Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 15 april 2026
Tijdens de behandeling van de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp
voor het jaar 2026 diende het lid Van Baarle een motie in die de regering verzoekt
om zich in internationaal verband blijvend en actief in te zetten voor de verbetering
van de positie van de Rohingya, met nadruk op internationale bescherming, mensenrechten
en veilige, vrijwillige terugkeer, en tevens de komende begrotingsperiode te bezien
hoe vanuit het flexibele budget een gerichte bijdrage gedaan kan worden voor de ondersteuning
van de Rohingya.1 Deze motie is destijds ontraden onder verwijzing naar het flexibele, meerjarige Nederlandse
humanitaire hulpbeleid.
In de tussentijd heeft het lid Van Baarle een gewijzigde motie ingediend. De gewijzigde
motie verzoekt de regering zich in internationaal verband blijvend en actief in te
zetten voor de verbetering van de positie van de Rohingya, met nadruk op internationale
bescherming, mensenrechten en veilige, vrijwillige terugkeer.
Het kabinet zet zich in internationaal verband op verschillende manieren in voor de
verbetering van de positie van de Rohingya. Onder meer via humanitaire hulpverlening
door onze vaste humanitaire partnerorganisaties die de Rohingya in zowel Myanmar als
Bangladesh ten goede komt. Zo werken partnerorganisaties aan de bescherming van vluchtelingen
in opvangcentra (UNHCR) en aan de verbetering van respect voor humanitair oorlogsrecht
(ICRC). Ook zet Nederland zich bijvoorbeeld in VN-verband in voor het belang van veilige,
vrijwillige terugkeer van de Rohingya.
Op deze manier zal het kabinet zich blijvend en actief inzetten voor de verbetering
van de positie van de Rohingya, en ziet deze motie als een extra aansporing om hier
uitvoering aan te geven. De appreciatie van deze motie geef ik dan ook «Oordeel Kamer».
De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
S.W. Sjoerdsma