32 770 Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met het treffen van diverse maatregelen ter bestrijding van het ten onrechte ontvangen van de uitwonendenbeurs

C NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 3 november 2011

Uit het verslag van de Vaste Commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, vastgesteld op 1 november 2011 (Kamerstukken I, 2011/12, 32 770, B), blijkt dat de leden van de GroenLinks-fractie een tweetal vragen hebben over het wetsvoorstel. Op deze vragen zal ik ingaan, waarbij ik de volgorde van het verslag aanhoud.

De leden van de GroenLinks-fractie veronderstellen dat het gebruik van het burgerservicenummer of onderwijsnummer door toezichthoudende ambtenaren van de gemeentelijke overheid wordt uitgebreid. Deze leden vinden dat onduidelijk is hoe ver de taak en rol van deze ambtenaren strekt. Daarmee staat de bescherming van persoonsgegevens ter discussie, menen deze leden. Zij vragen daarom opheldering over de taakafbakening van de verschillende toezichthouders.

De regering wil benadrukken dat ook zij privacybescherming belangrijk acht. Dit wetsvoorstel beoogt geen uitbreiding van het gebruik van persoonsgegevens te bewerkstelligen. De gegevens die in de huidige praktijk gebruikt worden, zijn dezelfde als de gegevens die gebruikt zullen worden na inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Toezichthouders die door DUO ingeschakeld worden, controleren op basis van de gegevens die DUO aanlevert. DUO levert persoonsidentificerende gegevens, waaronder adressen, aan de toezichthouder. De personen die gecontroleerd worden, worden door DUO geselecteerd op basis van het risicoprofiel. Dit profiel bestaat uit een aantal kenmerken die erop kunnen duiden dat een studerende de regels overtreedt. Als een persoon aan de kenmerken voldoet, verzoekt DUO aan een toezichthouder een adrescontrole uit te voeren. Het gebruik van het burgerservicenummer of onderwijsnummer wordt hiermee niet uitgebreid. Het is immers niet de toezichthouder die gegevens aan DUO aanlevert ter controle.

De regering zet de rolverdeling waar de leden van de GroenLinks-fractie om vragen graag uiteen. DUO selecteert studerenden (op basis van een risicoprofiel) bij wie het risico bestaat dat het GBA-adres niet overeenkomt met het woonadres. Nadat de toezichthouder de controle heeft uitgevoerd worden de resultaten teruggekoppeld aan DUO.

Omdat DUO zelf niet beschikt over een toezichthoudend apparaat, wordt gebruik gemaakt van andere toezichthouders. De toezichthouders zijn uitvoerend en functioneren als opdrachtnemer op basis van de gegevens zoals aangeleverd door DUO. Er is geen sprake van eigen initiatief van de ingehuurde toezichthouders.

De leden van de GroenLinks-fractie geven aan dat er discussie heeft plaatsgevonden over de vraag of ook onderwijsinstellingen een rol kunnen spelen in het signaleren van misbruik van de uitwonendenbeurs. In deze discussie heeft de regering aangegeven dat de instellingen de daarvoor benodigde informatie vaak niet hebben. Deze leden vragen of dat een pragmatische constatering is van de regering of dat zij van mening is dat het uit de aard van de relatie tussen onderwijsinstelling en studenten, niet van de instelling mag worden gevraagd dat die een actieve rol in de opsporing zou spelen.

De regering vindt studiefinanciering een zaak tussen de studerende en de minister van OCW, waarvan DUO het uitvoerend orgaan is. Als een studerende misbruik maakt van een uitwonendenbeurs dan is dat ook een zaak tussen de studerende en de minister van OCW. Dat neemt niet weg dat als een ander, bijvoorbeeld (iemand werkzaam bij) een onderwijsinstelling, zou constateren dat een studerende misbruik maakt van de uitwonendenbeurs, de instelling dit verondersteld wordt te melden aan DUO. Op basis van de melding zal DUO dan een onderzoek instellen. Een instelling is geen toezichthouder. Er wordt dus ook geen actieve bijdrage aan het toezicht door de instelling verwacht. Daarbij komt dat het voor iemand die niet actief controleert onaannemelijk is dat deze misbruik constateert. Ook onderwijsinstellingen kunnen niet weten of een studerende woonachtig is op het in de GBA geregistreerde adres en of de ouders op dat adres wonen.

Het is dus zowel vanwege de aard van de relatie tussen instelling en studerende als uit pragmatisch oogpunt dat instellingen niet beschouwd worden als toezichthouder.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

H. Zijlstra

Naar boven