Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201432734 nr. 21

32 734 Modernisering Nederlandse diplomatie

Nr. 21 VERSLAG VAN EEN NOTAOVERLEG

Vastgesteld 5 februari 2014

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken heeft op 25 november 2013 overleg gevoerd met de Minister van Buitenlandse Zaken over:

  • de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 28 juni 2013 «Voor Nederland, wereldwijd» over modernisering van de Nederlandse diplomatie en het netwerk van vertegenwoordigingen van het Koninkrijk der Nederlanden in het buitenland (Kamerstuk 32 734, nr. 15);

  • de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 30 september 2013 inzake beantwoording vragen commissie over «Voor Nederland, wereldwijd» over modernisering van de Nederlandse diplomatie en het netwerk van vertegenwoordigingen van het Koninkrijk der Nederlanden in het buitenland (Kamerstuk 32 734, nr. 16);

  • de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 8 maart 2013 met reactie op het verzoek van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken inzake het afschrift van de brief van een medewerkster van het Honorair Consulaat van het Koninkrijk der Nederlanden aan de Minister van Buitenlandse Zaken met betrekking tot de voorgenomen sluiting van het Honorair Consulaat te Toulouse (Frankrijk);

  • de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 11 oktober 2013 met een reactie op het verzoek van de commissie inzake de door het Huis van Afgevaardigden van de staat Michigan aangenomen resolutie met betrekking tot de sluiting van het Nederlandse CG te Chicago.

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Eijsink

De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Van Toor

Voorzitter: Eijsink

Griffier: Van Toor

Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Van Bommel, Ten Broeke, Eijsink, Omtzigt, De Roon, Servaes en Sjoerdsma,

en Minister Timmermans van Buitenlandse Zaken.

Aanvang 18.30 uur.

De voorzitter: Ik open deze vergadering en heet de Minister van Buitenlandse Zaken van harte welkom, evenals zijn medewerkers, de mensen op de publieke tribune, de toehoorders thuis en de leden van de vaste commissie. Vanavond houden wij een notaoverleg. De geplande tijd is van 18.30 uur tot 23.00 uur. De volgende brieven staan geagendeerd: de brief «Voor Nederland, wereldwijd» over modernisering van de Nederlandse diplomatie en het netwerk van vertegenwoordigingen van het Koninkrijk der Nederlanden in het buitenland, de beantwoording van de vragen hierover, de reactie op het verzoek van de vaste commissie inzake het afschrift van de brief van een medewerkster van het Honorair Consulaat van het Koninkrijk der Nederlanden, en een reactie op het verzoek van de commissie inzake de door het Huis van Afgevaardigden van de staat Michigan aangenomen resolutie met betrekking tot de sluiting van het Nederlandse CG te Chicago. Dit is een notaoverleg, wat wil zeggen dat de leden in tweede termijn moties kunnen indienen. Ik sta twee interrupties toe. Er zijn spreektijden afgesproken en de grootste oppositiepartij voert als eerste het woord. Vervolgens is de grootste coalitiepartij aan de beurt en dan om en om. Vooraf komt een opmerking van de heer Van Bommel.

De heer Van Bommel (SP): Ik stel graag toch nog een vraag over de agenda. Ik heb vanochtend gevraagd om een brief van de Minister omdat in de media de indruk werd gewekt dat een akkoord is bereikt over het niet sluiten van een aantal consulaten. Ik ben vervolgens geïnformeerd door collega Sjoerdsma dat het een voorstel van zijn kant betrof, waarover overeenstemming is bereikt. Vanavond wordt ook in de media gemeld dat er vier consulaten niet worden gesloten. Ik vraag mij af wat nu eigenlijk de actuele stand van zaken is. Dat is een belangrijk onderwerp in de voorstellen van de Minister. Als dat van tafel is of geamendeerd wordt, dan word ik daarover graag vooraf geïnformeerd want dan kan ik mijn bijdrage daarop aanpassen.

De voorzitter: Dank voor uw inbreng en uw verzoek. Even ter toelichting, zowel voor de Minister als voor meeluisteraars: het betreft een verzoek van de heer Van Bommel aan mij als voorzitter en aan de griffier naar aanleiding van berichtgeving in de media. Daaraan ligt een interne e-mailwisseling tussen commissieleden ten grondslag. De heer Sjoerdsma heeft daarop gereageerd. Ik kijk even of de heer Sjoerdsma de behoefte voelt om hierop verder te reageren.

De heer Sjoerdsma (D66): Ja voorzitter, dat wil ik wel. De berichten in de media betreffen inderdaad het nieuws dat D66 een voorstel heeft gedaan om de helft van de bezuinigingen op het ambassadenetwerk structureel te verminderen. Daarmee worden onder andere de vier consulaten opengehouden. Daar is een Kamermeerderheid voor. Een motie daarover dien ik vanavond in. Die wordt overigens gesteund door de VVD, de PvdA, de SGP en de ChristenUnie.

De voorzitter: Dank u wel. Ik realiseer mij dat wij nu al naar de tweede termijn toe gaan. Dat is heel snel, in tien minuten. Ik zie dat andere leden hierop ook willen reageren. Ik denk even na over een ordentelijke manier waarop wij dit kunnen doen. Ik begrijp de vraag van de heer Van Bommel maar ik wil niet nu al in een tweede termijn terechtkomen zonder eerst een eerste termijn te hebben gevoerd. Ik geef de heer Omtzigt gelegenheid om te reageren en na hem de heer Ten Broeke.

De heer Omtzigt (CDA): Ik zou ook graag willen weten of in het Herfstakkoord afspraken hierover gemaakt zijn. Die indruk krijg ik namelijk stellig, ook uit de nieuwsberichten van onder andere de secretaris-generaal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Als dat zo is, waarom zijn wij daarover dan niet geïnformeerd? Wij gaan dan vanavond een debat houden om te eindigen met een motie van de allerlaatste spreker in tweede termijn terwijl wij met dat punt hadden kunnen beginnen. Het is aan deze partijen om ons eerlijk te vertellen of zij in het weekend iets besloten hebben of al eerder.

De heer Ten Broeke (VVD): Ik heb mij niet gemengd in het schriftelijke debat dat vanochtend al heeft plaatsgevonden omdat ik dacht dat dat afgesloten was. Ik meen ook dat de heer Van Bommel aangaf genoegen te nemen met de uitleg van de heer Sjoerdsma. Laat ik hierover van mijn kant heel helder zijn. Het voorstel dat de heer Sjoerdsma vanavond doet, heeft onze sympathie. Vanzelfsprekend moet ik nog wel even precies horen hoe dat straks gaat luiden. Ik zie uit naar het debat met deze Minister om deze bezuiniging terug te draaien. Ik ben benieuwd wat hij daarop te zeggen heeft. Ik ben ook benieuwd of er verder nog partijen zijn die zich bij dit voorstel gaan aansluiten. Ik zie dus uit naar het debat. Laten wij daar snel mee beginnen.

De voorzitter: Als laatste geef ik de heer Omtzigt gelegenheid voor een reactie en daarna ga ik terug naar de heer Van Bommel, als afsluiting.

De heer Omtzigt (CDA): Ik stelde een concrete vraag: is dit een akkoord dat dit weekend bereikt is of is het een stuk van het Herfstakkoord dat gewoon niet aan de Kamer is meegedeeld? Daarnaast doe ik ook graag een procedurevoorstel.

De heer Van Bommel (SP): Het wordt er allemaal niet duidelijker op. Ik richt mij met mijn vraag voor een deel tot de collega's die dat akkoord hebben gesloten, maar eigenlijk ook tot de Minister. Als daarover overeenstemming bereikt is, dan ligt er feitelijk een ander voorstel op tafel dan de nota die door de Minister is aangeboden aan de Kamer. Dan praten wij over iets heel anders en dan kunnen wij wellicht ook eerder klaar zijn vanavond. Dat is voor iedereen beter. Wij kunnen dan meteen gewoon doorgaan met het werk. Ik stel mijn vraag dus ook aan de Minister: is hierover overeenstemming? Dan kunnen wij dat deel namelijk uit de nota lichten.

De voorzitter: Mijnheer Van Bommel, ik kijk naar uw inbreng, ik heb goed geluisterd. Ik stel voor om nu niet dit debat aan te gaan met de Minister maar om over te gaan tot de eerste termijn. De heer Omtzigt maakt nu een laatste opmerking.

De heer Omtzigt (CDA): Ik stelde gewoon een vraag. Ik zou het op prijs stellen als mijn collega's aangaven of dit in het Herfstakkoord besloten is en er dus alle tijd geweest is om dit aan de Kamer te sturen dan wel dat het dit weekend rondgekomen is en dit inderdaad gewoon een voorstel is. Dat zij dit voorstel mogen doen, is klip-en-klaar. Ik vraag ze alleen om eerlijk aan te geven wanneer zij hiertoe hebben besloten.

De voorzitter: Mijnheer Omtzigt, er is zojuist antwoord gegeven door de heer Sjoerdsma en de heer Ten Broeke. Ik constateer dat wij nu gewoon kunnen beginnen met de eerste termijn. Dat is het antwoord dat gegeven wordt. Daarmee zult u het moeten doen. De sprekers gaan zelf over hun antwoord.

De heer Omtzigt (CDA): Ik concludeer daaruit dat er hier een akkoord ligt dat is afgeleid van het Herfstakkoord. Dat staat ook in de interne mail die is rondgestuurd. Dat is niet voorgelegd aan de Kamer. Ik zal die mail naar u doorsturen, voorzitter. Procedureel vraag ik de heer Sjoerdsma om te beginnen met het indienen van de motie. Vanaf dat moment kunnen wij het debat voeren waarover het zou moeten gaan in plaats van daar drie uur naartoe te werken.

De voorzitter: Mijnheer Omtzigt, ik ga over de procedure. U kunt die niet voorleggen aan de heer Sjoerdsma, al zou u dat willen. Ik stel voor dat wij beginnen met de eerste termijn van de Kamer. U hebt de antwoorden van uw collega's gehoord. Er wordt nu verwezen naar interne mails. Dat is niet waarvoor wij hier aanwezig zijn. Mijnheer Van Bommel, ik verzoek u om met uw eerste termijn te beginnen.

De heer Van Bommel (SP): Dat mag u verzoeken, maar ik merk wel op dat er een mail ter sprake is gekomen die ik niet ken. Als daarin zaken staan die duiden op afspraken en het vooraf bestemmen van het onderdeel waarover wij vandaag een debat voeren, dan neem ik daarvan graag eerst kennis. Dan kan ik mijn bijdrage daarop namelijk aanpassen. Zoals u weet, kan ik dat in een minuut.

De voorzitter: Mijnheer Van Bommel, zojuist sprak de heer Omtzigt over een interne mail die blijkbaar niemand kent. Hoe dan ook spreken wij op dit moment niet over interne mails die ergens rondgaan. Wij gaan dat op dit moment niet doen. Als de heer Omtzigt daartoe straks kans ziet, dan is het aan hem om daarover in zijn eigen termijn te beginnen. Ik geef de heer Van Bommel het woord in eerste termijn. Zijn zeven minuten gaan nu in.

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. Nederland heeft grote belangen in het buitenland. Voor de meeste buitenlanden geldt: zij zijn groot en wij zijn klein. Dat geldt dan vooral qua oppervlakte. Nederland telt wel degelijk mee in de wereld. Dat blijkt uit de Nederlandse exportpositie: ons land is vijfde exporteur van de wereld. Wij hebben een uitgebreid netwerk van ambassades en consulaten; Nederlandse bedrijven – grote namen – zijn in de hele wereld actief. Nederlanders zijn ook reislustig. Vorig jaar brachten wij gezamenlijk 28 miljoen bezoeken aan het buitenland. Bovendien, en niet op de laatste plaats, levert Nederland een bijdrage aan het bevorderen van de internationale rechtsorde en komt, wereldwijd, op voor mensenrechten. Dat is geen kleine taak die het Ministerie van Buitenlandse Zaken en deze Minister zichzelf stellen. Wij kunnen daar best trots op zijn.

Haaks op die positie staat het voorstel dat wij vandaag bespreken, namelijk een bezuiniging oplopend tot 100 miljoen euro. Dat is een bezuiniging die voor een belangrijk deel moet worden opgebracht door de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland. Net als bij veel economische activiteiten geldt ook voor diplomatieke activiteiten dat de kost voor de baat uitgaat. Daarom vindt mijn fractie, de SP-fractie, het onverstandig dat de regering heeft besloten dat er vijf consulaten-generaal moeten worden gesloten. In de hoorzitting die wij over de nota van de Minister hebben gehad, werd dit voorstel penny wise and pound foolish genoemd. De SP-fractie sluit zich daar graag bij aan. In Antwerpen, Chicago, Milaan, München en Osaka verdienen Nederlandse bedrijven veel geld. Kan de Minister bij benadering aangeven wat die consulaten-generaal voor de Nederlandse economie betekenen? Kan de Minister aangeven wat die consulaten-generaal doen voor Nederlandse toeristen in nood? Niet voor niets klaagt de ANWB dat als de consulaten-generaal worden gesloten, heel veel Nederlandse toeristen in de kou komen te staan als zij in nood zijn en hulp nodig hebben van de consulaten.

Ik stel ook vast dat de sluiting van deze consulaten een relatief gering bedrag van 7,5 miljoen euro oplevert terwijl wij posten hebben die een veelvoud daarvan kosten. De verhouding is zoek, zeker gelet op de diensten die worden verleend aan Nederlandse bedrijven en Nederlandse burgers. Ik hoor graag van de Minister hoe hij tot dit besluit heeft kunnen komen gelet op de belangen van Nederland in het buitenland.

Er bestaat ook veel onvrede over de sluiting van honoraire consulaten in Frankrijk. Tienduizenden Nederlanders moeten daardoor hoge kosten maken. Waarom is er met deze maatregel niet gewacht tot het Nederlandse paspoort een geldigheidsduur kreeg van tien jaar? Kan de Minister bij benadering aangeven wanneer daarvan sprake zal zijn? Dan hebben wij ook meteen de gewenste overgangstermijn voor die maatregel in kaart gebracht.

Opkomende economieën krijgen terecht meer aandacht. In dit verband vraag ik aandacht voor de post in Iraaks Koerdistan. Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Turkije zitten in dat deel van Irak met een ruim bezet consulaat. De economische belangen daar groeien en zijn nu al groter dan zij ooit geweest zijn. Waarom zouden wij daar de Nederlandse aanwezigheid beperken tot een laptopdiplomaat? Ik doe het voorstel om die post op te waarderen tot een volwaardig consulaat. Op die manier kan ook worden voorkomen dat mensen uit Iraaks Koerdistan die naar Nederland willen reizen – er zitten er velen met Nederlandse roots – twee keer naar Turkije moeten voor een visum om naar Nederland te reizen.

De sluiting van posten in een aantal arme landen stond al langer vast. Dit is slechts uitvoering van dat beleid. Hiermee krijgt de term «stille diplomatie» een nieuwe betekenis. Die stille diplomatie wordt in die landen structureel. De vraag is wat er in die landen gaat gebeuren met inspanningen die Nederland levert op het gebied van de mensenrechten. Organisaties en personen die in het verleden op Nederlandse steun konden rekenen kunnen dat straks niet meer doen. Hoe wil de Minister dat opvangen? Is hij niet bang dat alle inspanningen die wij in het verleden op dit terrein hebben geleverd straks als een kaartenhuis instorten? Heel concreet kunnen wij in dit verband spreken over de post in Guatemala. Jarenlang heeft Nederland zich daar ingezet voor initiatieven die de rechtsstaat moeten bevorderen en straffeloosheid moeten tegengaan. Mensenrechtenorganisaties die de van genocide verdachte Ríos Montt hebben aangeklaagd, werden gesteund. Juist nu het proces tegen Montt onder druk staat, is Nederlandse afwezigheid uitermate betreurenswaardig. Ik vraag de Minister om concreet op deze casus in te gaan.

De rijksoverheid heeft een bezuinigingstaak en het Ministerie van Buitenlandse Zaken kan zich daar niet aan onttrekken. Dat is ook niet mijn verzoek of wens. Verstandig bezuinigen kan echter ook. Ik wil daarvan een paar voorbeelden geven. Het bedrijfsleven zou voor economische dienstverlening gewoon kunnen betalen. Dat gebeurt nu slechts op heel beperkte schaal. Denemarken geeft het goede voorbeeld. Dat land rekent gewoon een tarief voor marktonderzoek en andere zaken. Sterker nog, Deense ambassades in het buitenland hebben een target, een genoemd en vastgesteld bedrag dat moet worden binnengehaald met economische dienstverlening aan bedrijven. Als zij dat niet halen, dan wordt dat in korting gebracht op het budget van de ambassade. Nederlandse burgers in het buitenland moeten ook betalen voor dienstverlening. Waarom zouden bedrijven dat niet op dezelfde wijze doen, zoals dat in het Deense voorbeeld gebeurt?

Een tweede suggestie betreft de versobering van de huisvesting. Een wat ouder Rekenkamerrapport, uit 2007, legde bloot dat de huurprijs van 161 van de 285 onderzochte dienstwoningen boven de gestelde richtlijn zat. Mijn vraag is of de aanbevelingen uit dat rapport zijn uitgevoerd en wat dat concreet heeft opgeleverd.

De versobering kan zich ook in het optreden van de posten in het buitenland voordoen. Ik denk daarbij concreet aan de versobering van feesten en partijen. Ik ontving het bericht dat voor het afscheid van de ambassadeur in Turkije een topkok van een restaurant met een Michelinster werd ingevlogen om een vijfgangenmenu van asperges te koken. Ik geef toe: dit is klein bier. Tegelijkertijd wordt daarmee een verkeerd signaal afgegeven. De posten kunnen met heel weinig geld iets doen in de sfeer van mensenrechten, belangenbehartiging en dienstverlening aan Nederlanders in het buitenland. Dit soort feesten zou dan ook tot de verleden tijd moeten behoren.

De voorzitter: Ik heb verzuimd te zeggen dat ik per woordvoerder twee interrupties in eerste termijn toesta. Het woord is aan de heer Ten Broeke van de VVD-fractie. Hij heeft elf minuten spreektijd in eerste termijn.

De heer Ten Broeke (VVD): Voorzitter. De VVD hecht grote waarde aan het netwerk van ambassades, consulaten en NBSO's (Netherlands Business Support Offices). Nederland heeft dan ook een groot postennetwerk. In 2010 was Nederland de nummer 13 in de wereld als het gaat om het aantal ambassades en de nummer 9 van Europa. Qua aantallen posten per inwoners was het zelfs de nummer 5 van Europa. Dat is relatief groot voor de nummer 17 van de wereld. Een footprint van formaat dus. Toch concludeerde de WRR in 2010 in het rapport Aan het buitenland gehecht dat het postennetwerk kleiner en vooral ook wat flexibeler kon worden. Er werd toen al gesproken over reizende diplomaten, later in de volksmond «laptopdiplomaten» geheten en tegenwoordig «iPaddiplomaten» genoemd. Ik kom daar straks nog over te spreken.

Voor een land als Nederland is een postennetwerk van vitaal belang. We drijven met de hele wereld handel en maar liefst 30% van ons bruto nationaal product is afhankelijk van de export. In toenemende mate is het deel van de wereld dat handel wil drijven niet alleen business to business maar ook government to government; er zijn regeringsvertegenwoordigers nodig om commerciële deuren te openen. Voor Nederlandse bedrijven is het van vitaal belang om binnen te komen via een ambassade, een consulaat of een NBSO. Onze ambassades, consulaten en NBSO's doen op dit moment al geweldig werk voor het Nederlands bedrijfsleven en de Nederlandse belangen. Er is al jaren een kentering zichtbaar. Neem als voorbeeld Azerbeidzjan, ooit begonnen met een eenmanspost, ook mede op verzoek die van mijn partij in 2009. Eerder bleven grote deals met dit olieland uit, maar bleken na de opening van die post opeens wel mogelijk. De handelsrelatie groeide van 137 naar 321 miljoen. Dat is op het totale handelsvolume misschien geen groot bedrag, maar op zich wel indrukwekkend. En dat tussen 2010 en 2012, dus in amper twee jaar.

