Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 26 maart 2026
Met deze brief ga ik in op het verzoek van de vaste Kamercommissie Buitenlandse Zaken
van 25 maart jl. met kenmerk 2026D13860.
Het kabinet is bekend met het Israëlische wetsvoorstel over de doodstraf waarover
binnenkort wordt gestemd in de Israëlische Knesset. Dit wetsvoorstel circuleert al
enige tijd en is onderwerp van uitgebreide discussie in de Knesset zelf, waarbij de
inhoud en het besluitvormingsproces continu aan verandering onderhevig zijn. Op het
moment van schrijven is nog geen definitieve tekst van het wetsvoorstel beschikbaar.
De verwachting is dat de stemming aankomende week zal plaatsvinden, en een meerderheid
zal behalen. Het wetsvoorstel is ingediend door coalitiepartij Otzma Yehudit, geleid
door Itamar Ben-Gvir. Het vorige kabinet heeft Ben-Gvir, onder andere wegens extremistische
uitlatingen, tot persona non grata verklaard en geregistreerd als ongewenste vreemdeling
in het Schengenregistratiesysteem (SIS).
De wetgeving stelt een wijziging voor in het Israëlische strafrecht met betrekking
tot het gebruik van de doodstraf. Volgens het huidige wettelijke kader is de doodstraf
enkel toegestaan voor uitzonderlijke misdrijven, zoals genocide en misdrijven tegen
de menselijkheid, en is deze sinds 1962 niet meer uitgevoerd.
Indien het wetsvoorstel niet meer inhoudelijk wordt gewijzigd, verbreedt de wet de
toepassing van de doodstraf onder het Israëlische civiele recht. De doodstraf kan
bij aanname ook opgelegd worden bij een veroordeling van «het plegen van een aanslag
met de intentie het bestaan van de staat Israël te ontkennen». Op de Westelijke Jordaanoever
zou de wet Israëlische militaire rechtbanken verplichten de doodstraf op te leggen voor personen
die worden veroordeeld voor het plegen van dodelijke terroristische aanslagen op Israëlische
burgers of inwoners. Alleen Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever vallen onder
het militaire recht.
Vooral vanwege het discriminerende karakter roept het wetsvoorstel veel kritiek op
binnen de Knesset, de Israëlische maatschappij, als ook de internationale gemeenschap.
Nederland is principieel tegen de doodstraf en veroordeelt het toepassen van executies
als onmenselijk en ondoeltreffend. Nederland voert wereldwijd een afschaffingsbeleid
ten aanzien van de doodstraf. Dit afschaffingsbeleid wordt al vele jaren gezamenlijk
met EU-partners verricht op grond van EU-richtlijnen en Nederland draagt ook actief
bij aan het uitvoeren van dit beleid. De EU roept in het bijzonder op tot het handhaven
of instellen van moratoria als een eerste stap naar afschaffing.
Nederland heeft zijn zorgen over het wetsvoorstel kenbaar gemaakt bij de Israëlische
autoriteiten, waaronder tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Israël
en de Palestijnse Gebieden in november jl. De Europese delegatie in Tel Aviv voerde
tevens, mede namens Nederland, meerdere demarche uit bij het Israëlische Ministerie
van Buitenlandse Zaken op 17 december, 22 februari en 25 maart jl. Op dit moment wordt
ook in Europees verband bezien op welke wijze nog druk kan worden uitgeoefend.
In het geval dat de Knesset de wet definitief aanneemt, zal Nederland actief handelen
langs de lijnen van het (Europese) afschaffingsbeleid waarbij in lijn met de EU Nederland
in het bijzonder zal oproepen tot het handhaven of instellen van moratoria als een
eerste stap naar afschaffing. De situatie wordt nauwgezet gevolgd.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
T.B.W. Berendsen