen. Deze vragen worden hierna beantwoord, in de volgorde van het door
de commissie uitgebrachte voorlopig verslag.
De leden van de PvdA-fractie vragen om een nadere toelichting op de keuze om met de verandering van het begrip deskundigheid
in geschiktheid niet te wachten totdat een evaluatie van de Beleidsregel Deskundigheid 2011 heeft plaatsgevonden.
Er is gekozen om de term geschikt te hanteren in plaats van de term deskundig omdat de term geschikt beter aangeeft dat er
bij de beoordeling van bestuurders en commissarissen breder getoetst wordt dan alleen op kennis en ervaring. In de toelichting
bij het wetsvoorstel is opgenomen dat bijvoorbeeld ook op vaardigheden en professioneel gedrag wordt getoetst. Een bestuurder
of commissaris die zich niet professioneel gedraagt kan bijvoorbeeld in de nieuwe situatie aangemerkt worden als «niet geschikt»
in plaats van «niet deskundig». Ook benadrukt de term geschiktheid beter dat niet alleen naar individuele deskundigheid wordt
gekeken maar naar de vraag of de betrokkene geschikt is om zitting te nemen in het bestuurs- of toezichthoudend orgaan, rekening
houdend met de samenstelling van dit orgaan. De nieuwe geschiktheidseis is, net als de huidige deskundigheidseis, een open
norm waarbij geen nadere wettelijke eisen zijn gesteld. Wel is deze norm door de toezichthouders nader geduid door de Beleidsregel
Deskundigheid 2011. De begripsverandering bevestigt en benadrukt de reeds ingezette weg en zal beperkte gevolgen hebben voor
deze beleidsregel. Vandaar dat niet is gewacht op een evaluatie van de beleidsregel.
Voorts wordt door deze leden gevraagd waarom de regering met betrekking tot de gewijzigde samenwerkingsbepaling voor de AFM
en DNB voor de weg van wetgeving heeft gekozen in plaats van het aanvullen of uitbreiden van het tussen de AFM en DNB bestaande
convenant.
In de gewijzigde samenwerkingsbepaling is voor de niet-vergunningverlenende toezichthouder de mogelijkheid opgenomen een bindende aanbeveling uit te brengen om te borgen dat de betrouwbaarheid
van bestuurders en commissarissen in de financiële sector buiten twijfel staat. Indien de toezichthouder twijfelt aan de betrouwbaarheid
van betrokkene heeft deze toezichthouder immers een doorslaggevende stem. Om dit te realiseren is een wettelijke verankering
noodzakelijk.
Vanwege het belang dat ik hecht aan eenduidige oordelen, zeker op het gebied van betrouwbaarheid, stel ik daarom voor de Wet
op het financieel toezicht te wijzigen. De verwachting is dat deze wetswijziging zal leiden tot een nog intensiever afstemmingstraject
tussen de toezichthouders om te voorkomen dat een van de toezichthouders gebruik moet maken van de mogelijkheid van een doorslaggevende
stem. Hoewel deze wetswijziging de kaders van deze samenwerking wettelijk verankert zullen de toezichthouders de praktische
invulling van deze samenwerking nader met elkaar dienen af te stemmen. De toezichthouders zijn hiermee reeds aan de slag gegaan
door een gezamenlijk forum op te richten zodat gezamenlijke betrokkenheid bij de oordelen geborgd is. Ook wordt door de toezichthouders
bezien of hun samenwerkingsconvenant op dit punt aanpassingen vergt.
Verder wordt gevraagd waarom voor een marktbrede aanpak en niet voor een sectorale benadering is gekozen en of er ruimte is
voor een proportionele uitwerking.
Bij de invoering van de Wft is gekozen voor een Twin Peaks-systeem. Een marktbrede aanpak past beter bij het gekozen systeem
omdat Twin Peaks een functionele benadering kent in plaats van een sectorale benadering. Er is gekozen voor het Twin Peaks-systeem,
omdat de branches in de financiële sector sterk met elkaar verweven zijn. Omdat de doelstelling van de regering is om de stabiliteit
van de gehele financiële sector te borgen en niet alleen de banken- of verzekeringssector kies ik zoveel mogelijk voor een
marktbrede aanpak. Het zou bijvoorbeeld onwenselijk zijn om de top van een verzekeraar aan strenge geschiktheidseisen te onderwerpen
terwijl de top van een grote financiële diensverlener, die de verzekeringsproducten aan de man brengt, niet aan dergelijke
eisen zou hoeven te voldoen. Uiteraard is er voor de toezichthouders voldoende ruimte om proportioneel met de open normen
om te gaan. Zo zal de geschiktheid van de top van een grote onderneming anders worden beoordeeld dan de geschiktheid van de
beleidsbepaler van een kleine tussenpersoon. In de Beleidsregel Deskundigheid 2011 wordt overigens reeds aandacht besteed
aan proportionaliteit. De toezichthouders geven aan dat rekening wordt gehouden met activiteiten, risico's, omvang en complexiteit
van de ondernemingen.
Tot slot wordt gevraagd of de regering bereid is om de toezichtkosten die gepaard gaan met het wetsvoorstel na één jaar te
evalueren.
Met het oog op deze vraag van de leden van de PvdA zal ik de toezichthouders verzoeken over 2012 inzicht te geven in de kosten
die met betrekking tot de betrouwbaarheids- en geschiktheidstoetsen zijn gemaakt.
Ik hoop hiermee de vragen en opmerkingen in het voorlopig verslag afdoende te hebben beantwoord.
De minister van Financiën,
J. C. de Jager