Tegelijkertijd is Nederland niet het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten of Frankrijk. Onder de regering Rutte I hervormde het postennetwerk in lijn met het WRR-advies. In Panama kwam er een ambassade bij. In Uruguay en Nicaragua gingen ambassades dicht. In de landen van de Arabische Lente werden posten gespaard of zelfs uitgebreid, qua bezetting en funding. De posten in Burkina Faso en Eritrea gingen dicht. Dat reflecteert de situatie waarin Afrika politiek verandert, economisch groeit maar op de allereerste plaats minder afhankelijk wordt van hulp. In China werd een extra NBSO geopend. In het noorden van Irak – collega Van Bommel sprak er al over; ik zou bijna spreken over onze gezamenlijke pet – in Arbil kwam er een post bij. Na deze hervorming heeft Nederland nog 108 ambassades, 24 consulaten en 29 permanente vertegenwoordigingen.

Er werd niet gehakt in het postennetwerk; het postennetwerk werd gemoderniseerd. We zijn er echter nog niet. Daarna kwam het rapport van dat geschreven is onder de leiding van Docters van Leeuwen dat nieuwe aanknopingspunten bood om flexibeler te gaan werken en de efficiëntie op het gebied van bijvoorbeeld regionale samenwerking maar ook met het gebruik van ICT te vergroten. De commissie onder leiding van Arthur Docters van Leeuwen beschreef al goed dat het openhouden van ambassades geen doel op zichzelf moet worden. Het uitgangspunt is om op zoveel mogelijk plaatsen fysiek aanwezig te zijn. De creatie en instandhouding van ambassades op locatie met een kanselarij en een residentie zijn geen automatismen. De commissie vervolgde met: «De titel ambassadeur verwijst niet langer naar een gebouw of een dienstauto maar naar de zwaarte van een functie». Dit is de VVD uit het hart gegrepen. Bij het postennetwerk moet niet de emotie maar de ratio centraal staan. Het postennetwerk is geen doel op zich maar een middel om Nederlandse belangen te dienen.

Dan wil ik ingaan op het belang van de economische diplomatie die door deze regering voluit is voortgezet. Toen het kabinet net aantrad, ging de grootste handelsmissie ooit naar Brazilië en ging Nederland samen met Vlaanderen naar Texas. Afgelopen week nog was onze premier in China en Indonesië. Naar het laatste land gingen zo'n 100 bedrijven mee. Het is misschien aardig om te noemen dat het directe resultaat daarvan onder andere schijnt te zijn dat Nederlandse uien weer welkom zijn in de Indonesische nasi. Dat alleen al levert 35 miljoen euro per jaar op.

Het postennetwerk kan kleiner en efficiënter, concludeerden Rutte en Timmermans. De VVD heeft aangegeven hoe deze bezuiniging wat haar betreft zou kunnen worden uitgevoerd. Wij hebben geprobeerd om die keuze te maken. Wat de VVD betreft, zou er niet bezuinigd moeten worden op de consulaten, zoals het kabinet stelt. Laat ik dan ook beginnen met een compliment voor de Minister, want dat er nog zo veel geld gehaald kon worden uit de bedrijfsvoering hadden wij niet gedacht en dat zat ook niet in ons alternatieve voorstel. Ik zal daar eerlijk over zijn: de VVD koos ervoor om vooral te kijken naar ambassades rondom het Grote Merengebied en elders in Afrika, maar ook naar bijvoorbeeld Kabul, een buitengewoon dure ambassade, die de afgelopen jaren noodzakelijk was toen onze militaire presentie daar hoog was. Ik wil ook wel uitleggen waarom wij naar deze landen keken. Dit zijn namelijk landen waar Nederland vrijwel geen handel mee drijft, waar de hulp wordt afgebouwd en steeds vaker multilateraal wordt uitgedragen.

De VVD snapt heel goed dat er voor ons voorstel geen of onvoldoende draagvlak in de Kamer was. De Minister probeerde de bezuiniging op te vangen zonder posten te sluiten, maar door met name in te zetten op regionalisering, flexibilisering en het delen van kost en inwoning. Onze keuze was niet de keuze van het kabinet. Minister Timmermans kiest voor de kaasschaaf en, eerlijk is eerlijk, de VVD kiest voor het kaasmeisje. De handelsrelatie met Sudan bedraagt 8,6 miljoen, de handelsrelatie met Beieren bedraagt 35 miljard en groeit. De VVD wil dan ook consulaten openhouden in gebieden, landen en regio's waarvan zij denkt dat een consulaat daar noodzakelijk is voor onze economie en export. Uiteindelijk gaat het om het verdienmodel van Nederland op basis waarvan wij ook onze positie in de wereld hebben opgebouwd. Willen we die positie kunnen behouden, dan is het noodzakelijk dat we niet vergeten waar het verdienmodel zit.

De heer Omtzigt (CDA): Collega Ten Broeke spreekt lovende woorden over het bezoek van de Minister-President aan Texas. Het honorair consulaat in Houston staat op het lijstje om gesloten te worden. Kan de heer Ten Broeke daarmee instemmen of vindt hij, met ons, dat dat consulaat, in ieder geval in de vorm van een honorair consul, moet worden opengehouden? Het gaat om een miljardenmarkt.

De heer Ten Broeke (VVD): Bij mijn weten staat de honorair consul – het honorair consulaat, zoals de heer Omtzigt het noemt – in Houston niet op een lijstje. Er zou wellicht wel sprake kunnen zijn van een andere situatie. De heer Omtzigt vraagt mij of een consul-generaal, een honorair consul, daar nog steeds noodzakelijk is. Mijn antwoord is ja. Het overige, of er andere oorzaken zijn die ertoe leiden dat de heer Omtzigt in de veronderstelling verkeert dat het gehele consulaat of het gehele honorair consulschap daar gesloten wordt, laat ik graag aan de Minister om uit te leggen.

Voorzitter. VNO-NCW, de werkgeversorganisatie, heeft een groot nummer gemaakt van de bezuiniging op die posten. Volgens Bernard Wientjes ging het om «de ergste» bezuiniging van allemaal. Toen tijdens de hoorzitting aan Wientjes werd gevraagd of hij bereid was om, indachtig het voorstel van de heer Van Bommel, mee te betalen aan het postennetwerk, kwam er een opening. Hij zei dat hij daar in principe toe bereid was. De VVD vindt meebetalen niet helemaal onbillijk omdat burgers ook betalen voor consulaire dienstverlening. Waarom zou het bedrijfsleven dat dan niet hoeven te doen? Voor quickscans gebeurt het al, maar ook voor het afleggen van bedrijfsbezoeken, matchmaking of interventies ten gunste van bedrijven, zou het voorbeeld van Denemarken en andere Scandinavische landen gevolgd moeten kunnen worden. De VVD wil dat de regering in gesprek gaat met het bedrijfsleven om te bekijken welke mogelijkheden er daarvoor zijn. Heeft dat gesprek wellicht al plaatsgevonden? Wat heeft het dan opgeleverd? Het moet natuurlijk niet aanbodgestuurd zijn, het moet een vraaggestuurde oplossing worden. De VVD vindt een kostendekkende bijdrage van het bedrijfsleven aan sommige vormen van dienstverlening gerechtvaardigd, maar niet op alle. Heeft het ministerie een idee waar de cesuur kan worden gelegd? Als hij dat niet heeft, hebben wij daar nog wel ideeën over. Bedrijven profiteren van de economische diplomatie van het postennetwerk. Dus is het niet meer dan logisch dat we ook kijken naar de sluiting van die consulaten.

Bij de hervorming van het postennetwerk dient niet alleen naar geld gekeken te worden, het postennetwerk dient ook efficiënter te gaan werken. Op aandringen van de VVD hoeven mensen bijvoorbeeld minder vaak een paspoort aan te vragen. Nu moet dat nog eenmaal per vijf jaar en dat wordt eenmaal per tien jaar. Kan de Minister aangeven of het mogelijk gemaakt gaat worden om reisdocumenten en andere documenten op andere plekken op te halen dan bij ambassades en consulaten? Wat mij betreft zou je in dit kader bijvoorbeeld naar TNT kunnen kijken en naar bedrijven die gecertificeerd of met elektronische handtekeningen werken. Ziet de Minister mogelijkheden om wetgeving daartoe mogelijk te maken? Ik neem aan dat hij daarover moet spreken met collega's in het kabinet, maar ik vind dat we die modernisering niet moeten afhouden.

Op welke manier denkt de Minister invulling te geven aan de aanbeveling om meer regionaal te gaan werken en niet de dienstauto en de residentie direct te koppelen aan de functie van de ambassadeur? Ziet de Minister hier, net als de VVD dat doet, mogelijkheden om de diplomatieke vertegenwoordiging op een breed en hoogwaardig niveau te houden?

In het regeerakkoord is opgenomen dat Buitenlandse Zaken onder de Algemene Bestuursdienst komt te vallen. Hierdoor moet het gemakkelijker worden voor hoge ambtenaren om ambassadeur te worden. Het is goed om naast beroepsdiplomaten ook andere mensen, met specifieke kennis over economische sectoren, in de diplomatieke dienst op te nemen. Op den duur behoren alle leden van de ABD relevante internationale ervaring te hebben. Vaak zal dit neerkomen op ervaring in Brussel of bij een internationale organisatie. Wij zijn daar voorstander van. Andersom willen wij geen ambassadeur zonder Haags netwerk. Je mag over enkele jaren toch echt wel verlangen dat ambassadeurs een of meerdere periodes op een ander ministerie hebben gezeten. Wij gunnen andere departementen ook de goede ambtenaren en goede diplomaten van Buitenlandse Zaken. Ik heb er hier al eens eentje genoemd, dat zal ik niet nogmaals doen, maar ik ben ooit in Uruzgan iemand tegengekomen, de Polad van ik geloof de TFU-7, dus dan kunt u zelf wel nagaan wie dat was. Ik was zeer van die persoon onder de indruk. Ik denk dat een aantal grote projecten in dit land aanzienlijk beter zou zijn verlopen als we zulke types ook aan andere ministeries zouden gunnen. Ziet de Minister mogelijkheden om dit te betrekken bij het uitvoeren van de aanbevelingen over het opleiden van diplomaten, zoals de commissie-Docters van Leeuwen betoogt?

De heer De Roon (PVV): Voorzitter. Penny wise, pound foolish, een uitdrukking die we natuurlijk in allerlei verbanden kennen, maar die ook van toepassing leek te zijn op de bezuinigingsronde op het postennetwerk. Mijn fractie vindt het in ieder geval onbegrijpelijk dat er was ingezet op sluiting van vijf consulaten-generaal in landen waar we juist geld verdienen. Uit de bewoordingen van de Minister is het voor mij nog totaal onduidelijk hoeveel die voorgenomen sluiting van die consulaten-generaal ons nou eigenlijk zou gaan opleveren. Er is sprake van jaarlijks 7,5 miljoen euro aan exploitatiekosten die je kunt wegstrepen, maar die taken zullen dan toch alsnog moeten worden uitgevoerd, dus je kun ze in wezen niet zomaar wegstrepen.

Die consulaten-generaal functioneren in economisch sterke regio's. Het zijn verkoopkantoren die zich terugverdienen voor de bv Nederland. De zakenwereld, de economische gemeenschappen, verzette zich dan ook hevig tegen deze sluiting. Ook de ANWB heeft stevige kritiek geuit op de voorgenomen sluiting van het consulaat-generaal van het ook door veel Nederlanders gefrequenteerde verkeersknooppunt München. Ik verneem graag nog een reactie van de Minister op die kritiek van de ANWB. Ook de werkgeversorganisatie VNO-NCW is fel gekant tegen sluiting van de consulaten-generaal, zozeer zelfs dat zij heeft aangeboden de portemonnee te zullen trekken voor het behoud ervan. Kan de Minister op dit voorstel ingaan?

De PVV is van mening dat Nederland anno 2013, in ieder geval onze regering anno 2013, zich nog steeds te veel blindstaart op het geven van ontwikkelingshulp. Veel ambassades zijn nog ingericht als een soort ontwikkelingshulpenclaves. Dat maakt ze duur en inefficiënt. Wat de PVV betreft is het beter op het postennetwerk te bezuinigen door ambassades te laten stoppen met ontwikkelingshulpactiviteiten. Dat geldt nog des temeer in de gevaarlijke hoogrisicolanden, waar we ook nog eens diep in de buidel moeten tasten voor de beveiliging van al dat OS-personeel.

De PVV is verheugd dat het kabinet wil bezuinigen door de verkoop van dure kanselarijen en residenties. Maar we vinden het te gek voor woorden dat Nederland zich in allerlei creatieve bochten moet wringen om tot bezuinigingen te kunnen komen terwijl de Europese Unie jaarlijks maar liefst 500 miljoen euro uitgeeft aan de Europese diplomatieke dienst. Het was toch de bedoeling dat de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) budgetneutraal zou zijn? Wij zien echter dat er maandelijks gigantische bedragen worden uitgegeven aan EU-diplomaten en hun peperdure privéwoningen. We hebben de Minister al eens op dit punt bevraagd en toen heeft hij aangegeven dat Nederland steeds heeft aangedrongen op budgetneutrale vormgeving van de EDEO. Onze vraag op dit moment is waarom EDEO sowieso niet budgetneutraal gebleven is. Dat was ons immers in het vooruitzicht gesteld toen we met die organisatie begonnen. Welke lidstaten vindt de Minister nu aan zijn zijde om de Europese diplomatieke dienst alsnog budgetneutraal te maken? Kan dat nog praktisch worden vormgegeven?

Wat de PVV betreft is EDEO een ongewenst instituut, dat alleen maar in het leven is geroepen om melkertbanen voor Eurofielen te creëren. De regering geeft zelf aan dat er op die EDEO-posten veel nationale belangen spelen die helemaal niet stroken met algemene Europese belangen en dat dit de reden is dat EDEO helemaal geen taak heeft met betrekking tot handelsbevordering en consulaire taken. De regering komt tot de conclusie dat het, al met al, niet de verwachting is dat EDEO de komende jaren veel taken van lidstaten zal overnemen. Toch wordt er een bedrag van honderden miljoenen euro's in een extra kostenpost op de EU-begroting gestopt. EDEO dupliceert gewoon nationale ambassades en dat gaat gepaard met enorme kosten terwijl een en ander onze economie en de belastingbetaler niets oplevert. Ik maak ook melding van het feit dat er maar liefst 500 Europese luxepaarden zijn die op die EU-ambassades werken voor een salaris van € 312.000 per jaar. De enige juiste conclusie zou zijn om deze peperdure Europese kanselarijen te sluiten en EDEO op te doeken. Graag een reactie van de Minister.

We zijn verder verheugd om te lezen dat de regering de in 2002 ingestelde maatregel om maandelijks € 30 aan gedetineerden in landen buiten Europa over te maken, tegen het licht wil houden. Het gaat dan uiteraard om Nederlandse gedetineerden. Wat de PVV betreft geldt dat wie zich brandt, op de blaren moet zitten; daar hoeven onze belastingbetalers niet voor op te draaien. Ik vraag de Minister wel om rekening te houden met de situatie van gedetineerden die nog verdacht zijn, dus die nog niet zijn bestraft. Wat ons betreft moet voor die mensen de zaak anders worden bekeken dan bij personen die al veroordeeld zijn en die dus hun straf uitzitten in het buitenland.

Wij maken ons zorgen over het diplomatiek personeel op de Iraanse ambassade. Wij begrijpen sowieso niet waarom er een Iraanse militair attaché in ons land is. Wat ons betreft, mag hij verdwijnen. Hoewel ik geen aantallen kan produceren op dit moment, heb ik wel gehoord dat er ontzettend veel ambassadesecretarissen werkzaam zijn op die diplomatieke post van Iran in ons land. Kan de Minister voor ons preciseren hoeveel mensen daar eigenlijk werken? Wij vragen ons namelijk sterk af of die sterke bezetting op de Iraanse ambassade wel nodig is. Graag een reactie van de Minister.

Verder pleit de PVV voor het minimaliseren van diplomatieke banden met landen van de Organisatie van de Islamitische Conferentie (OIC) zolang die vasthouden aan de door hen ondertekende Caïro-verklaring waarin mensenrechten ondergeschikt worden gemaakt aan de sharia.

Tot slot nog een ander punt. Een ambassade is een vertegenwoordiging van Nederland in een ander land en is gevestigd in de stad waar de regering van dat land zich bevindt, aldus de Minister in antwoord op een van onze vragen. Ik wijs erop dat de regering van Israël zich bevindt in de stad Jeruzalem en dat het ondenkbaar is dat de regering van Israël ooit zal vertrekken uit de stad Jeruzalem, zelfs al zou er ooit een tweestatenoplossing komen. De PVV pleit ervoor om de historische buiging voor de Arabische druk ongedaan te maken en de vestigingsplaats van de Nederlandse ambassade in Israël in lijn te brengen met zowel de algemene regels betreffende de vestigingsplaats van ambassades die de Minister heeft geformuleerd alsook met de reality on the ground. Als onze ambassade van Tel Aviv wordt verhuisd naar Jeruzalem, kunnen de ruimtes die we in Tel Aviv gebruikten mooi dienen voor een extra consulaat of consulaat-generaal dat zich zal richten op potentiële handels- en investeringsbevordering met de tweede start-up natie van de wereld. Tel Aviv en omstreken worden immers niet voor niets «Silicon Wadi» genoemd, vergelijkbaar met Silicon Valley in de staat Californië.

De heer Ten Broeke (VVD): Nadat de heer Van Bommel al een gloedvol betoog had afgestoken voor de consulaten doet nu ook de heer De Roon dat, dus ik denk dat de heer Sjoerdsma aan het einde van deze avond heel tevreden kan kijken.

Ik heb een specifieke vraag aan de heer De Roon. Er zijn natuurlijk heel wat islamitische landen waar we consulaten hebben omdat we daar goed geld kunnen verdienen. Ik noem Dubai. De heer Van Bommel en ik zijn nogal geporteerd van onze vestiging in Arbil in het noorden van Irak. Wat doet de PVV eigenlijk met die consulaten, in dergelijke islamitische landen waar we geld kunnen verdienen? Moeten we daar uitbreiden? Moeten we er blijven? Een ander goed voorbeeld, overigens, is Indonesië.

De heer De Roon (PVV): Ik zou zeggen: laten wij eerst maar eens beginnen met het afbouwen van de omvang van ambassades in die OIC-landen. Uiteraard zie ik ook de verdiencapaciteit van consulaten in de landen waar de heer Ten Broeke op doelt. Die wil ik in eerste instantie niet aantasten, maar wel de opbouw van de diplomatieke banden.

De heer Ten Broeke (VVD): Nee, nu niet duiken.

De heer De Roon (PVV): Dit is gewoon mijn antwoord.

De heer Ten Broeke (VVD): Nee, kom op. Nu gewoon antwoord geven.

De voorzitter: Mijnheer Ten Broeke, u had niet het woord gekregen. Wilt u alstublieft wachten tot de heer De Roon zijn antwoord heeft gegeven?

Mijnheer De Roon, hebt u voldoende antwoord gegeven?

