Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201232735 nr. 53

32 735 Mensenrechten in het buitenlands beleid

Nr. 53 MOTIE VAN HET LID TIMMERMANS C.S.

Voorgesteld tijdens het Notaoverleg van 16 april 2012

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering in de voornoemde brief van 3 oktober 2011 en in het debat met de Eerste Kamer van 13 maart jl. concrete voorstellen doet om de autoriteit van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens te garanderen en de effectiviteit van zijn uitspraken te vergroten;

overwegende dat deze voorstellen betrekking hebben op de efficiëntie van de werkprocessen van het Hof en een grotere betrokkenheid vragen van het Comité van Ministers om aanbevelingen aan de lidstaten te doen en de tenuitvoerlegging door de lidstaten van de uitspraken van het Hof te versnellen en te verbeteren;

overwegende dat de rechtsvorming door het Hof – dat overigens pas benaderd kan worden als alle nationale middelen zijn uitgeput – dient te worden gerespecteerd en er geen reden is voor de regering om meer ruimte te bepleiten voor de «margin of appreciation» van verdragspartijen bij de invulling van de normen van het EVRM;

verzoekt de regering, zich in overeenstemming met de lange traditie van het Nederlands mensenrechtenbeleid en in het bijzonder het buitenlands beleid van vorige kabinetten, te blijven inzetten voor de mensenrechten conform haar verplichtingen die voortvloeien uit het EVRM en de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens;

verzoekt de regering tevens, actief de toetreding van de Europese Unie tot het EVRM te blijven bevorderen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Timmermans

Hachchi

El Fassed

Van Bommel

Voordewind