Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201232735 nr. 54

32 735 Mensenrechten in het buitenlands beleid

Nr. 54 MOTIE VAN HET LID TIMMERMANS C.S.

Voorgesteld tijdens het Notaoverleg van 16 april 2012

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de minister van Buitenlandse Zaken in de brief aan de Kamer van 7 maart 2012 en in publieke uitlatingen, zoals zijn toespraak voor de VN-Mensenrechtenraad, de receptorbenadering centraal heeft gesteld in zijn mensenrechtenbeleid;

voorts constaterende dat de universaliteit van mensenrechten de basis vormt van het Nederlands mensenrechtenbeleid, die omwille van de effectiviteit steeds binnen een bepaalde landen- of regiospecifieke context dient te worden toegepast, aangezien universaliteit geen uniformiteit veronderstelt;

van oordeel dat de mensenrechten het best gediend zijn met het vinden van een juist evenwicht tussen een rechtenbenadering («rights based» implementatie) met bijbehorende handhavingmechanismen enerzijds en investeren in het maatschappelijk middenveld en sociale instituties anderzijds, zoals ook opgemerkt in het AIV-briefadvies nummer 21;

tevens van oordeel dat op basis van de huidige stand van zaken in de discussie rond de receptorbenadering, onder meer door gebrek aan praktijkvoorbeelden en empirische gegevens, het effect van deze benadering niet valt vast te stellen en dus ook niet of deze benadering zal leiden tot een verstoring van, dan wel zal een bijdrage aan genoemd evenwicht;

roept de regering derhalve op, vooralsnog de traditionele en bewezen succesvolle Nederlandse benadering voort te zetten, met de inzet van het gehele ter beschikking staande mensenrechteninstrumentarium om wereldwijd concrete resultaten voor de verbetering van mensenrechten te blijven bereiken, gebaseerd op een goede balans en juiste maatvoering,

en gaat over tot de orde van de dag.

Timmermans

Hachchi

El Fassed

Van Bommel

Voordewind