De heer De Roon (PVV): Jawel voorzitter.

De voorzitter: Dan kan de heer Ten Broeke zijn tweede interruptie plaatsen.

De heer Ten Broeke (VVD): Dit is toch geen antwoord van de heer De Roon? Ik heb een heel simpele vraag, namelijk wat we doen met de consulaten in de islamitische landen. Dan begint de heer De Roon over de ambassades die we moeten afbouwen. Ik heb het over consulaten die in islamitische landen aanwezig zijn en waar we veel geld kunnen verdienen, tenminste, als we ons een beetje netjes gedragen.

De voorzitter: Uw vraag is duidelijk. Ga uw gang, mijnheer De Roon.

De heer De Roon (PVV): Het antwoord blijft: laten we maar eens beginnen met het afbouwen van onze diplomatieke posten in de vorm van ambassades. We zullen zien wat dat voor reacties oplevert uit die wereld en dan kunnen we kijken hoe we daarmee verdergaan.

De heer Servaes (PvdA): Voorzitter. Nu de heer De Roon toch nog met wat humor afsluit, wil ik ook maar met wat humor over de diplomatie beginnen. Er is in de geschiedenis veel gezegd over de diplomatie. Soms is dat geestig, zoals diplomatie als «de kunst van tegen iemand zeggen «loop naar de hel» op zo'n manier dat hij nog uitkijkt naar die reis ook». Soms is het ook minder geslaagd: diplomatie als «rustiek tijdverdrijf». Wat mij betreft is diplomatie vooral een vak, een prachtig vak, wellicht zelfs het mooiste vak, al weet ik dat sinds mijn overstap naar de Tweede Kamer niet helemaal zeker meer ...

Dat diplomatie een vak is, is de laatste jaren wellicht onvoldoende onderkend, stelt ook de commissie-Docters van Leeuwen. Diplomatie is essentieel om Nederlandse belangen en waarden wereldwijd uit te dragen. Aanwezig zijn in het buitenland hoort bij een land dat met het gezicht naar de wereld staat. Immers, onze ambassades en consulaten zijn de ogen en oren van een klein land in een grote wereld, steunpunten voor landgenoten in den vreemde, de buitendienst voor de bv Nederland en onmisbare schakels bij het realiseren van onze idealen op het terrein van vrede, veiligheid, mensenrechten en ontwikkeling.

Diplomatie is ook een vak dat niet altijd zonder risico's is. Denk aan de politiek adviseurs die meereisden op missies naar Irak en Afghanistan en die straks wellicht ook zullen meereizen naar Mali. Denk aan de mensen die onder pittige omstandigheden posten als Bagdad en Sanaa draaiende houden. En denk aan hen die met risico's geconfronteerd worden waar zij dat niet eens direct hadden verwacht, zoals onlangs nog in Moskou. Diplomaten verdienen, met andere woorden, onze aandacht en respect, al hoeft dat niet eens altijd expliciet. Een Minister die het niet heeft over zijn «medewerkers» maar over zijn «collega's» of die op reis niet alleen de lokale autoriteiten bezoekt, maar ook belangstelling toont voor de ploeg achter de ambassadeur; die zaken maken vaak al het verschil.

Vandaag spreken wij over de vraag wat nodig is om de Nederlandse diplomatie ook in de toekomst in een snel veranderende wereld optimaal te laten functioneren. De PvdA-fractie steunt de lijn zoals verwoord in de nota Modernisering Nederlandse diplomatie. Ik zal deze nota bespreken op basis van drie uitgangspunten: het behoud van een zo breed mogelijke voetafdruk in de wereld, de best mogelijke dienstverlening voor Nederlandse bedrijven en burgers en de moderne organisatie, flexibel, open en professioneel.

Wellicht het belangrijkste uitgangspunt is dat aanwezigheid nodig is om het verschil te maken. We moeten niet alleen vertrouwen op de rondreizende laptopambassadeur – of heten die alweer anders? – maar investeren in mensen, in netwerken en in duurzame relaties. Geen nieuwe sluitingen van ambassades, dus. De Nederlandse voetafdruk in de wereld dient zo veel mogelijk behouden te blijven. Juist daarom steunt ook mijn partij het initiatief van collega Sjoerdsma om de bezuinigingen op het postennetwerk zo veel mogelijk te verzachten, zodat vrijwel alle consulaten-generaal openblijven, München, Chicago, Antwerpen en Milaan, en zodat er voldoende menskracht op bestaande posten blijft en er ruimte komt om in te spelen op nieuwe kansen. Wij geven de Minister graag de ruimte om, de eindconclusies van Docters van Leeuwen meewegend, invulling te geven aan deze wens van de Kamer.

De heer Van Bommel (SP): De heer Servaes begon met lof aan de Minister en steun voor de uitgangspunten. Nu spreekt hij echter in eerste termijn al zijn steun uit voor een voorstel waarvan wij de inhoud nog niet kennen, anders dan van Teletekst en een mailwisseling et cetera op het ministerie. Als de heer Servaes nu al zijn steun daarvoor uitspreekt, moet hij toch eigenlijk zeggen dat de Minister een slecht voorstel aan de Kamer heeft gedaan? Dat voorstel van de Minister staat volgens mij nu nog overeind, omdat ik nog geen concreet voorstel heb gezien van de geachte collega Sjoerdsma anders dan op Teletekst en in mailtjes die voorbij zijn gekomen. De Minister heeft dat voorstel niet gedaan. Het is van tweeën een: of hij vindt dat collega Sjoerdsma een uitstekend voorstel gaat doen of hij vindt het voorstel van de Minister uitstekend, maar ze kunnen niet allebei uitstekend zijn. Is hij niet teleurgesteld in de Minister?

De heer Servaes (PvdA): Ik zal proberen om collega Van Bommel uit te leggen dat het wel allebei waar kan zijn. Ik zei namelijk: geen nieuwe ambassades sluiten. Dat is precies wat de Minister voorstelt: er worden geen nieuwe ambassades gesloten. Het voorstel was inderdaad om wel een aantal consulaten-generaal te sluiten. Daarvan zegt mijn partij: houd die waar mogelijk open; ik heb deze vier genoemd. Het is inderdaad allebei waar. Ambassades blijven open, precies zoals de Minister heeft voorgesteld. Als wij de bezuinigingen op het postennetwerk ook voor de consulaten kunnen verzachten, heeft dat mijn steun.

De heer Van Bommel (SP): De heer Servaes heeft dus de heer Sjoerdsma nodig gehad om te komen tot een goede beoordeling van de plannen van de Minister. Hoewel hij aanvankelijk de plannen van de Minister fantastisch vond, blijkt hij nu het voorstel van de heer Sjoerdsma nog beter te vinden dan dat van de Minister. Dat is toch wel heel wonderlijk.

De heer Servaes (PvdA): De wondere wereld van collega Van Bommel is toch wat minder ingewikkeld dan hij nu schetst. De commissie voor Buitenlandse Zaken heeft collectief een hoorzitting georganiseerd over het postennetwerk. Ik heb namens mijn fractie in die hoorzitting al voorgesteld om te bekijken of het mogelijk is om toch een aantal van die sluitingen te voorkomen. Wij hebben toen expliciet aan de werkgevers, vertegenwoordigd door de heer Wientjes, gevraagd: hoe ziet u dat en bent u bereid daaraan bij te dragen? Sindsdien zijn meerdere partijen bij elkaar gaan zitten om te bekijken of er iets mogelijk is. Als dit het resultaat is en als meerdere partijen zich daarbij aansluiten, ben ik daar heel blij mee. Dat versterkt alleen maar de lof die ik voor de notitie heb, want die gaat veel verder dan alleen deze consulaten-generaal. Ik hoop dat het hiermee duidelijk is. Wij komen er ongetwijfeld dadelijk nog op terug.

Dat er nieuwe kansen zijn, bleek vorige week nog in Birma, waar Minister Ploumen een handelskantoor opende. Het gaat hard in dat deel van Azië, maar ook in Latijns-Amerika en Afrika gebeurt veel. Veelzeggend is bijvoorbeeld dat van de 30 snelst groeiende economieën ter wereld er momenteel 15 in Afrika liggen. Het is dus belangrijk om ook daar aanwezig te zijn en alert te blijven.

Diplomatieke posten openen deuren voor Nederlandse bedrijven, vooral in lagere- en middeninkomenslanden. Het gaat goed, maar er is nog veel te winnen, zo schrijft ook de Minister, vooral voor het mkb, de motor van onze economie. In vergelijking met andere landen exporteert het Nederlands midden- en kleinbedrijf immers nog relatief weinig. De Partij van de Arbeid heeft hierover een aantal vragen. Heeft de Minister de indruk dat het mkb voldoende op de hoogte is van de ondersteuning die de posten kunnen bieden? Hoe verloopt deze informatievoorziening? Is het niet zo dat mkb'ers zich vaak tot lokale Kamers van Koophandel richten en dus niet zo snel bij de posten zelf terechtkomen? Welke voornemens zijn er om deze informatievoorziening en de samenwerking tussen posten, Agentschap NL, Kamers van Koophandel en ook private handelsbevorderende partijen te verbeteren?

Ook mijn fractie is voorstander van het laten meebetalen van bedrijven aan de economische dienstverlening die zij ontvangen van de posten. Voor wat hoort wat. Op beperkte schaal doen bedrijven dit al, maar de PvdA wil de mogelijkheden voor een grote bijdrage onderzoeken. Er ligt een duidelijk aanbod van VNO-NCW dat nu uitgewerkt moet worden, bijvoorbeeld op basis van het Deense model of door introductie van publiek-private samenwerking. Welke mogelijkheden ziet de Minister, waar staat hij met zijn overleg met VNO-NCW en op welke termijn verwacht hij concrete initiatieven te kunnen presenteren?

Ter afsluiting van dit blokje vraag ik aandacht voor een specifieke groep Nederlandse burgers in het buitenland, de gedetineerden. De Minister schrijft over het bezoeken en begeleiden van gedetineerden dat hij doelmatiger wil werken door meer te variëren. Op zichzelf kan ik mij dat goed voorstellen. Ik herinner mij bijvoorbeeld een Nederlander in het Verenigd Koninkrijk die gevangenzat op het eiland Man en tweemaal per jaar bezocht moest worden. Tweemaal per jaar was een medewerker een dag kwijt voor de heen- en terugreis, maar het meest frustrerende van dit alles was dat de man keer op keer zei geen behoefte te hebben aan bezoek. Dat was dus niet erg nuttig. Het is goed om eens kritisch te kijken naar de regeling, maar natuurlijk wel op basis van goede afwegingen. Op welke begeleiding van de overheid hebben Nederlandse gedetineerden in het buitenland eigenlijk recht en op welke wijze wil de Minister gaan variëren in bezoek en begeleiding?

Tot slot kom ik bij de organisatie. Als geen ander departement moet Buitenlandse Zaken zich aanpassen aan een veranderende omgeving. Het moet open, flexibel en professioneel zijn. Laat ik er overigens wel bij zeggen dat mijn fractie de precieze inrichting en aansturing van het ministerie in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de Minister zelf acht, en onder zijn politieke leiding van de ambtelijke top. De Kamer controleert vooral de output, de kwaliteit van de besluitvorming en die van de dienstverlening. Desalniettemin doet Docters van Leeuwen een aantal concrete aanbevelingen, om te beginnen over een open organisatie die transparant is.

Over het gebruik van social media hoeven wij deze Minister niets uit te leggen. Gelukkig melden ook steeds meer diplomaten zich op Facebook en Twitter. Zelfs nog tijdens dit debat mocht ik feedback ontvangen. Het belangrijkste is dat zij de ruimte en het vertrouwen krijgen om met deze nieuwe communicatiemiddelen aan de slag te gaan. Een mooi voorbeeld daarvan vond ik de manier waarop de ambassade in Nairobi tijdens de recente aanvallen op het winkelcentrum Westgate in Kenia informatie verspreidde over de situatie. Ik deel het oordeel van de Minister dat voor een dialoog met de samenleving geen vaste instituten als een raad, zoals gesuggereerd door Docters van Leeuwen, nodig zijn. In de brief staat wel dat de Minister een paar keer per jaar een dialoog wil organiseren. Ik vraag mij af wat precies wordt bedoeld met deze dialoog. Hebben deze bijeenkomsten al plaatsgevonden en zo ja, wat hebben ze opgeleverd?

Een open organisatie krijg je ook door uitwisseling te organiseren met de andere departementen, met het bedrijfsleven en met maatschappelijke organisaties. Mijn fractie juicht die uitwisseling toe, al moet de kwaliteit van mensen altijd vooropstaan. Wanneer verwacht de Minister het extra advies dat is aangevraagd bij Docters van Leeuwen over samenwerking van Buitenlandse Zaken met de Algemene Bestuursdienst? Deelt hij de mening van de PvdA-fractie dat uitwisseling gestimuleerd en gefaciliteerd moet worden, maar dat kwaliteit leidend is? Is er overigens niet allang sprake van meer samenwerking tussen departementen op de posten, getuige de toename van het aantal vakattachés? Was de verhouding tussen vakattachés en BuZa-diplomaten eind jaren negentig nog een op zes, nu is die al een op vier en volgens een prognose zal die in 2018 zelfs een op twee zijn. Op welke manier wil de Minister de uitwisseling van diplomaten met het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties verder stimuleren?

De flexibilisering van Buitenlandse Zaken is eigenlijk al in volle gang met het regionaliseren van taken en het verkleinen van het kerndepartement. Hoe verloopt deze flexibilisering tot nu toe? Tot welke keuzes heeft de afslanking met name op het kerndepartement geleid?

De Minister schrijft in zijn brief ook specifiek naar dure posten als Kabul en Sanaa te kijken en de vorm van presentie daar te heroverwegen. Wat moet ik mij daarbij precies voorstellen? Tot welke maatregelen heeft dit geleid en met welk financieel effect?

Voor een professionele organisatie is goede opleiding en bijscholing essentieel. De Minister stelt dat de door Docters van Leeuwen voorgestelde diplomatieke academie wegens geldgebrek vooralsnog niet van de grond zal komen. Zijn er andere, wellicht minder kostbare methoden om de opleidingsmogelijkheden voor diplomaten verder te verbeteren? Naar welke voorbeelden uit andere landen wordt gekeken?

Ik rond af. De wereld verandert, de diplomatie verandert en zal blijven veranderen. Hoezeer wij er misschien verschillend over denken, over 25 of 50 jaar ziet ons postennetwerk er ongetwijfeld anders uit, want wie weet heeft een Europese diplomatieke dienst tegen die tijd echt vorm gekregen. Toen de Britse premier Lord Palmerston in 1860 voor het eerst een telegram in handen kreeg, zou hij gezegd hebben: My God, this is the end of diplomacy! Maar het bleek niet zo te zijn. Hetzelfde gold voor de introductie van de telefoon, van de televisie, van internet en van social media. Als het erop aankomt, zijn kennis, ervaring en goede contacten onmisbaar, zo bleek vorige week bij de Nederlandse handelsmissie naar China en Indonesië. Hoe belangrijk diplomatie is, bleek dit weekend ook in een klein vergaderzaaltje in Genève.

De heer Omtzigt (CDA): Voorzitter. Bij het laatste kan ik mij aansluiten. Ik dacht dat collega Servaes vergeten was Colombia te noemen.

Wij spreken over een buitengewoon belangrijk onderdeel van ons netwerk, de Nederlandse diplomatieke dienst. Wij zijn een van de grootste handelsnaties ter wereld, de tweede agrarische exporteur ter wereld. Het is belangrijk om overal goed aanwezig te zijn. De opgave die nu voorligt, een bezuiniging van ongeveer 20% op het diplomatieke netwerk, is dan ook zeer fors. Wij snappen een aantal keuzes die de Minister daarin maakt om alle grote ambassades te vragen welke zaken anders kunnen, hoe ze beter ingericht kunnen worden en dat allemaal tegen het licht te houden. VNO-NCW klaagde hier in een hoorzitting steen en been. Zij vroeg aan ons of zij met een alternatief mocht komen. Is VNO-NCW met de Minister in overleg getreden en is er een alternatief gekomen voor de betaling voor diplomatieke diensten? Of heeft VNO-NCW alleen hier iets verteld en is ze niet met een voorstel gekomen?

Ik heb een heleboel vragen over de consulaten-generaal, maar die schijnen al gered te zijn. Wel heb ik nog een vraag aan de Minister, aangezien mijn collega's die niet willen beantwoorden. Wanneer hoorde de Minister voor het eerst van het geniale plan van de coalitie en hoe beoordeelt hij dit plan? Oftewel, heeft hij voor het debat over dit plan gehoord of is dit plan ook voor hem nieuw uit de media? Laat ik volstrekt helder zijn. Als een meerderheid van de Kamer dit plan wil veranderen, kan dat. De collega's hebben dat recht. Daar heb ik geen enkele moeite mee. Het zou echter fijn zijn als zij het tijdig op tafel leggen, zodat wij kunnen zien welke ambassades en welke consulaten eronder vallen. Dat komt het debat ten goede.

De CDA-fractie hoort graag wat de heroverweging van Sanaa en Kabul uiteindelijk heeft opgeleverd. Verplaatsen wij de kosten naar een ander ministerie, BuHa-OS of iets dergelijks? Of zeggen wij functioneel: deze posten, dik 25 miljoen per jaar, zijn veel duurder dan al die andere posten; aangezien wij daar geen belang meer hebben, hebben wij ze niet meer zo hard nodig? Kunnen wij daar niet fors bezuinigen en andere posten openlaten? Graag horen wij van de Minister hoe hij tegen die twee posten aankijkt.

Wat ons betreft, had het een onsje minder gemogen. Wij zien dat er in Nederland veel meer diplomaten zitten – kijk alleen al in Den Haag; als je dagelijks naar het nieuws kijkt, kom je allemaal ambassades tegen – dan wij in het buitenland hebben. Maar goed, de keuze is hier gemaakt, maar die wordt nu weer gedeeltelijk teruggedraaid. Mijn probleem blijft: over welk plan spreken wij?

Ik kom bij het Deense model, dat al is aangehaald door collega Ten Broeke. Ik kom zo bij de kostendekkende tarieven voor de paspoorten. Het is wel heel interessant dat als je een kostendekkend tarief vraagt voor een paspoort, je voor een aantal vrij grote diensten die een ambassade verleent geen enkel tarief in rekening brengt, juist aan een groep die zegt dat ze de diplomatieke posten het hardst nodig heeft. Hoe ver is de regering op dit moment met de uitwerking van een plan om het bedrijfsleven te vragen heel precies te betalen voor datgene wat het krijgt?

Het CDA heeft grote twijfels of het verstandig en wijs is om de visumverstrekking uit te besteden en een groot deel daarvan aan een buitenlands bedrijf over te laten. Zou het niet handiger zijn om deze kerntaak, het al dan niet toelaten van mensen tot Nederland, zo veel mogelijk binnen de Nederlandse overheid te laten plaatsvinden? Er zijn hele debatten in de Kamer over de vraag of het schoonmaken een kerntaak is. Wat het CDA betreft, is het al dan niet toelaten van mensen tot Nederland zeker een kerntaak van de overheid.

Mijn vraag over Houston heb ik al gesteld. Ik ben benieuwd wat er met de honorair consulaten en de Netherlands Business Support Offices (NBSO's) gebeurt. Ik krijg graag een lijstje van de posten die nu dichtgaan.

Ik kom bij de paspoorten. Wat is de kostendekkende prijs van een paspoort, als het straks moet worden opgehaald bij een diplomatieke post? Dat is een heel belangrijke vraag, omdat veel mensen daarvan afhankelijk zullen zijn. Zal de verschijningsplicht bij de aanvraag of het ophalen vervallen of moeten mensen straks, als zij het paspoort niet meer bij de consulaten kunnen ophalen, twee keer ontzettend ver reizen of toevallig een reis maken naar Schiphol? Overigens is het goed dat het daar beschikbaar wordt.

De collega's hebben al gesproken over de consulaire bijstand voor gevangenen. Heeft de regering ook nagedacht over oplossingen waarbij het bezoekwerk ook goed kan worden gedaan door bijvoorbeeld lokale krachten of ngo's? Ik sluit op dit punt aan bij collega De Roon; het was een van de weinige stukken van zijn betoog waarmee ik het eens was. Zeker wanneer mensen nog als verdachte vastzitten in het buitenland, is het belangrijk dat zij toegang hebben tot iemand die hen wegwijs kan maken in het juridische proces in dat land. Je zult maar opgepakt worden. Adequate consulaire bijstand is van belang. Ik daag de regering uit om aan te geven hoe zij omgaat met consulaire bijstand aan mensen die een Nederlands en een ander paspoort hebben, als dat andere land het Nederlandse paspoort niet erkent en je in dat land wordt opgepakt. Ik denk aan landen als Iran, Turkije, Argentinië en Marokko. Kunnen wij die gevangenen bezoeken en moeten wij niet meer toegang tot hen hebben?

Tot slot vraag ik of Minister Timmermans vindt dat hij ook na de bezuinigingen met recht kan blijven zeggen dat Nederland het beste diplomatieke netwerk ter wereld moet hebben en heeft.

De heer Sjoerdsma (D66): Voorzitter. Wat ooit ver weg was, komt steeds dichterbij. Met die tekst probeert het Ministerie van Buitenlandse Zaken de beste mensen te werven. En inderdaad, de wereld komt steeds dichterbij. De uitdagingen waarmee wij te maken krijgen, zijn steeds vaker grensoverschrijdend, mondiaal. Echter, het paradoxale is dat juist in deze tijd waarin het buitenland zich meer dan ooit doet gelden hier in Nederland, juist in deze tijd waarin een effectief buitenlandbeleid urgenter is dan ooit, de diplomatieke dienst onder grote druk staat. Dat komt door twee kabinetten-Rutte. De schade sinds 2011: zeven ambassades dicht, vijf consulaten gaan dicht, grote posten krijgen de kaasschaaf, terwijl de helft van de posten nog maar bestaat uit een of twee personen. De wereld komt misschien dichterbij, maar Buitenlandse Zaken kan zijn wervingscampagne zo langzamerhand wel stoppen.

Deze Minister wil de beste diplomatieke dienst ter wereld. Dat wil D66 ook, om de Nederlandse stem op het wereldtoneel luid en duidelijk te laten klinken, om onze handelsbelangen veilig te stellen en om onze idealen te verdedigen. Dat bereiken wij echter niet door bezuinigingen te vermommen als modernisering. Rutte I vroeg advies aan een commissie van wijzen. Die zei dat er geïnvesteerd moest worden, maar daar moest Rutte II niets van weten. Tijdens de formatie werd besloten extra te bezuinigen op het toch al fragiele postennetwerk: 20 miljoen eraf in 2014 en 40 miljoen in de jaren daarna. U kent het wel, voorzitter. Het zou dynamischer worden, meer met minder. D66 vindt dat niet wenselijk. Een klein land heeft nu eenmaal veel buitenland. Diplomatie is voor ons van levensbelang. Wij liepen altijd voorop. In 1600 arriveert het schip De Liefde in Japan, Jacques Groenewegen biedt zijn geloofsbrieven aan en tweeënhalve eeuw lang mag alleen Nederland in Japan handel drijven. In het jaar 1776, met elf saluutschoten, erkenden wij als eersten de Verenigde Staten als onafhankelijk land en zes jaar later werd het huis van John Adams hier aan de Fluwelen Burgwal de eerste ambassade van de Verenigde Staten op de hele wereld. Keer op keer waren wij nummer één.

Het is er sindsdien absoluut niet rustiger op geworden. Buitenlandse Zaken geeft jaarlijks 400.000 visa af, adviseert Nederlanders waar zij heen kunnen reizen, helpt bedrijven aan opdrachten, helpt familie bij gijzelingen, 24 uur per dag op meer dan 100 posten. Niks rustiek tijdverdrijf! Daarom wil D66 de bezuinigingen op de posten structureel halveren. Wij moeten op zo veel mogelijk plekken fysiek aanwezig zijn. Dat zegt de commissie-Docters van Leeuwen en dat zegt ook Bernard Wientjes, die stelt dat deze sluitingen onbegrijpelijk, onverantwoord en ongelooflijk slecht zijn voor Nederland. D66 wil in ieder geval München, Antwerpen, Chicago en Milaan openhouden. Ze liggen op cruciale plekken in de top zes van onze grootste exportlanden. Milaan is het episch centrum van de economie in Italië, met Beieren handelen wij jaarlijks voor 23 miljard euro, Antwerpen krijgt jaarlijks honderden handelsaanvragen en Chicago is de derde stad van Amerika, de toegangspoort tot het Middenwesten. Sluit deze consulaten niet.

D66 wil ook de algemene kaasschaaf verzachten, zodat onze invloed bij organisaties als de VN op peil blijft, we op sterkte blijven bij belangrijke partners en we overal aandacht kunnen blijven besteden aan mensenrechten.

Tot slot wil D66 dat Nederland snel en flexibel kan inspelen op kansen in opkomende markten. «Je ne parle pas fromage», zei Eelco van Kleffens. «Ik praat geen kaas», zei de befaamde diplomaat. Hij vond economische diplomatie maar niks. Dat sentiment is gelukkig passé, maar we moeten wel investeren om kansen te pakken, of dat nu in Panama of China, in Moldavië of Kenia is.

De heer Ten Broeke (VVD): Ik neem aan dat de heer Sjoerdsma straks nog aan zijn dankbare voorstel toekomt. Kan hij echter nu al ingaan op het ontbreken van feitelijkheden in zijn eigen betoog? In Arbil is toch iets geopend, evenals in Panama, waarover hij zojuist in zijn laatste zin sprak? In Chongqing is er toch een extra NBSO bij gekomen? Voor de ambassades in de Noord-Afrikaanse regio, waar ook wel van een Arabische Lente wordt gesproken, is er toch extra personeel en geld gekomen? Ontkent de heer Sjoerdsma dat allemaal? Hoe ziet hij dat in verhouding tot zijn betoog over zowel het vorige als het huidige kabinet? Het is evident dat de regering ook diplomaten laat bijdragen aan het herstel van Nederland. Vindt hij niet dat dit een beetje in schril contrast staat met het beeld dat hij hier probeert te schetsen? Kan hij daarop ingaan, alvorens straks met een voorstel te komen waarvan hij hoopt dat hij daar nog een Kamermeerderheid voor krijgt?

De heer Sjoerdsma (D66): Volgens mij staat het een helemaal niet in schril contrast met het ander. Uitgaande van de cijfers en feitelijkheden waar de heer Ten Broeke over spreekt, het beleid van het kabinet-Rutte I en de plannen van Rutte II zou aan het eind van deze regeerperiode de diplomatieke dienst met maar liefst een kwart zijn geslonken. De heer Ten Broeke schudt van nee, maar dat schrijft de Minister in zijn eigen brief. De heer Ten Broeke wijst vervolgens op het feit dat er in Arbil en Panama iets geopend is. Dat klopt, maar volgens mij doet dat niets af aan het feit dat het nog steeds belangrijk is dat Nederland snel en flexibel kan inspelen op de opkomende markten. Ik zie niet hoe dat elkaar bijt. Volgens mij vinden de heer Ten Broeke en ik elkaar daar zeer in. Beide partijen, de VVD en D66, hechten aan de mogelijkheden om optimaal gebruik te maken van kansen in groeiende markten.

De heer Ten Broeke (VVD): Het is goed om te constateren dat ook de heer Sjoerdsma ziet dat we de kansen moeten pakken in opkomende markten. Ik noemde al Arbil in Noord-Irak, Panama – dat is een beetje het Singapore van Latijns-Amerika – en Chongqing. Onder Rutte II worden er geen posten gesloten met uitzondering van de consulaten-generaal, waar vandaag iedereen al iets over heeft gezegd, en waar de heer Sjoerdsma straks nog een voorstel voor gaat doen. Ik zou hem willen adviseren om zich daarop te concentreren en een eerlijk beeld te schetsen van de beide kabinetten Rutte I en II.

De heer Sjoerdsma (D66): Bij mijn beste weten doe ik dat. Ik noemde net de feitelijkheden. Ik noemde net hoezeer er door beide kabinetten-Rutte is en wordt gesneden in de diplomatieke diensten. In eerste instantie betrof dat het sluiten van netto zeven ambassades en in tweede instantie de plannen om vijf consulaten te sluiten. Dat zijn alleen de sluitingen. Dan heb ik het nog niet over de vraag hoe fragiel het ambassadenetwerk is geworden. Op dit moment, dus nog voordat de voorgenomen bezuinigingen zijn gerealiseerd, bestaat de helft van het ambassadenetwerk nog maar uit een- of tweepersoonsposten. Dat is heel dun. Zelfs in opkomende markten als Panama is de aanwezigheid van één persoon dun. Volgens mij probeert de heer Ten Broeke dus licht te zoeken tussen mij en zijn partij, terwijl dat er niet is.

Wat het voorstel betreft, heb ik net gezegd dat D66 graag de bezuinigingen op de posten structureel wil halveren. Dat geld moet in ieder geval gebruikt worden om vier consulaten open te houden, om te investeren in opkomende markten en om de bezuinigingen in algemene zin te verzachten.

De voorzitter: U vervolgt uw betoog.

De heer Sjoerdsma (D66): Ik had het over opkomende markten. In dat kader vraag ik de Minister in navolging van de heer Omtzigt of het klopt dat in Texas het NBSO en het honorair consulaat dichtgaan. De foto van de premier met de cowboyhoed was leuk, maar trekt hij daarna de deur achter zich dicht?

Investeren alleen is niet genoeg. Modernisering is cruciaal. Van diplomatie van de Staat naar diplomatie van de straat. Dat begint met open communicatie. Het is goed dat de Minister hier soepel mee omgaat. Hij heeft zijn diplomaten aangemoedigd zich niet in te houden. Het politieke risico is voor mij, zo sprak hij. Sindsdien zien wij diplomaten in het programma De Wereld Draait Door, twitteren ambassadeurs en wordt er geblogd vanuit Kabul. Dat is verfrissend, maar de luiken moeten ook in personele zin open. Buitenlandse Zaken is soms nog te veel een gesloten bolwerk. Ik vraag de Minister dus om meer mogelijkheden te creëren om wederzijds te detacheren bij bedrijven, ngo's en andere ministeries. Maak het mogelijk voor mensen die zelf ontslag nemen om op een gegeven moment weer te solliciteren. Zeker, als ze waardevolle ervaring, bijvoorbeeld in het bedrijfsleven hebben opgedaan.

In navolging van collega Ten Broeke vraag ik hoe het nu staat met de Algemene Bestuursdienst. In het regeerakkoord staat dat er per 1 januari 2013 geen speciale regels meer gelden voor BuZa-ambtenaren. Het besluit werd een jaar uitgesteld. Gaat het op 1 januari 2014 wel gebeuren?

De beste diplomatieke dienst valt en staat met de kwaliteiten van diplomaten. Dat zit in Nederland snor. Wel constateert Docters van Leeuwen dat de overplaatsingscyclus een heel zware wissel op die diplomaten trekt. Het duurt te lang, gezinnen lijden onder onzekerheid en te vaak gaat het nog om plekken vullen in plaats van de juiste vrouw of man op de juiste plek zetten.

Daarom doet D66 drie voorstellen:

  • Wil de Minister meer ruimte maken voor specialisatie op thema's en regio's? Nu doet een diplomaat eerst cultuur in Finland en daarna ontwapening in Genève. Eerst mensenrechten in Egypte en daarna opeens handel in Buenos Aires. Daardoor gaat af en toe waardevolle kennis en ervaring verloren.

  • Partners van diplomaten kunnen nog te vaak niet aan de slag in het buitenland. Wil de Minister in 2014 met zo veel mogelijk landen verdragen sluiten, zodat partners daar kunnen werken?

  • De personeelsdienst van Buitenlandse Zaken bestaat uit diplomaten en niet uit personeelsprofessionals. Gezien de problemen die Docters van Leeuwen bij die overplaatsingsronde constateert, vraag ik de Minister of dit wel de juiste vorm is voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Tot slot. Het is belangrijker dat wij ons postennetwerk zakelijker gaan benaderen. Daarvoor zijn cijfers en feiten belangrijk. Docters van Leeuwen adviseert een kosten-batenanalyse te laten uitvoeren. D66 steunt dat. Wil de Minister dit toezeggen? Het kan zakelijker door bijvoorbeeld de economische dienstverlening naar Deens model – het is vandaag al vaak genoemd – kostendekkender te maken. Wil de Minister samen met VNO-NCW onderzoeken hoe het bedrijfsleven meer kan bijdragen aan excellente dienstverlening?

Nederland moet wereldwijd thuis zijn, letterlijk en figuurlijk. D66 wil daarom graag samen met anderen de bezuiniging halveren. Zo houden wij in ieder geval vier consulaten open, investeren wij in groeimarkten en behoudt Nederland zijn invloed. Ook vraag ik om echte modernisering, zodat wij ook in de 21ste eeuw kunnen zeggen: Nederland loopt voorop en heeft een van de beste diplomatieke diensten ter wereld.

De heer Van Bommel (SP): Ik heb de heer Sjoerdsma vooral heel veel kritiek horen uiten op het beleid van de Minister en aan het eind van zijn betoog een aantal voorstellen horen doen waarin ik mij heel goed kan vinden. Ik voel dus ook meer voor de voorstellen van de heer Sjoerdsma dan voor die van de Minister. Ik heb zelf de plannen van de Minister op een belangrijk onderdeel penny wise, pound foolish genoemd; die uitdrukking heb ik vanavond meer mensen horen gebruiken. Maar hoe kwalificeert de heer Sjoerdsma het voorstel van de Minister? Daar ben ik wel benieuwd naar.

De heer Sjoerdsma (D66): Een verhelderende vraag aan de heer Van Bommel: welk voorstel van de Minister bedoelt hij? Bedoelt hij het allesomvattende plan of doelt hij op een specifiek onderdeel?

De heer Van Bommel (SP): Ik bedoel natuurlijk het geheel, de nota zoals die er ligt: de sluiting van de consulaten en een aantal andere voorstellen.

De heer Sjoerdsma (D66): Laat ik daarover een gekwalificeerd oordeel geven. Mijn partij is niet positief. Volgens mij zijn de meeste partijen in deze Kamer niet positief over het feit dat er nog meer geld af moet van onze diplomatieke dienst, terwijl de spoeling al zo dun is. Dat betreft de bezuinigingen op het postennet in het algemeen maar ook het sluiten van deze kansrijke handelsconsulaten. De Minister kan echter op mijn steun rekenen als het gaat om de ingezette modernisering: de manier waarop hij zijn ministerie wil vormgeven, waarop hij zijn ambassadenetwerk wil dirigeren en waarop hij wil samenwerken binnen zijn ministerie en op zoek is naar nieuwe samenwerkingsvormen, ook met andere landen.

De heer Omtzigt (CDA): Wanneer is het tegenplan ter sprake gekomen tijdens de onderhandelingen over het Herfstakkoord?

De heer Sjoerdsma (D66): De heer Omtzigt kent mijn partij als een partij die al heel lang warmloopt voor ambassades. Vanaf het moment dat de bezuinigingen duidelijk waren, hebben wij geprobeerd ze ongedaan te maken. De heer Omtzigt legt nu enorm veel nadruk op het proces, terwijl hij eigenlijk best wel tevreden is met het resultaat. Is het zo vreemd dat ik, om aan een meerderheid te komen, probeer met de coalitie op te trekken? Volgens mij heeft de heer Omtzigt eerder ook al met dat bijltje gehakt.

De heer Omtzigt (CDA): Nee, ik geef heel ruiterlijk toe: dat vind ik prima. Wie van tevoren in de Kamer een meerderheid weet te vinden voor een tegenvoorstel, krijgt van mij alle lof. Dat is geen enkel probleem, zo werkt dat hier. Het rare is echter dat de heer Sjoerdsma denkt dat ik het met hem eens ben. Dat kan ik echter pas beoordelen als dat plan op tafel ligt. Dat was precies wat ik zei: als je het aandurft om van tevoren een plan op tafel te leggen – waar ik inderdaad redelijk positief over kan zijn, aangezien ik in ieder geval dezelfde gevoelens heb bij het openhouden van Milaan, München en Chicago – dan kunnen we er ook over spreken. Maar nu komt het pas achteraf op tafel. Dus ik herhaal mijn vraag: is hierover overeenstemming bereikt tijdens de onderhandelingen over het Herfstakkoord? Dan weten we namelijk dat we nog meer dingen over het Herfstakkoord moeten vragen. Als er geen antwoord komt, ga ik er gewoon van uit dat het antwoord «ja» is.

De heer Sjoerdsma (D66): Zo ken ik er natuurlijk nog wel een paar! Telkens als een Kamerlid met een plan komt waar hij een meerderheid voor zou kunnen hebben, moet het desbetreffende Kamerlid dat voorafgaand aan het debat uitgebreid toelichten, zodat daar vervolgens verder over gesproken kan worden. Dat klopt natuurlijk als dit een voorstel van het kabinet zou zijn. Dan zouden we een brief van het kabinet moeten krijgen met uitgebreide uitleg over wat de bedoeling is. Nu ligt er een duidelijke brief van het kabinet met duidelijke plannen over voorgenomen bezuinigingen met daarop een antwoord van mij waarin ik stel het niet eens te zijn met een deel van de financiële bezuinigingen, maar wel met de inhoudelijke invulling van de hervormingen. Volgens mij is dit hoe het werkt in de Kamer, in ieder geval hoe ik dat in het afgelopen anderhalf jaar heb meegemaakt. Als de heer Omtzigt dat anders ziet, dan kijk ik uit naar alle plannen die hij heeft en die hij van tevoren in deze commissie zal presenteren, waarna we er een debat over zullen voeren.

De voorzitter: Hiermee zijn wij gekomen aan het einde van de inbreng van de Kamer in eerste termijn.

De vergadering wordt van 19.50 uur tot 19.55 uur geschorst.

De voorzitter: Het woord is aan de Minister van Buitenlandse Zaken voor de beantwoording in eerste termijn. De leden mogen drie interrupties per persoon plegen.

Minister Timmermans: Voorzitter. Ik dank de Kamer voor haar inbreng in eerste termijn en voor de vele positieve en opbouwende opmerkingen aan het adres van mijn collega's in Den Haag en wereldwijd. Ik denk dat mijn collega's die complimenten ook verdienen. Ik ben nu een jaar bezig. In die tijd heb ik veel ambassades gezien en veel mogen werken met onze mensen over de hele wereld en onze mensen in Den Haag, die dat werk ondersteunen. Ik moet zeggen dat er keihard wordt gewerkt, veel harder dan je normaal gesproken in een cao zou afspreken, omdat men toegewijd is en gelooft in de kracht van diplomatie en het bevorderen van de belangen van Nederland wereldwijd. Men gelooft ook in de mensenrechtenbevordering, in de internationale rechtsorde, in het promoten van de Nederlandse zakelijke belangen en in het beschermen van de consulaire belangen van Nederlanders overal ter wereld. Men werkt daar keihard voor. Dat doen we onder omstandigheden die we allemaal kennen, hoe we er vandaag ook over denken en wat we vandaag ook van deze plannen vinden.

Onder deze omstandigheden kan de Nederlandse overheid het zich in de toekomst niet permitteren om groter te worden. Ik denk niet dat dat een ideologisch of partijpolitiek getint verhaal is. Gezien de uitdagingen waarvoor de samenleving staat, ons groeivermogen op de lange termijn en de wijze waarop wij de crisis moeten verwerken die over ons is uitgestort, lijkt het mij redelijk om samen vast te stellen dat er voor de toekomst minder middelen beschikbaar zullen zijn voor de financiering van de overheid. De samenleving kan het gewoon niet dragen als het onze primaire doelstelling is om economisch herstel te bevorderen en die zaken te handhaven die we in een verzorgingsstaat belangrijk vinden. Dus is de overheid gedwongen om zuinig om te springen met de belastingmiddelen en om te bekijken waar het minder kan. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt daar ook toe gedwongen.

Of we dat nou vandaag doen of over een aantal jaren, ik zie niet een tijd aanbreken waarin we weer gaan zeggen: het kan allemaal veel méér en er kunnen tientallen of honderden miljoenen méér aan worden uitgegeven. Deze tijd moeten we dus goed gebruiken om erover na te denken hoe we met minder middelen toch maximaal kunnen presteren: never waste a good crisis. Uit mijn mond zal de Kamer niet horen dat we met minder geld veel meer gaan doen. Dat is geen eerlijk verhaal. Als je minder geld hebt, zul je op sommige plekken ook minder kunnen doen.

De heer Van Bommel haalt terecht een voorbeeld aan als Guatemala en de mensenrechten. Als je er niet meer zit, is het lastiger om voor de mensenrechten op te komen. Het kan nog wel, via een regionale benadering vanuit Costa Rica, maar ik zal niet ontkennen dat het dan moeilijker gaat dan als je in het land zelf aanwezig bent. De sluiting van ambassades heeft gewoon consequenties. Daar loop ik niet voor weg. Vanavond moeten we wat mij betreft dan ook de pijnlijke kanten van het verhaal vertellen. Posten sluiten betekent gewoon dat je minder kunt doen. Dat kun je voor een deel opvangen door regionaal te gaan werken. Daar kom ik vanavond nog uitvoerig over te spreken, maar we moeten ook erkennen dat het maken van een keuze gevolgen heeft.

Het tweede wat ik graag zou willen zeggen is dat wij kunnen bogen op een vrij uitgebreid netwerk van vertegenwoordigingen in de hele wereld. Dat moeten we koesteren en proberen zo breed mogelijk in stand te houden. Het gros daarvan is echter heel dun bezet en inmiddels begin ik wel heel veel te vragen van de collega's op die posten, in termen van inzet, uren die ze moeten werken en dingen die ze moeten doen. Laat ik één voorbeeld geven, namelijk onze ambassade in Helsinki, Finland. Dat is een belangrijk land en een belangrijke economische relatie. We krijgen veel aanvragen van bedrijven uit Finland voor Nederland en andersom. Dat is, hoewel we het niet eens zo noemen, in feite een heel kleine post. In de praktijk betekent dit dat iedereen voor elkaar moet inspringen. De ambassadeur neemt de telefoon aan als de receptioniste er niet is en ontvangt de mensen. Omdat ik dit wereldje al wat langer ken en er vroeger zelf in werkzaam ben geweest, weet ik: dat was 20, 30 jaar geleden compleet ondenkbaar. Ik stel het nu misschien iets scherper dan het is, maar toen was het normaal als een ambassadeur zei: ik ben vrijgesteld van gewone werkzaamheden, ik heb de leiding en ik doe de dingen die ik leuk vind om te doen. Dat kwam toen nog voor. Dat bestaat nu totaal niet meer. Dat is weliswaar terecht, maar tegelijk zie ik dat we, zeker op de kleinere posten, aanlopen tegen de grenzen van wat we nog kunnen leveren. De moeilijkste exercitie waar ik nu al een jaar mee bezig ben, heeft te maken met de volgende vraag die ik mijn collega's en mijzelf voortdurend stel. Wij, dat geldt hier voor beide kanten van de tafel, zijn ontzettend goed in het stellen van prioriteiten, maar vraag ons eens om posterioriteiten te stellen. Dan krijgen we het al een stuk moeilijker. Dat is ook waar, en die discussie zal niet eindigen vandaag. Dat zal een blijvende discussie zijn, tussen mij en de Kamer. Dat is ook een discussie die wij bij Buitenlandse Zaken zullen moeten voeren. Wat zijn onze posterioriteiten en wat betekent dat voor de wijze waarop onze organisatie is ingekleed? Je kunt namelijk veel vragen van je collega's op basis van loyaliteit, maar er zit ook een grens aan. Ik denk dat we het kunnen redden als we dit traject ingaan zoals we het ingaan – ik hoor straks graag van de Kamer waar de wijzigingen in zitten – maar we zijn wel bezig met een operatie die het uiterste vergt van iedereen die daarbij betrokken is in de organisatie, in Den Haag en wereldwijd. Dat wil ik niet mooier maken dan het is.

De heer Van Bommel vroeg hoe het zit met de honoraire consulaten die wij sluiten, waardoor mensen daar dan, bijvoorbeeld in Frankrijk, geen paspoort meer kunnen halen. Dat is waar. Het is heel vervelend als je in Zuid-Frankrijk of in Toulouse woont en je daar niet meer terecht kunt voor een paspoort. Maar als je gaat uitrekenen wat één paspoort in Toulouse de Nederlandse belastingbetaler kost wanneer je die faciliteit daar handhaaft, dan kom je op honderden euro's. Bij het uitgeven van een Nederlands paspoort betrachten wij grote voorzichtigheid omdat er heel veel veiligheidsaspecten aan zitten. Als je dat voor een heel beperkt aantal paspoorten doet op een post, zijn de kosten per paspoort natuurlijk prohibitief hoog. Dan is het ongelofelijk vervelend voor de mensen die er tot nu toe op konden rekenen dat ze daar om de vijf jaar een paspoort konden halen. Maar dat vergt dan ook voor hen en voor ons allemaal een omdenken, namelijk dat je het straks één keer in de tien jaar van te voren kunt aanvragen vanuit je woonplaats en het vervolgens kunt afhalen op Schiphol of waar dan ook, bij een gemeente in Nederland waar je waarschijnlijk toch om de zoveel tijd heen gaat. Dit zijn methoden die wij proberen te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat de dienstverlening verandert. Natuurlijk zullen mensen dat niet als verbetering ervaren als zij het paspoort tot nu toe dicht bij hun woonplaats konden afhalen, maar dit zijn afwegingen die ik moet maken op basis van de kosten voor de belastingbetaler om dit soort dienstverlening ter plekke te handhaven.

Natuurlijk krijg ik ook boze mails van mensen die daar en op andere plekken wonen. Maar dan heb ik geen beter nieuws voor hen dan dat ik, ook op basis van wat het de belastingbetaler kost, een afweging moet maken. Dan sluiten wij die dienstverlening.

Waarom heb ik ervoor gekozen om geen ambassades te sluiten maar wel een aantal consulaten-generaal en die daar waar nodig te vervangen door NBSO's voor handelsdienstverlening in het buitenland? Dat heeft te maken met het feit dat wij eerder hebben gemerkt dat het sluiten van een ambassade relatief weinig geld oplevert maar relatief tot veel politieke fall-out leidt in de relatie met het land waar de ambassade sluit. Het weer openen van een ambassade is ongelofelijk duur als je die eenmaal hebt gesloten. Ten eerste zijn er de kosten van het sluiten. Die zijn hoog omdat je afscheid moet nemen van personeel, van mensen die rechten hebben opgebouwd et cetera. Ten tweede moet je afscheid nemen van onroerend goed, dat je dan moet verkopen. Dat levert niet altijd per saldo winst op. Als je vervolgens, zoals wij in Vietnam hebben meegemaakt, na een aantal jaren denkt dat de sluiting niet verstandig was en de ambassade weer wilt openen, is dat veel duurder dan wanneer je gewoon zou zijn gebleven. Daarom kies ik eerder voor verkleining van de vertegenwoordigingen, voor zo veel mogelijk met andere landen faciliteiten delen maar toch aanwezig blijven, ook als de dienstverlening minder is. Dan kun je financieel je bezuiniging halen zonder de politieke fall-out van een sluiting.

Met het sluiten van de consulaten-generaal was het niet de bedoeling, welke indruk wel is ontstaan, dat wij ter plekke niets meer zouden doen aan handelsbevordering. Nee, die handelsbevordering zouden wij handhaven, maar wij zouden dan wel het consulaire instrument van het consulaat-generaal met de representatieve kant afsluiten. Als ik zo rondkijk merk ik dat een meerderheid van de Kamer dat anders zou willen.

Ik kijk uit naar de uitspraak die de Kamer daarover zou willen doen. Als een meerderheid van de Kamer zich in die zin uitspreekt, dan zal ik die uitspraak tot de mijne maken en het beleid op dat punt aanpassen. Maar ik wil hier wel heel helder gezegd hebben dat ik strijd tegen het beeld alsof het sluiten van die consulaten-generaal zou betekenen dat wij dan ook de economische dienstverlening niet meer op niveau zouden kunnen doen waar die plaatsvindt. Ik merk namelijk wel dat het pleidooi van de leden van uw commissie om consulaten-generaal open te houden alleen maar gaat over de economische dienstverlening. Ik heb althans geen leden van uw Kamer andere motieven horen noemen, behalve de consulaire motieven die de heer Van Bommel heeft genoemd en waar ik al op ben ingegaan wat Frankrijk betreft.

Eerlijk is eerlijk, ik moet toegeven dat het feit dat Nederland door een consul-generaal is vertegenwoordigd met name in München voor de economische belangen zwaarder weegt dan een handelskantoor. Met name daar speelt dat een rol, ook in de wijze waarop dat door de regering van de Freistaat Bayern wordt opgevat. Dat heeft alles te maken met de politieke verhoudingen binnen de Bondsrepubliek. Ik moet toegeven dat op dat punt de economische dienstverlening inderdaad extra geholpen is door de officiële titel van consulaat-generaal en alles wat daarbij hoort.

Dat geldt ook voor Antwerpen, maar daar hadden wij ook het voornemen om dit zo te laten. Wel vind ik de consulaire dienstverlening in Antwerpen, met Brussel op 35 kilometer afstand en de Nederlandse grens nog dichterbij, een luxe, waarvan ik mij afvraag of wij die op kosten van de Nederlandse belastingbetaler moeten leveren, ook aan mensen die juist omdat zij minder belasting in Nederland willen betalen in België zijn gaan wonen. Daar zit toch wel een zekere spanning tussen, als ik het zo mag formuleren. Dus ik vind dat van die mensen ook kan worden gevraagd dat zij de kleine afstand voor de consulaire dienstverlening tot Brussel of tot de Nederlandse grens wel voor hun rekening nemen. Dan kunnen wij de andere taken van het consulaat-generaal in Antwerpen, die te maken hebben met de vertegenwoordiging van Nederland, die zeer worden gewaardeerd in Antwerpen, maar met name ook met de grote economische belangenbehartiging daar, handhaven als uw Kamer dat wil. Daar kan ik veel in zien.

De heer Van Bommel (SP): Anders dan de Minister zei, heb ik wel degelijk ook gewezen op de dienstverlening van de vijf consulaten-generaal aan burgers. Ik heb daarover ook concrete vragen gesteld. Ik heb de ANWB genoemd, die heeft gewezen op het belang van Nederlanders in nood. Het valt mij op dat de Minister nu heel gemakkelijk in eerste termijn al een motie zegt te gaan uitvoeren waarvan wij de tekst nog niet kennen, maar waarvan in ieder geval, althans uit de media, blijkt dat Antwerpen wel tot de prijswinnaars behoort maar Osaka niet. Een dekking hebben wij uit de media ook al kunnen vernemen, namelijk uit een potje onvoorzien. Als de Minister dit allemaal zo makkelijk omarmt, dan kan hij daaraan misschien ook wel een nadere invulling geven. Daarmee bedoel ik concreet zijn vernieuwde inzicht. Eerst had hij het inzicht dat deze consulaten wel konden worden gesloten. Er lijkt een Kamermeerderheid te zijn om een aantal consulaten open te houden. Wat wil de Minister nu? Staat hij nog achter zijn eigen voorstel, of heeft hij dat nu eigenlijk alweer ingeleverd?

Minister Timmermans: Het voorstel dat ik heb gedaan ligt in de Kamer, maar zoals ik pleeg te doen, heb ik goed geluisterd naar de inbreng van uw leden in de eerste termijn. Ik bespeur veel steun voor de gedachte, die ik ook al uit de media had mogen vernemen, van de heer Sjoerdsma, maar die hier door een aantal uwer is herhaald, dat er misschien wijziging in die plannen zou kunnen komen, waarbij een aantal consulaten-generaal zou worden opengehouden. Ik wacht de concrete uitspraak van de Kamer op dit punt af. Als er een concrete uitspraak is, zal ik daar ook op reageren, waarbij ik zal kijken op welke wijze en met welke middelen ik de Kamer tegemoet zal kunnen komen.

Maar zolang ik van de Kamer niet een concrete indicatie heb gehad in een uitspraak, houd ik het algemeen in mijn reactie, want ik heb ook zo mijn ideeën over hoe ik dat zou kunnen uitvoeren en op welke plekken. Als de Kamer mij daartoe echter in een uitspraak in de gelegenheid stelt, ook door verzachting van de taakstelling die mij is opgelegd, dan gaan wij daarover natuurlijk graag in discussie met uw Kamer. Volgens mij is dat een goede manier van samenwerken met de Kamer. Zoals ik het aan uw Kamer heb voorgelegd, kan het net op basis van de bezuiniging waarvoor ik heb getekend toen ik deze functie accepteerde en waarmee ik ook het regeerakkoord heb geaccepteerd.

Maar ik heb er nooit een geheim van gemaakt dat het heel ingewikkeld zou worden, dat ik het ook een heel zware taakstelling voor mijn departement en mijn mensen vind en dat we per saldo – daarin moet ik degene die dat zei gelijk geven – een kwart van onze begroting op het punt van de posten zouden moeten inleveren als wat eerder is afgesproken geheel zou worden uitgevoerd. Dus u kunt het een Minister van Buitenlandse Zaken toch moeilijk kwalijk nemen dat die, als er op dat punt een verzachting door de Kamer wordt afgesproken, daar dan geen bezwaar tegen zou maken. Hoe wij die verzachting precies invullen, vind ik onderwerp van discussie. Daarover hoor ik ook graag het standpunt van de Kamer. Ik heb begrepen dat dat zich sterk richt op de consulaten-generaal. Als daarover een uitspraak zou komen, ga ik vervolgens kijken hoe ik die uitspraak zou kunnen uitvoeren en dan kom ik daar natuurlijk weer bij uw Kamer op terug. Volgens mij werkt het hier nog steeds zo.

De heer Van Bommel (SP): Ik dacht ook dat het zo werkte, maar wij worden nu geconfronteerd met uitspraken van de Minister over een voorstel waarvan wij de inhoud alleen uit de krant kennen. De Minister reageert door te zeggen dat er veel valt af te dingen op het openhouden van het consulaat in Antwerpen. Mag ik de Minister dan vragen of hij een voorkeur heeft voor het openhouden van Osaka in plaats van Antwerpen? Want als die motie straks komt, wat wij allemaal nog maar moeten afwachten omdat wij na de eerste termijn van de heer Sjoerdsma helemaal niets meer zeker weten, zou dit daarop dan misschien een amendering kunnen zijn. Ik vind de woorden van de Minister op het punt van Antwerpen toch ook wel veel waarde in zich hebben. Ik zou graag willen overwegen om dan maar een amendement op de motie van de heer Sjoerdsma in te dienen om Osaka open te houden ten koste van Antwerpen. Dat zou dan wellicht een nog verdergaande vorm van samenwerking zijn die de Minister zo graag wil vanavond.

Minister Timmermans: We dreigen nu in een bekende Van Bommel-quickstep te komen! Ik heb volgens mij netjes gereageerd op de interruptie van de heer Van Bommel. Ik heb gereageerd op wat ik heb gehoord in de eerste termijn van uw Kamer. Het kan zijn dat ik heel anders reageer als er uit de Kameruitspraak een tekst komt die niet in lijn zou zijn met wat ik nu in eerste termijn van de Kamer heb gehoord, dus daarom houd ik een slag om de arm. Hoe wij dat dan vervolgens vanuit Buitenlandse Zaken gaan invullen, zal ik ook met mijn collega's moeten uitwerken. Wij zullen moeten kijken met welke modaliteiten wij dat doen en daarmee zullen wij dan ook weer bij uw Kamer moeten terugkomen. Wij gaan niet over één nacht ijs. Dit gaat ook over mensen die werken op plekken. Bij de overplaatsbare mensen is het nog tot daaraan toe. Zij komen wel weer ergens anders aan de slag. Maar het gaat ook over mensen – dat is de meerderheid – die gewoon op een plek werken en daar zijn aangesteld. Als er gevolgen zijn voor die plekken, door sluiting of niet, heeft dat rechtstreekse gevolgen, namelijk of die mensen nog een baan hebben of niet. Dus ik neem toch aan dat zeker de heer Van Bommel het met mij eens is dat wij daarmee heel zorgvuldig moeten omgaan. Die mensen hebben vanwege de nota die ik heb geschreven soms heel slecht nieuws gekregen. Zij putten hoop uit wat zij horen vanuit de Kamer. Wij gaan dus niet die mensen heen en weer trekken tussen allerlei gevoelens. Dat gaan wij dan ook netjes, stap voor stap, hopelijk met uw Kamer afwikkelen. Ik vind dat mijn mensen er recht op hebben dat wij ook met hun belangen zorgvuldig omspringen.

De voorzitter: U vervolgt uw betoog.

Minister Timmermans: Modernisering en verkleining van het netwerk betekent ook meer samenwerking. In het afgelopen jaar is het mij opgevallen dat dit niet alleen in Nederland een discussie is, maar dat die discussie heel breed speelt in Europa. Er zijn maar een paar landen in Europa die er op dit moment voor kiezen om meer geld uit te geven voor diplomatie en om het netwerk uit te breiden. Vooral de Britten hebben ervoor gekozen om dat te doen. Verder zie ik in de meeste landen, niet bij de grootste maar bij de tweede ring landen, waartoe Nederland ook behoort, en bij de kleinere landen, dat zij toch allemaal sterk denken aan verkleining en versobering.

Dat betekent dat men op heel veel plekken in een te ruim jasje zit en dat men bereid is om met ons te praten over het misschien samen delen van één jasje en het andere jasje van de hand doen. Wij zullen proberen, de komende tijd zo veel mogelijk, met de Benelux voorop maar ook met andere landen, gebouwen en faciliteiten te delen.

Soms gaan wij daarin heel ver. Ik was nog niet zo lang geleden in Albanië. Ik probeer overal waar ik kom met een fotootje op Facebook te laten zien hoe groot de post is en wie daar werkt. Dat is, behalve op de grootste posten, altijd een klein clubje mensen. Maar er is nu ook een Belgische diplomaat werkzaam op onze ambassade in Albanië, die werkt voor België en voor Nederland. Wij gaan zo ver met onze samenwerking dat hij vanaf volgende zomer ook tweede man wordt van de Nederlandse ambassade in Albanië. Dus op het moment dat de ambassadeur op verlof is of om andere redenen het land uit is, is de tijdelijk zaakgelastigde van Nederland een Belgische diplomaat, die ook vertegenwoordiger is van België in Albanië.

Ik vind dat een vorm van innovatie, zeker met een land als België, waarmee ik hoop nog meer te kunnen doen. In diezelfde regio gaan wij meer samenwerken, ook in de wijze waarop de posten worden gerund in Pristina, Skopje en Tirana, waardoor wij per saldo twee diplomatenfuncties in het buitenland kunnen verminderen. Zo proberen wij effectiever te werken.

Dat doen wij in de Baltische landen ook, met drie ambassades en drie ambassadeurs, maar één van de drie is de baas over de hele organisatie in de regio. Dat scheelt dan ook weer ondersteuning ter plekke. Geen enkel land hoeft zich daarbij geschoffeerd of minderwaardig te voelen, want ieder land heeft een volwaardige ambassadeur ter plekke, maar in onze bedrijfsvoering kunnen wij efficiënter te werk gaan door er eigenlijk één unit van te maken, verspreid over drie landen. Dus er is eigenlijk één chef de poste die onder zich een aantal andere ambassadeurs heeft. Dat doen wij dan vanuit Riga. Dat scheelt ook gewoon kosten.

De versobering waarnaar de heer Van Bommel vraagt, is al ingezet. Laatst was er een probleem met een ambassadeur die ergens naar binnen moest. Er moest een poort worden opengezet maar dat was lastig, want hij reed zelf zijn auto en dat was men niet gewend. Zoiets wordt dan wel de talk of the town: de Nederlandse ambassadeur heeft niet langer een chauffeur in dienst, hij rijdt zelf, of een chauffeur wordt ingezet om te rijden maar ook om administratief werk of ander werk te doen. Onze mensen zijn zo creatief in het bezuinigen op dat vlak dat dat soms in landen waar zij actief zijn niet helemaal wordt begrepen of nog niet wordt gevolgd. Maar wij houden het wel vol en dat heeft meerwaarde omdat het ook een voorbeeld is voor andere landen.

Ik noemde al het voorbeeld van Helsinki, waar ambassadeur Swarttouw gewoon inspringt als de telefoniste niet aanwezig is en ook gewoon aan de balie helpt met consulaire kwesties als dat nodig is. Ik vind het niet meer dan normaal, maar ik vind het ook verfrissend dat mensen dat zelf oppikken ter plekke. De Nederlandse ambassadeur in Helsinki leidt bijvoorbeeld ook een regionale bedrijvenmissie vanuit de noordelijke staten en het Balticum gezamenlijk in Nederland, die echt in één team voor elkaar opkomen.

Ook bij de huisvesting, die enorm is versoberd voor onze mensen, moeten wij proberen doelgericht te werken. Soms is de residentie van onze ambassadeurs ook het beste visitekaartje voor Nederland. Zeker als die in eigendom is, zou het echt penny wise, pound foolish zijn om die te snel van de hand te doen. Zoals onze ambassadeur in Parijs ook zegt, is de residentie in Parijs al een aantal keren in Franse films gebruikt. De fantastische film Intouchables is opgenomen in de residentie van de Nederlandse ambassadeur in Parijs. Onze ambassadeur daar zegt: ik woon boven de zaak.

De ambassadeur en zijn gezin hebben dus een appartement boven in de residentie. De residentie staat altijd ter beschikking voor het Nederlandse bedrijfsleven en voor promotieactiviteiten. Ik noemde al de film, maar ook andere activiteiten zijn daar mogelijk. Ik heb de tijd nog meegemaakt dat, ook in Parijs, een ambassadeur de illusie had dat de residentie zijn privéwoning was en dat het een enorme gunst van hem persoonlijk was als iemand daar naar binnen mocht komen. Als je logeerde in de appartementen die erbij waren, moest je verplicht de gordijnen dicht houden, want je mocht niet zomaar uitkijken op de woning van de ambassadeur. Dat soort gekkigheid is helemaal verleden tijd. Ambassadeur Kronenburg denkt er heel zakelijk over. De residentie in Parijs is een belangrijk visitekaartje voor Nederland. Daarvoor geldt hetzelfde als voor de kanselarij in Berlijn. De kanselarij is niet altijd de meest praktische werkplek, maar is wel een van de meest bezochte gebouwen in Berlijn, omdat het een fantastische creatie is van Rem Koolhaas. Het gebouw trekt eindeloze stromen toeristen en is daarmee een fantastisch visitekaartje voor Nederland.

De huisvesting van onze medewerkers is zo versoberd dat we hierbij ook tegen een grens aanlopen. We moeten ons afvragen of het wel verantwoord is dat mensen huizen huren in bepaalde buurten. De budgetten zijn namelijk flink gekort en in sommige steden kan dat knelpunten opleveren. We zullen daar ook flexibel mee moeten omgaan. Sommige steden zijn prohibitief duur om in te wonen, bijvoorbeeld Moskou, New York en nog een aantal andere steden. Die versobering zetten we sterk door. Ook de versobering van de arbeidsvoorwaarden is flink doorgezet. Daar wordt dus heel hard aan gewerkt.

Er is nog ander voorbeeld dat ik belangrijk vind om te noemen. Traditioneel houdt men in Rome heel strak vast aan het feit dat je niet dezelfde ambassadeur kunt hebben bij het Quirinaal, bij de staat Italië, als bij het Vaticaan, bij de Heilige Stoel. Het is een regel, een wet van Meden en Perzen, in de Italiaanse politiek. Hoe hebben we dat opgelost? Er is nu een extra adres. De Nederlandse ambassade zit op de Via Michele Mercati nummer 8. Het nieuwe adres is: Via Michele Mercati nummer 8a. Daar zit de ambassadeur bij de Heilige Stoel. Dat scheelt een kanselarij. De residentie is ook enorm versoberd. Het scheelt een chauffeur, want de ambassadeurs delen die nu. Dit soort dingen doen we om de kosten te drukken. Misschien is het casuïstiek, maar het geeft wel aan hoe we proberen op allerlei plekken de zaak te versoberen.

De heer Van Bommel heeft gevraagd waarom we in Erbil niet een volwaardig consulaat-generaal kunnen realiseren, zodat daar ook visa kunnen worden aangevraagd. In Erbil zal het op korte termijn voor het bedrijfsleven mogelijk worden om visa aan te vragen. Door het zogenaamde «Orange Carpet»-systeem wordt het makkelijker om visa te verlenen. In technisch opzicht is het echter nog wel moeilijk om het uit te voeren. Je moet immers heel precies zijn. Het moet wel veilig en goed gebeuren. Dat is ook onze verplichting in het kader van Schengen. We brengen nu in kaart wat het voor de capaciteit in Erbil zou betekenen als dit zou worden gedaan. Er wordt aan gewerkt. Zodra we een en ander uitgewerkt hebben, zal ik de Kamer graag informeren over de wijze waarop we het doen.

De heer Van Bommel heeft ook gevraagd naar het Deense model van betalen voor dienstverlening. Mij moet wel van het hart dat het georganiseerde bedrijfsleven in de hoorzitting die de Kamer heeft georganiseerd, flink tekeer is gegaan tegen de sluiting van consulaten en consulaten-generaal. Destijds is aangegeven dat het bedrijfsleven bereid zou zijn om eraan bij te dragen. We zijn daarover in gesprek, maar het is van de kant van het bedrijfsleven niet heel concreet geworden, zeg ik heel voorzichtig. Ik heb de hoorzitting goed op mij laten inwerken. Ik vind dat we dit probleem niet weer helemaal naar ons toe moeten halen. Naar mijn mening ligt de onus bij VNO-NCW. Wie a zegt, moet ook b zeggen. Wie het vingertje wil heffen op dit punt, moet ook oplossingen aandragen, zeg ik via de voorzitter tegen de heer Wientjes. Als hij vindt dat het belangrijk is en als hij eraan wil bijdragen, then I'm calling his bluff. Kom dan maar over de brug met concrete voorstellen. Daarbij wil ik ook meteen aantekenen dat het niet makkelijk is om er een prijskaartje aan te hangen en om precies aan te geven hoe we het doen en waar je voor gaat betalen. Mijn collega's zijn hierover in overleg met VNO-NCW. Ik vind het geen makkelijk onderwerp. We stoppen belastinggeld in het postennetwerk om dingen te doen voor Nederland, voor Nederlandse bedrijven en burgers. Een bedrijf zou echter ook kunnen zeggen: wacht eens even, ik betaal belasting, daar doen jullie het voor en vervolgens moet ik nog een keer op de lat worden gezet. Dat moet de heer Wientjes dan maar met zijn leden bespreken. Wij zullen proberen om onderdelen van het Deense model te gebruiken. Een aantal van die onderdelen is al praktijk in Nederland.

Maar zoals gezegd, publiek-private samenwerking bestaat al, onder andere via de Dutch Trade Board. Zo financieren we gezamenlijk bijvoorbeeld het NBSO in India. Daar betaalt het bedrijfsleven aan mee. De Koning heeft afgelopen vrijdag het Holland House in Bogotá in Colombia geopend. Ik was daarbij aanwezig. Het Holland House is ook gefinancierd door het bedrijfsleven. Een van de mooiste initiatieven die ik de laatste tijd heb gezien, is Orange Grove in Athene. Ambassadeur Versteeg heeft dat daar gestart. Ik ben hier echt heel erg van onder de indruk. Orange Grove is een soort incubator waar jonge Griekse en Nederlandse ondernemers een plek krijgen. Ambassadeur Versteeg heeft dit gerealiseerd omdat hij ruimte overhad in de ambassade. Op de begane grond van de ambassade bevindt zich de Orange Grove, waarin bedrijven actief kunnen zijn. Daar wordt ook door Nederlandse bedrijven aan meebetaald. Die dingen doen we dus al. Nogmaals, we zijn in overleg met VNO-NCW om een en ander in te vullen.

Minister Ploumen onderzoekt samen met de Dutch Trade Board de samenwerking en de taakverdeling. In dit kader noem ik Agentschap NL, de Kamer van Koophandel, FME, de banken et cetera. Er wordt bezien of er meer samenhang tot stand kan worden gebracht tussen die organisaties. Ik voel ook de noodzaak om heel goed zelf in te zoomen op de synergie tussen Agentschap NL, de ambassades, de NBSO's. Ik zie het ook als mijn verantwoordelijkheid om te bekijken hoe we een en ander kunnen finetunen, opdat die organisaties goed met elkaar samenwerken. We moeten ook sterk rekening houden met de relatie tussen de markt en de overheid. Er zijn ook bedrijven die zich bezighouden met private dienstverlening. Die bedrijven willen natuurlijk geen gesubsidieerde concurrentie met de overheid. Ik wil niet in een ruzie terechtkomen met allerlei consultants en anderen die zeggen: wacht eens even, jullie gaan voor minder geld onder mijn duiven schieten, terwijl jullie kernfinanciering vanuit belastinggeld krijgen. Maar goed, u allen kent de discussie die altijd kan worden gevoerd met betrekking tot de overheid en het bedrijfsleven.

In ieder geval zal dit ook een onderwerp zijn waar wij aan doorwerken. Ik hoop dat ik de Kamer hier snel over kan inlichten, maar ik hoop ook op steun van de Kamer. Hopelijk zal ook de Kamer VNO-NCW aanspreken op wat de organisatie hier heeft beloofd. We kunnen het van beide kanten doen. Dan zetten we denk ik samen verdere stappen.

Ik heb het al gehad over Guatemala. Ik heb overigens recentelijk met een aantal collega's gesproken uit Latijns-Amerika, onder wie mijn Mexicaanse collega. In de Kamer hebben we in het kader van de mensenrechtenbrief al eerder gesproken over het idee van trilaterale samenwerking. Dat gaan we ook op dit soort vlakken toepassen in Centraal-Amerika. Ik heb hier heel concreet over gesproken met mijn Mexicaanse collega. Zij had bijzonder veel belangstelling voor de expertise die wij in huis hebben, in combinatie met de aanwezigheid die men in die regio heeft. Zo zullen we proberen het gebrek aan aanwezigheid in sommige Midden-Amerikaanse landen te compenseren met het inzetten van expertise, bijvoorbeeld via onze Mexicaanse collega's daar. Met Brazilië heb ik een tijd geleden soortgelijke afspraken gemaakt.

Ik kom nog even terug op de paspoorten. Niet alleen de heer Van Bommel vroeg daarnaar, maar ook de heer Omtzigt. Ik heb al aangegeven dat het te maken heeft met een kostenoverweging. Het gaat hierbij om het aantal paspoorten en de belastingmiddelen die daarvoor nodig zijn. We nemen wel ruim de tijd om die veranderingen door te voeren en om dat helder met de Nederlandse gemeenschap ter plekke te communiceren. Natuurlijk is men nu heel erg geschrokken vanwege die plannen, maar het duurt nog tot eind 2016 voordat we die gaan uitvoeren. We letten heel goed op – zoals de Kamer ook vraagt – of er aanvaardbare alternatieven voor bestaan. Ik noem bijvoorbeeld het verdubbelen van de termijn, het aanvragen bij grensgemeenten en op Schiphol en het inzetten van mobiele aanvraagstations. Dit is het antwoord op de vragen over de honoraire consulaten in onder andere Frankrijk.

De heer Omtzigt (CDA): Ik ben in ieder geval gerustgesteld door de opmerking dat het tot 2016 duurt en door de zorgvuldigheid die de Minister in acht neemt. Maar is er al enig zicht op wat de prijs van een paspoort in het buitenland zal zijn? Wanneer komt de Minister met voorstellen voor een uitzondering op de regel als het gaat om de verschijningsplicht bij zowel het aanvragen als het ophalen? Daar heeft de Nationale ombudsman in 2010 overigens ook al om gevraagd. Dan hoeven mensen die ver van de ambassade vandaan wonen, niet twee keer 3.000 km te rijden of te vliegen naar de dichtstbijzijnde post, als ze bijvoorbeeld met hun kind naar Nederland willen reizen. In de voorbeelden die indertijd genoemd zijn, lopen de kosten in de duizenden euro's of dollars.

Minister Timmermans: We zitten altijd met de afweging tussen service en veiligheid. Het blijft altijd lastig om, zonder dat je mensen fysiek kunt zien, ervoor te zorgen dat je voldoet aan de veiligheidseisen die worden gesteld bij het verlenen van paspoorten. We werken nu, ook met de mobiele stations, aan dit soort zaken. Ik denk dat we nog steeds niet het optimum hebben bereikt van wat we kunnen bereiken met digitalisering en met secure communication. Ik verwacht dat we in de komende jaren met name veel veranderingen zullen zien op consulair gebied, aangezien automatisering daar vroeg of laat een groot effect op zal hebben. Ik denk dat mensen over niet al te lange tijd bij verkiezingen ook achter hun pc kunnen stemmen, als we dat veilig weten te organiseren. Waarom zouden mensen dan niet ook vanachter hun computer thuis veilig reisdocumenten en identiteitsdocumenten kunnen aanvragen? Daar moeten we zeker aan werken, maar we zijn nog niet zover dat we dit met zekerheid kunnen uitvoeren. Dit is wel de richting waarin we denken en waaraan we op dit moment werken.

De heer Omtzigt (CDA): Ik begrijp dat de precieze antwoorden nog niet duidelijk zijn, zeker niet als een en ander in 2016 ingaat. Ik heb daar begrip voor. Mijn vraag ging over de kosten van de paspoorten en de uitzonderingen op de verschijningsplicht. Ik wil daar nog een vraag aan toevoegen. Zorg ervoor dat je nog een spoedprocedure op Schiphol hebt, zodat mensen als ze hier zijn, ook al zijn ze hier maar 48 uur, de zekerheid hebben dat ze bij het eerste bezoek of bij het tweede bezoek een nieuw paspoort kunnen krijgen. Is de Minister bereid om ergens voor de zomer van dit jaar een brief met een heel pakket naar de Kamer te sturen waarin wordt toegelicht hoe het gaat werken? Gezien het verleden, weten we dat het een gevoelige kwestie is. Dan zouden we als Kamer kunnen bekijken of we ons kunnen vinden in zo'n aanpak.

Minister Timmermans: Ik vind het op dit moment lastig om er een termijn op te plakken, omdat ik op dit punt ook met andere bewindslieden te maken heb. Wanneer het paspoort met een dubbele termijn wordt ingevoerd, is een zaak van de Minister van Binnenlandse Zaken. De kosten van het paspoort hangen nauw samen met de termijn van het paspoort. Een paspoort dat langer geldig is, is in principe goedkoper. Althans, het individuele paspoort wordt niet goedkoper, maar dan krijg je een paspoort met een dubbele termijn. Het gaat dus langer mee. In die zin wordt het goedkoper, maar de kosten per paspoort zullen wel omhooggaan. Of het kostendekkend wordt, hangt nauw samen met de vraag op welke plekken je het nog buiten Nederland kunt afgeven. Met name omdat je een duaal systeem van controle moet hebben, zijn op plekken waar relatief weinig paspoorten worden afgegeven, de kosten per paspoort exorbitant hoog, als je dat helemaal zou doorrekenen. Ik denk dat we ook moeten onderzoeken wat de gevolgen zijn van het minder verschijnen. Als je je maar één keer hoeft te melden, scheelt dat ook enorm. Dat zijn allemaal dingen waar we naar kijken.

Het wetsvoorstel inzake de verhoging van de termijn van het paspoort, ligt op dit moment bij de Eerste Kamer. We moeten de behandeling daarvan dus nog even afwachten. Als het lukt om het wetsvoorstel nog voor de jaarwisseling door de Eerste Kamer te krijgen, dan kunnen we snel naar de uitvoering toe. Dan kan ik uw Kamer ook precies melden hoe we dat gaan uitvoeren. Dat doe ik dan ook met alle plezier. Maar als het in de Eerste Kamer wat langer gaat duren, wordt ook de termijn waarop we het kunnen invoeren langer en dan kan ik uw Kamer pas later berichten over de wijze waarop we het gaan doen. Als de heer Omtzigt mij niet wil vastpinnen op de precieze termijn, wil ik hem graag toezeggen dat we dat uitvoerig zullen toelichten als het wetsvoorstel door de Eerste Kamer is aangenomen.

De heer Ten Broeke (VVD): Ik denk overigens dat sinds oktober die mogelijkheid op Schiphol al bestaat. Dat is al een grote verbetering. Ik vind het ook een verbetering dat de geldigheidsduur van de paspoorten naar tien jaar is gegaan. Maar het zou echt een enorme serviceverbetering zijn voor de Nederlandse paspoorthouders all over the world – ik denk dat de meeste professionals bij Buitenlandse Zaken er net zo over denken – als we serieus werk gaan maken van de wetswijzigingen die noodzakelijk zijn om bijvoorbeeld digitaal te certificeren. Er zijn voldoende Nederlandse commerciële trusted party's die je daarvoor kunt inschakelen. Ik zou graag zien dat de Minister hierover in gesprek gaat met zijn collega van Binnenlandse Zaken. Anders zouden we er misschien maar eens aandacht voor moeten vragen bij de behandeling van beide begrotingen. Die worden namelijk allebei deze week behandeld.

Minister Timmermans: Het is echt niet zo dat wij hier iets anders zouden willen. Al mijn collega's, waar ter wereld ze ook werken, willen het liever gemakkelijker maken voor de mensen dan moeilijker. Ik wijs in dit kader wel op één complicatie: vanwege de vele gevallen van fraude in het verleden, wordt wereldwijd snel toegewerkt naar biometrische paspoorten. Het aanmaken van een biometrisch paspoort vereist persoonlijk contact met mensen. Er moet dus sprake zijn van een minimum van één keer persoonlijk contact, daar komen we niet onderuit. Het helemaal digitaal regelen zal, ook met veilige verbindingen, niet helemaal lukken, vrees ik. Op enig moment zal men de biometrie moeten controleren. Daar is bepaalde apparatuur voor nodig, zoals irisscanners. Er zijn bijvoorbeeld vingerafdrukken nodig. Dat kun je niet vanuit huis achter je pc regelen. Enig fysiek contact zal dus mogelijk moeten zijn, totdat het tegendeel is bewezen en we met de automatisering genoeg vorderingen hebben gemaakt. Mijn ervaring is echter dat vorderingen op het gebied van automatisering en fraude met automatisering heel kort op elkaar plaatsvinden.

De heer Ten Broeke (VVD): De Minister heeft natuurlijk volkomen gelijk, alhoewel we allemaal weten dat biometrie tegenwoordig ook haar intrede doet bij allerlei commerciële producten, maar dan moet het vervolgens wel geaccepteerd zijn. Ik wil echter dat de regering zich voorneemt om het initiatief tot die wetgeving niet weer te laten wachten op de techniek, die op dit moment snel voortschrijdt op dat terrein.

Minister Timmermans: Ik vond dat de heer Ten Broeke een goede brainwave had toen hij zei dat dit onderwerp eigenlijk thuishoort bij de behandeling van de begroting van Binnenlandse Zaken. Daar wordt de wetgeving op dit punt namelijk voorbereid en gemaakt. De heer Ten Broeke zal mij niet als tegenstander op zijn pad vinden. Ik denk dat dit op een andere plek besproken moet worden, wellicht ook door een andere woordvoerder.

De voorzitter: Ik zie dat de heer Ten Broeke een toezegging aan de Minister wil doen. Ik maak een uitzondering daarvoor.

De heer Ten Broeke (VVD): Het is volgens mij geen gebruik dat ik toezeggingen doe aan de Minister. De Minister probeert onder een rechtstreekse toezegging uit te komen. Laat ik het dan afmaken door te zeggen dat ik mijn collega morgen tijdens de fractievergadering nog zal aanspreken om dit punt op te brengen en door de Minister te vragen om ditzelfde bij zijn collega in het kabinet te doen.

De voorzitter: Ik denk dat uw collega's dan weer deze toezegging bij u controleren.

De heer Ten Broeke (VVD): Zeker.

De voorzitter: De Minister vervolgt zijn betoog.

Minister Timmermans: Voorzitter. Er zijn vragen gesteld over de externe dienstverlening. De heer Omtzigt vroeg of die wel zo verstandig is en of we dergelijke dienstverlening niet zelf zouden moeten doen. Toen ik in China was, heb ik zelf de externe dienstverlening voor Nederlandse visumaanvragen geopend, die op dezelfde plek zat als waar de Duitsers en de Fransen zaten op dat moment. Aanvragers van een visum zijn in een kwartier binnen en weer buiten. Het gaat op een efficiënte manier en is veel goedkoper dan wij het zouden kunnen doen. Het gaat op een servicegerichte manier waarmee de klanten heel blij zijn. Dat is voor het Nederlandse bedrijfsleven van groot belang, want soms is de duur voor de aanvraag van een visum bepalend voor de keuze van het land waarin men zaken wil gaan doen; het is niet anders. Het volgende punt wil ik even helder maken, want daar mag geen misverstand over bestaan. Het besluit of een visum wordt verleend of niet, ligt nog steeds in handen van Nederlandse overheidsdienaren. Dat is niet verplaatst naar een externe dienstverlening. Het gaat om de verwerking van de aanvraag. Die wordt door een externe dienstverlener gedaan. Dat kunnen die bedrijven op een klantvriendelijke, efficiënte en goedkope manier doen. Die is af en toe best jaloersmakend. Zij zijn daar gewoon heel erg op gericht en zetten daarvoor zeer getalenteerde jonge mensen in die dat gewoon voor een tijdje doen, waarna ze weer iets anders gaan doen. Dat is natuurlijk veel goedkoper dan wanneer een ambassade zelf allerlei mensen in vaste dienst moet nemen. Dit alles is tot volle tevredenheid van de klanten in China. Ik denk dat dit ook op andere plekken in de wereld goed gebruikt kan worden. Het betekent overigens ook dat je maar één keer hoeft te komen in plaats van twee keer. Dat is ook een voordeel. Je kunt het visum aanvragen en ophalen in één keer. That's it. Je hoeft niet nog een keer naar de ambassade te komen voor een toelichting.

De heer Servaes vroeg: welke dialoog bedoelt de Minister als hij zegt dat hij een paar keer per jaar een dialoog wil organiseren en wat levert dat op? De belangrijkste dialoog die we jaarlijks met onze collega's hebben, is de ambassadeursconferentie. Die heb ik vorig jaar voor het eerst gebruikt om aan te geven hoe ontzettend grondig en vergaand de veranderingen zullen zijn die de organisatie zal doormaken. Ik heb gemerkt dat dit heel veel energie heeft losgemaakt bij mijn collega's die daarbij aanwezig waren. Er was heel veel enthousiasme om het te doen. Er waren ook veel zorgen over wat het voor hen en de organisatie zou gaan betekenen. De conclusie was dat we hier samen de schouders onder zetten. Dankzij mijn secretaris-generaal is dat echt fantastisch gelukt.

We hebben ook een manier gevonden om onze lokale medewerkers, die voor ons systeem alleen maar belangrijker worden, maar die tot nu toe eigenlijk heel moeilijk deelnamen aan de dialoog binnen het hele bedrijf omdat ze echt gecompartimenteerd, onder verschillende voorwaarden overal ter wereld zitten en eigenlijk alleen hun eigen post zien, er beter bij te betrekken. We hebben een conferentie georganiseerd waarbij ook zij hun inbreng konden leveren en een gestructureerde dialoog met andere lokale medewerkers konden voeren. Ik zie dat ook als een waardevolle vernieuwing die we verder gaan uitwerken. Tegelijk moet het geen interne dialoog blijven. Het moet ook een dialoog zijn met andere stakeholders in de samenleving: het bedrijfsleven, onze directe klanten, maar ook andere burgers die willen meepraten en meedenken over de wijze waarop de toekomst van de diplomatie wordt georganiseerd. We hebben nog niet de gouden formule gevonden voor de wijze waarop we dit gaan invullen. We zijn ermee bezig. Dat is werk in uitvoering. Ook op dit punt zal ik de Kamer informeren op het moment dat ik precies weet welke vorm we dat gaan geven. Ik zou het op prijs stellen als de Kamer ook onderdeel is van die discussie. Ik merk ook bij deze commissie belangstelling om vaker met de vakmensen in mijn departement te spreken. De ervaringen die we in het afgelopen jaar op dat punt hebben opgedaan, stemmen mij heel positief. De briefings en de gesprekken van de Kamer met de ambassadeurs helpen om het begrip over en weer te vergroten.

Ik kom te spreken over gedetineerden in het buitenland. Ik heb om allerlei redenen, die ook te maken hebben met mijn afkomst en het werk van mijn vader, een emotionele affiniteit met het consulaire werk van Buitenlandse Zaken. Ik weet ook dat we uit de lange traditie komen waarin dat consulaire werk er een beetje bij werd gedaan. Het was niet het grote werk waarmee ambassades en consulaten zich bezig wilden houden. Sinds mijn aantreden als Minister heb ik vastgesteld dat dit echt verleden tijd is en dat voor ons allemaal, van de secretaris-generaal tot alle ambassadeurs, het consulaire werk tot het hart van ons bedrijf is gaan behoren. Uiteraard heeft dat ook te maken met het feit dat het politiek gezien een kwetsbaar onderwerp is. Een Minister die dit niet goed doet, komt in de Kamer per definitie in de problemen, zo heeft het verleden uitgewezen. Uiteraard speelt dit ook een rol. Ik zeg hierbij nadrukkelijk – misschien moet ik het niet te persoonlijk maken, maar het is wel waar – dat mijn vader dit werk decennialang met passie heeft gedaan. Dat heeft mij ook gevormd tot wie ik ben. Dat is iets waaraan ik altijd aandacht zou willen besteden.

De mensen die dit werk doen bij Buitenlandse Zaken, doen dit werk vaak onder buitengewoon moeilijke omstandigheden met als gevolg dat heel veel van de mensen voor wie ze dit werk doen, zeer dankbaar zijn. Natuurlijk zijn er ook altijd mensen die, ongeacht wat je voor hen doet, het nooit genoeg zullen vinden. Zij hebben geen enkele waardering of erkenning voor het vele werk dat voor hen is verricht. Maar de overgrote meerderheid van de Nederlanders die in aanraking komt met ambassades en onze medewerkers op Buitenlandse Zaken op het vlak van consulaire dienstverlening, zijn daarover achteraf buitengewoon erkentelijk en positief. Dat is een groot compliment aan iedereen bij Buitenlandse Zaken en daarbuiten die zich met dit onderwerp bezighoudt.

Tegelijkertijd blijft het werk met heel veel incidenten en gebeurtenissen. Nederlanders reizen over de hele wereld. De wereld wordt er niet altijd veiliger op, zeg ik maar heel voorzichtig. Helaas te veel Nederlanders bezondigen zich in het buitenland aan strafbare feiten en worden dan ook gearresteerd. Zij hebben dan recht op consulaire dienstverlening, maar als gevolg van de beperkte middelen die we hebben zal die slimmer moeten worden toegepast dan alleen de ijzeren regel dat iemand twee keer per jaar moet worden bezocht, ongeacht of hij dat wil. Ik wijs hierop naar aanleiding van het voorbeeld van de heer Servaes.

Als ik terugkijk op wat bijvoorbeeld onze mensen in Rusland de afgelopen tijd hebben gepresteerd voor de twee Nederlandse gedetineerden van de Arctic Sunrise, heb ik daar alleen maar grote waardering en respect voor. Dat zijn nog de gevallen die de publiciteit halen. Over veel mensen die bezocht worden in gevangenissen wordt nooit gesproken, terwijl de gevangenschap soms grote gevolgen heeft voor de personen in kwestie. Ik wil meer flexibiliteit in het aantal keren dat mensen bezocht worden en meer flexibiliteit ten aanzien van de vergoeding die mensen kunnen krijgen. We zullen de samenwerking met bijvoorbeeld stichting Epafras blijven zoeken en zullen meer vrijwilligers inzetten bij het bezoeken van gedetineerden. Ook Reclassering Nederland is daarbij betrokken. Soms is er behoefte aan geestelijke zorg. Daaraan proberen we ook te voldoen.

Een speciaal probleem, waarnaar ook de heer Omtzigt verwees, is dat van de bipatriden, de mensen met twee paspoorten. Er is voor die gevallen geen vuistregel of een wet van Meden en Perzen. Het zal altijd in afzonderlijke gevallen een discussie opleveren met de landen in kwestie. De Kamer kent de recente kwestie in Turkije waarover we gesproken hebben. In Iran hebben zich kwesties voorgedaan en doen zich nog steeds kwesties voor. Ook in andere landen is de kwestie van de bipatriden altijd lastig. Toch proberen wij deze mensen altijd te zien als onderdanen van Nederland. Als de andere partij het niet doet, zullen wij nooit over de bipatridenkwestie beginnen, want dan proberen we gewoon diensten te verlenen. De ambassade blijft, ook als andere landen zeggen het niet te willen, constant aandringen op toegang tot de persoon krachtens de regels die daarvoor gelden en op het kunnen verlenen van ondersteuning. Dat geldt met name op het moment dat een gedetineerde nog in onderzoek is of in voorarrest zit. Zo zijn er gevallen waarin we ons inzetten om een redelijke termijn voor voorarrest af te dwingen. Dat lukt niet altijd. Het Turkse voorbeeld in dat kader is bekend.

Ook het voorbeeld van Poch in Argentinië is bekend. In dit geval heb ik mij ervoor ingezet dat hij in vrijheid zijn proces zou kunnen afwachten. «In vrijheid» wil zeggen niet in de gevangenis, maar gewoon thuis in Argentinië. Dat is helaas niet gelukt, maar daarvoor heeft de Nederlandse overheid zich wel ingezet. Als wij dat doen, doen wij dat met kracht. Als de Argentijnen anders beslissen, is dat een beslissing van de Argentijnse rechter, ook als de juridische bijstand van de heer Poch het daarmee niet eens is. We hebben ons wel ingezet om dat te proberen te bereiken. Als het gewenst wordt, houden we ook contact met de familie en de advocaat. Dat was in dit geval ook zo. De mate van de consulaire bijstand is wel afhankelijk van de situatie waarin de gedetineerde zich bevindt. Het is echt op de persoon afgestemd. Er wordt daarbij gekeken naar de afstand tot de familie en er wordt bekeken of er een taalprobleem is en of er medische problemen zijn. Het zal altijd maatwerk zijn. Recht op consulaire bijstand bestaat niet. In het Verdrag van Wenen staat alleen dat indien de gedetineerde dat wenst, de consulaire vertegenwoordiger wordt ingelicht over de arrestatie, zodat desgewenst consulaire bijstand kan worden verleend. Er kan geen recht aan worden ontleend.

Ik heb al gezegd dat ik wil gaan variëren in de begeleiding, waarbij ik de omstandigheden meer wil laten doorwerken. In Europa zijn de omstandigheden min of meer gelijk aan die in Nederland. Er zijn daarop uitzonderingen, zoals in het geval van overbevolking van detentiecentra in sommige Europese landen. In Azië, Latijns-Amerika en Afrika zijn de omstandigheden aanzienlijk slechter. Daar gaan we na in welke omstandigheden de gedetineerde verkeert. Er wordt bekeken hoe de gezondheid is en of men voor zichzelf kan zorgen. We komen gedetineerden tegen die het ook in een ver land goed voor elkaar hebben omdat ze gewoon over middelen beschikken, waardoor ze een comfortabeler leven kunnen regelen in detentiecentra. Dan zie ik niet waarom de Nederlandse overheid daar ook nog iets aan zou moeten doen. Er zijn echter ook gedetineerden die in zeer deplorabele situaties verkeren in buitenlandse detentie. Zij verdienen in ieder geval dat wij ons best doen zodat zij een humanitair verantwoorde behandeling krijgen.

De heer Servaes (PvdA): Ik dank de Minister voor het beantwoorden van de vragen die ik hem op dit terrein heb gesteld. Bij mij ontstaat het beeld dat dit proces nog gaande is. De Minister vraagt of de Kamer ermee kan leven dat er meer gevarieerd wordt in de dienstverlening aan gedetineerden. Ik heb daar zelf al over gezegd dat dit natuurlijk kan. Ik denk dat daartoe inderdaad mogelijkheden zijn. Ik wil echter wel noteren dat dit heel gevoelig ligt. De Kamer moet wat dat betreft de hand in eigen boezem steken. Als er iets speelt in het buitenland, bijvoorbeeld in Thailand, krijgt dat veel aandacht in de Kamer. Het is belangrijk dat dit zorgvuldig gebeurt. Wil de Minister, naarmate hij verdergaat met het uitwerken hiervan, de Kamer informeren over de wijze waarop hij dat precies wil gaan doen? Hoe gaat de variatie eruitzien? Welke impact heeft dat? Zo is de Kamer daar helemaal bij.

Minister Timmermans: Ja, dat zeg ik graag toe. We zullen de Kamer daar zeker bij betrekken. Het is inderdaad work in progress. De heer Servaes wijst mij op een interessant punt dat mij vaker is opgevallen, namelijk dat we op een of andere manier soms coulanter zijn jegens Nederlandse criminelen die in het buitenland in de problemen komen en daar in detentie zitten dan wanneer zij in Nederland iets verkeerd doen. Ik bespeur dat vandaag absoluut niet in de Kamer, dus ik was echt aangenaam verrast door de wijze waarop de heer De Roon en anderen erover spraken. Een veroordeelde drugscrimineel in Nederland kan volgens de publieke opinie niet lang genoeg worden opgesloten. Maar als diezelfde meervoudig veroordeelde drugscrimineel in een ver buitenland in de gevangenis terechtkomt, is hij ineens heel zielig en moeten we alles voor hem doen. In het verleden hebben we dat weleens meegemaakt. Ik wil waken voor de beeldvorming die in het verleden heeft plaatsgevonden, maar die we gelukkig op dit moment achter ons hebben gelaten, ook getuige de wijze waarop de Kamer daarover heeft gesproken vanavond. Dat vind ik wijsheid en dat helpt ons ook verder. Immers, wat we ook doen om mensen te waarschuwen, met name drugsgerelateerde delicten kunnen in veel landen buiten Europa leiden tot zeer zware gevangenisstraffen en soms nog erger. Als je dat nu nog steeds niet weet als Nederlandse burger, begrijp ik niet op welke planeet je gewoond hebt. Als je dat risico aangaat in die landen, kun je erop rekenen dat die consequentie je boven het hoofd hangt. Natuurlijk proberen we ons dan nog steeds – dat is immers onze plicht – met consulaire bijstand voor de mensen in detentie in te zetten, maar we moeten ook niet net doen alsof dit arme, zielige, naïeve mensen zijn die helaas in de problemen zijn gekomen. Vaak neemt men een gecalculeerd risico voor heel grote verdiensten. Als men dan tegen de lamp loopt, heeft men dat risico zelf genomen, zeker wat betreft drugscriminaliteit of andere zware criminaliteit.

Ik ga in op het onderwerp economische diplomatie. De heer Servaes vraagt of ik de indruk heb dat het mkb voldoende op de hoogte is van de ondersteuning die de posten kunnen bieden. Ik heb gemerkt dat er nog winst te behalen valt op dit punt. Dat merk je eigenlijk niet in het verre buitenland, maar met name in het nabije buitenland. Ik denk daarbij aan de missie naar Wallonië, die ik heb geleid, en aan de missies naar verschillende landen en verschillende deelstaten van Duitsland, die werden geleid door collega Ploumen. Daarbij merk je dat het grote bedrijfsleven inmiddels goed en makkelijk de weg vindt, maar dat het voor het mkb vaak nog onontgonnen terrein betreft, waar wel veel kansen liggen. Agentschap NL heeft onlangs een onderzoek afgerond naar de bekendheid van het postennetwerk. Bedrijven die het agentschap weten te vinden, vinden ook de posten en andersom. Ik weet niet of men altijd het agentschap of de posten weet te vinden. Ik weet ook niet of we alles goed genoeg hebben opgelijnd voor het hele mkb. Als het mkb met de ambassades en het agentschap in contact komt, dan is het buitengewoon tevreden over de geleverde dienstverlening. Ik steek hiermee nogmaals een beetje de loftrompet over mijn collega's, maar er is geen enkele overheidsdienst die van het bedrijfsleven een hoger rapportcijfer krijgt dan de buitenlandse dienst. Op dat punt is het bedrijfsleven tevreden.

De bedrijven krijgen hun informatie via veel routes. Daarbij spelen de Kamers van Koophandel een rol, net als banken, Agentschap NL, Fenedex, FME en NCH. Er zijn heel veel private partijen die dat ook aanleveren. Via het Netwerkoverleg Internationaal Ondernemen zijn afspraken gemaakt om ervoor te zorgen dat ook bedrijven onderling elkaar helpen als er steun nodig is. De websites worden beter op elkaar aangesloten. Ik wil mijzelf nog eens goed oriënteren op de vraag hoe de samenwerking is tussen de organisaties, met name Agentschap Nederland en de posten, ongeacht of dat ambassades of de NBSO's zijn, en of we daarbij verbetering kunnen behalen.

De heer De Roon heeft nog gevraagd naar de activiteiten van de defensieattaché van Iran. Die vraag was al een keer eerder gesteld. Zoals vaker het geval is, heeft deze ambassade een defensieattaché die de formele vertegenwoordiger van het Iraanse Ministerie van Defensie in Nederland is. Hij is ook het aanspreekpunt voor de Nederlandse Defensieautoriteit voor alle zaken die de Iraanse defensie en krijgsmacht betreffen. Nederland heeft ook een defensieattaché voor Iran. Die was tot voor kort geplaatst in Damascus, maar zit nu in Beiroet en is mede geaccrediteerd in Teheran. Ik heb niet de indruk dat de Iraanse ambassade zo massaal bevolkt wordt hier in Den Haag. Overigens geloof ik dat er een zekere balans zit tussen Iran en Nederland. Ik denk ook dat het belangrijk is dat wij die contacten met Iran houden. Er zal de komende tijd heel veel diplomatiek overleg met en rond Iran plaatsvinden. Het is goed dat het dan ook vertegenwoordigers in Nederland heeft die wij op dat punt kunnen aanspreken.

De heer Ten Broeke heeft nog gevraagd naar de regionale samenwerking. Ik ben daar al op ingegaan wat betreft het Balticum, de Balkan en Scandinavië. Ik had ook de Verenigde Staten kunnen noemen. Ook daar werken wij regionaal samen bij de administratie, dienstverlening en visumverstrekking. Wij hebben de Regional Support Offices (RSO's) op verschillende plekken in de wereld zo'n beetje geprobeerd per tijdzone en regio in te delen. Zij leveren ook ondersteunend werk. De eerste resultaten van die samenwerking zijn positief, maar wij blijven die evalueren. Ook daarbij proberen wij te leren en te bekijken hoe wij die zo efficiënt mogelijk kunnen organiseren.

Verder heeft de Kamer gevraagd hoe je heel concreet meet wat het effect is van wat je doet. Dat vind ik lastig. Er zijn onlangs heel succesvolle handelsmissies geweest naar Indonesië en China. Beide landen zijn eerder door mij bezocht. In China was ik één keer en in Indonesië twee keer. Kan ik aantonen dat mijn bezoeken hebben bijgedragen aan het succes van een handelsmissie? Nee, maar ik denk het wel. Dat is mijn inschatting. Ik denk dat wij de weg hebben kunnen plaveien voor het bezoek van de Minister-President. Maar had dat bezoek er anders uitgezien als ik het bezoek niet had voorbereid? Dat weet ik niet. Dat kan ik nooit bewijzen. Het is dus soms moeilijk om dit soort zaken te kwantificeren.

Door andere landen worden handelsmissies alleen als succesvol gezien als zij door de overheid worden gelanceerd en gesteund. Die houding hebben wij in Nederland niet, maar in heel veel landen, zeker buiten Europa, is een handelsmissie pas een handelsmissie als die geleid wordt door het staatshoofd, de regeringsleider of een Minister en als zij zo wordt voorbereid.

Om dat meteen letterlijk te kunnen vertalen in wat dit de belastingbetaler oplevert, is soms lastig. Een ambassadeur in een land ver weg die heel veel investeert in het netwerk, promoot bijvoorbeeld de Nederlandse landbouwsector door een groot diner te geven voor mensen die hoog in de boom zitten ten aanzien van de besluitvorming in Turkije, waarbij asperges uit Nederland worden ingevlogen en geserveerd. Dat voorbeeld haalde de heer Van Bommel aan. Hij viert daarmee geen afscheidsfeest, maar hij promoot daarmee in het kader van de 400 jaar betrekkingen tussen Nederland en Turkije de agrarische sector in Nederland. Dat doet hij in zijn residentie. Hij heeft ervoor gezorgd dat die residentie representatief is, zodat mensen daar graag komen. Uiteindelijk is dat zijn bijdrage aan het promoten van de Nederlandse landbouwsector. Kun je daar meteen een nettoresultaat op plakken? De landbouwsector vindt van wel. Anders zou hij die producten niet ter beschikking stellen, maar of ik dat in een rapportage aan de Kamer zo kan kwantificeren, weet ik niet.

Als persoonlijke verhoudingen tussen bewindslieden bij bezoeken leiden tot een ontspannen situatie en als eerder aangekondigde inspecties of maatregelen misschien niet plaatsvinden, kun je dat dan kwantificeren? Dat is moeilijk te zeggen. Kunnen wij, terugkijkend op wat er zich in Rusland heeft afgespeeld, dit straks kwantificeren? Ik denk het niet. Dat zullen wij nooit helemaal kunnen doen. Een mislukking heeft meestal maar één vader. Zij bekent zichzelf trouwens niet tot dat vaderschap, maar zij wordt door alle anderen als vader daarvan aangewezen. Een succes heeft echter altijd talloze vaders en moeders. Ook dat is dus altijd moeilijk te kwantificeren. Ik vrees dat dit in de diplomatie altijd lastig zal blijven, maar ik wil met de Kamer nadenken over manieren om het iets preciezer in kaart te kunnen brengen. Dat kan met name door na handelsmissies aan te geven welke contracten er precies zijn getekend. Minister Ploumen doet dit ook heel precies.

Een aantal leden heeft gevraagd naar de sluiting van het NBSO in Houston en het schrappen van de honorair consul in Houston, Texas. Dat is niet aan de orde. Er was een pilot in Houston. Die loopt tot 1 oktober 2014. Formeel moet er voor die tijd een evaluatie worden afgerond. Dan pas kunnen wij conclusies trekken over de vraag of wij dat NBSO voortzetten. Daarna moet er voldoende marge zijn om de zaken administratief af te ronden, als wij zouden besluiten tot sluiting. Eind april is de evaluatie voltooid en dan zal ik de Kamer op de hoogte stellen van de consequenties die wij daaraan verbinden, maar wij hebben geen plannen om het NBSO in Houston te sluiten. Wel vind ik dat je, als je afspreekt dat je zo'n pilot gaat evalueren, niet vooruit moet lopen op de evaluatie. Wat betreft de honorair consul kan ik zeggen dat diens termijn afloopt. Er zal een nieuwe honorair consul worden aangezocht. Er zal dus een honorair consul blijven in Houston. Dat is in ieder geval mijn inzet.

Ook zijn er vragen gesteld over de expertise bij BZ in de vorm van specialisatie van personeel. Ik neem aan dat dit ook naar aanleiding van het rapport van de heer Docters van Leeuwen was. De kwaliteit van het personeel van Buitenlandse Zaken is bovengemiddeld hoog, maar door de aard van het werk bij Buitenlandse Zaken heeft de kwaliteit van je bijdrage aan het werk bovengemiddeld veel te maken met de ervaring die je opdoet in het werk. Dat werk is eigenlijk misschien nog wel het meest te vergelijken met bijvoorbeeld de krijgsmacht of de rechterlijke macht. Bij andere beroepen leer je een vak en als je die opleiding eenmaal hebt afgerond, kun je dat toepassen. Bij de krijgsmacht, de diplomatieke dienst en bij de rechterlijke macht is het toch meer een loopbaan waarin je verschillende aspecten van het werk moet zien en dan moet bekijken waarin je sterk bent. Daarop moet je dan je verdere expertise ontwikkelen. Dat doet men bij de krijgsmacht en de rechterlijke macht. Bij Buitenlandse Zaken doen wij dat ook.

Onze attitude tegenover medewerkers is dus gericht op een loopbaan en wij letten niet alleen op een functie. Dat is dus anders dan bij de rest, althans bij grote delen, van de rijksoverheid. Dat laat onverlet dat ik natuurlijk ook de ruimte wil hebben om mensen zich te laten specialiseren. Dat hoeft echter niet in één onderwerp te zijn maar kan ook in twee of drie onderwerpen zijn. De praktijk is ook dat dit op dit moment bij Buitenlandse Zaken gebeurt.

Eerlijk gezegd waren wij – en misschien zijn wij dat nog – minder goed in mid-career development. Ook daarbij zie je dat de krijgsmacht en de rechterlijke macht meer ruimte hebben om mensen een tijdje uit het proces te halen en opleidingstrajecten of verbetertrajecten te laten doorlopen. Wij hebben gewoon niet zo veel capaciteit om die mensen langere tijd uit het systeem te halen. Wel denken wij op basis van het rapport van Docters van Leeuwen na over manieren waarop wij meer kunnen aanbieden in termen van ontwikkelingskansen et cetera dan wij nu doen. Hij wil daarvoor een soort academy maken. Ik weet niet of dat helemaal haalbaar zal zijn. Ik denk eerlijk gezegd van niet. Er zijn ook instellingen in Nederland, universiteiten of andere instellingen, die dat kunnen aanleveren.

Wij willen ook het opleidings- en trainingsprogramma rijksbreed inkleden. Zoals een aantal leden heeft gezegd, is het belangrijk dat ook andere departementen meer buitenlandse expertise opdoen. Ik wil de ramen bij Buitenlandse Zaken heel graag verder openzetten met respect voor de ministeriële verantwoordelijkheid en met het uitgangspunt dat je ondanks de specifieke kwaliteiten die je nodig hebt voor BZ toch altijd een vorm van loopbaan moet houden. Ook wil ik mensen vanuit andere departementen en van buiten de rijksoverheid de kans geven om functies bij Buitenlandse Zaken te vervullen. De kwaliteit staat voor mij echter voorop. Het gaat dus om de beste vrouw of de beste man.

Ook de reciprociteit staat daarbij voorop. Als wij mensen van andere departementen een kans geven om bij Buitenlandse Zaken te werken, wil ik ook dat de andere departementen mensen vanuit Buitenlandse Zaken op verantwoordelijke functies accepteren. Ik wil niet naar een situatie die zich in het verleden heeft voorgedaan, namelijk dat op sommige departementen werd gedacht bij een vrouw of man die niet functioneerde of lastig werd gevonden: laat die maar ambassadeur worden, dan ben ik ervan af. Dat is niet de kwaliteitsimpuls waarnaar wij op zoek zijn, zo zal ik maar zeggen. Ons gaat het erom dat wij de hele rijksoverheid beter maken, andere departementen meer gefocust maken op het werk in het buitenland en daar ook meer toe in staat stellen en dat wij de ramen bij Buitenlandse Zaken opengooien, zodat mensen van buiten ook hun input en expertise bij Buitenlandse Zaken kunnen leveren. Ik heb een aantal collega's dat inmiddels bij Buitenlandse Zaken werkt, dat van buiten komt. Het is dus een fabeltje dat het een gesloten winkel is. Onze ambassadeur in Turkije komt oorspronkelijk van Financiën. Onze ambassadeur in Moskou was vroeger van Economische Zaken. Onze ambassadeur in Luxemburg komt van wat toen Verkeer en Waterstaat heette. In het verleden hebben wij daarmee natuurlijk ervaringen opgedaan. Die zijn in deze gevallen zonder enige uitzondering positief. Ik wil op dat vlak in samenwerking met de secretaris-generaal doorgaan. Nogmaals, als dat moet leiden tot een virtuele academy met plekken waar je training on the job kunt doen, wil ik dat graag doen maar dan wel rijksbreed. Dan wordt de expertise ook gedeeld met anderen.

De heer Sjoerdsma (D66): Bij het specialiseren moet een balans worden gevonden tussen enerzijds de algemene inzetbaarheid van diplomaten en anderzijds het effectief inzetten van opgedane ervaring en kennis bij vervolgstappen in de loopbaan. Terecht stipte de Minister aan hoe cruciaal dat soms is. Docters van Leeuwen zegt daarover eigenlijk twee dingen. Investeren in kennis werkt met kwalificaties voor diplomaten en de daarbij behorende ontwikkeltrajecten. Ook zegt hij dat diplomaten op basis van kennis moeten worden ingezet. Mijn vraag richt zich vooral op dat laatste. Ik ben het helemaal eens met de Minister dat diplomaten gerust twee of drie specialismes kunnen hebben. Ik lees echter tussen de regels door in het rapport van Docters van Leeuwen dat diplomaten juist niet worden ingezet op hun expertise. Dat ken ik ook wel uit eigen ervaring. Het ligt dus niet aan het ontwikkeltraject maar meer aan de plaatsing. Het gaat om het vullen van plaatsen en niet om het op de juiste plek krijgen van de juiste vrouw of man. Ik zou graag van de Minister horen dat hij zich meer gaat inzetten voor het tot zijn recht laten komen van bepaalde specialismes en expertises bij de diplomaten van BZ.

Minister Timmermans: Het zou voor mij nu heel makkelijk zijn om dat als een succes te claimen en te zeggen dat ik dat ga doen, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dit al een aantal jaren veel meer gebeurt. Wij spitsen dit steeds verder toe. Wij hebben ook een professionaliseringsslag gemaakt bij de personeelsdienst om dit beter te kunnen doen. De personeelsdienst is een mix van mensen die P&O-werk hebben gedaan en mensen uit de buitenlandse dienst die ook hun inbreng bij de ontwikkeling van de personeelsdienst kunnen hebben. Wij gaan veel meer rekening houden met kennis dan in het verleden. Denk aan taalkennis en ervaring die men heeft opgedaan.

Wij gaan ook af van de ijzeren stelregel dat een plaatsing een bepaalde duur moet hebben en niet langer of korter mag zijn. Ik ben niet zo voor een kortere duur, als dat even vermeden kan worden, want dat is duur. Hoe vaker je overplaatst, hoe duurder het wordt. In sommige gevallen kan het langer. Op sommige plekken doen wij dat al. Al veel langer zijn wij zakelijk geworden bij de Permanente Vertegenwoordiging bij de Europese Unie door de plaatsingstermijnen soms te verdubbelen, als dat nodig is vanuit het belang van de Staat. Tegelijkertijd heb ik ook rekening te houden met de carrièreontwikkeling van mensen. Als wij mensen een loopbaan aanbieden en hen uit dienstbelang heel lang op één plek laten zitten, houdt dat een risico in voor ontwikkelingskansen, als wij hen daarvoor vervolgens niet kunnen belonen in termen van carrièreontwikkeling. Met die nuance erbij vullen wij het personeelsbeleid steeds meer op die manier in.

De heer Sjoerdsma (D66): Dank. Het is goed om te horen dat daar steeds meer op wordt ingezet. Ik denk dat Nederland daarvan de vruchten zal plukken. De Minister zei in zijn bijdrage ook dat de ramen steeds meer open moeten. Dat raakt hier een beetje aan. Dat is een goed punt, want dat komt Buitenlandse Zaken volgens mij op verschillende manieren ten goede. De Minister noemde al de voorbeelden van diverse ambassadeurs op dit moment die met goed gevolg vanuit andere ministeries komen. Ik wil hem aanmoedigen om ook te kijken naar het openen van plekken voor mensen uit het bedrijfsleven of van kennisinstellingen en detacheringen daar en vice versa mogelijk te maken, voor zover hij dit zelf al niet doet. Wij hadden het eerder over de groeimarkten. Waarom zou iemand van Economische Zaken of vanuit een internationaal bedrijf niet ook uitstekend een aantal van de taken van een diplomaat kunnen overnemen? Of waarom zou, bij wijze van spreken, een militair niet een veiligheidshervormingsprogramma in Egypte kunnen runnen? Ik noem maar wat verschillende voorbeelden waarvan de kruisbestuiving best interessant kan zijn. Ik vraag de Minister om daarop ook even te reflecteren.

Minister Timmermans: Ik ben daar best toe bereid, maar bij mij staat vakmanschap voorop. Kwalificatie en vakmanschap moeten vooropstaan. Ik ben ook niet van de school die zegt dat iedereen uit het bedrijfsleven per definitie beter is dan iemand die bij de overheid vandaan komt. Het kan echter best zo zijn dat iemand uit het bedrijfsleven bijvoorbeeld jarenlang in een bepaald land heeft gewerkt en zo veel expertise kan meebrengen over dat land dat het gunstig is voor de Nederlandse overheid om die persoon voor de Nederlandse overheid in te zetten in dat land. Ik wil die flexibiliteit zeker hanteren. Daarbij moeten wij dan wel werken met tijdelijke aanstellingen en dit niet zien als een manier om mensen die zo willen proberen aan een vaste aanstelling te komen, permanent de buitenlandse dienst binnen te halen. Daarbij moeten wij ook flexibiliteit hanteren.

De heer Sjoerdsma heeft een punt opgebracht dat mij zeer aan het hart gaat. Dat heeft niet alleen met emancipatie te maken, maar ook gewoon het zakelijke belang van Buitenlandse Zaken dient, namelijk de partnerproblematiek. Wij leven inmiddels in een tweeverdienerssamenleving. Ik loop in toenemende mate tegen het probleem aan dat het moeilijk is, zeker in een bepaalde leeftijdscategorie, om mensen naar het buitenland over te plaatsen, omdat zij niet met hun hele gezin kunnen gaan, wat ook weer allerlei problemen oplevert, of omdat je de gezinsleden bijna dwingt om hun baan, al dan niet tijdelijk, op te geven. Dat is in toenemende mate moeilijk.

Wij zullen in de toekomst dus ook voor partners van diplomaten emplooimogelijkheden moeten ontwikkelen in de landen waar men naartoe gaat. Dat kan misschien ook werk op afstand zijn. Daarover moeten wij ook nadenken. Wij moeten met meer landen dan tot nu toe is gelukt, afspraken maken over de ruimte die deze landen geven. Ik licht dat even toe. Heel veel landen staan niet toe dat partners van diplomaten werken als zij naar dat land komen. Wij hebben inmiddels met 66 landen overeenkomsten waardoor het wel mogelijk is, zij het niet altijd onder volledige omstandigheden, maar waardoor er wel ruimte voor is om dat te doen. Dat moeten wij met nog veel meer landen afspreken. Als we dit niet doen, ondermijnen we positie van de buitenlandse dienst en van Buitenlandse Zaken. Het kan namelijk niet zo zijn dat we teruggaan naar een samenleving waarin de partner – in het verleden was dit meestal de vrouw – zich maar moet schikken naar/in de carrière van haar man en bovendien ook nog eens een onbetaald medewerker is van Buitenlandse Zaken, doordat er ter plekke een hele hoop van haar wordt gevraagd. En dat moest allemaal ook nog eens onbezoldigd. Dat kan echt niet meer in deze tijd. Dat is gewoon onmogelijk. Ik wil het ook niet. Ik vind het anti-emancipatoir en daarom zal ik er alles aan doen om voor partners, mannen en vrouwen, mogelijkheden voor ontplooiing elders te vinden. Als men dat niet nodig vindt, dan is dat prima. Hoe het ook zij: het moet meer aanwezig zijn dan in het verleden.

Bij de professionalisering van de personeelsdienst moeten we onderscheid maken tussen specialistische en generalistische functies. Ik zal in de toekomst zeker nog generalisten nodig hebben, die ik uit het bestand van de buitenlandse dienst kan halen. Ik heb echter ook professionele P&O-mensen nodig. Ik beschik al over dergelijke mensen, maar ik zal desondanks de samenwerking met de Algemene Bestuursdienst intensiveren, opdat we van elkaars expertise kunnen profiteren.

Ik ben er trots op dat wij met een relatief klein apparaat een enorm overplaatsingssysteem in stand houden. Fouten worden er altijd gemaakt, maar grosso modo doen we het heel goed. Heel veel andere overheidsdiensten kunnen er een voorbeeld aan nemen. We hebben nu een heel nieuw rekruteringssysteem, waarin we mensen niet langer dan voor zeven jaar aanstellen. Na die zeven jaar gaan we na of we met een «up or out»-systeem kunnen werken. Dat is een vernieuwing waar de rest van de overheid volgens mij met enige jaloezie naar kijkt.

De heer Omtzigt (CDA): De Minister zegt dat er goed wordt samengewerkt met de Algemene Bestuursdienst. In het regeerakkoord staat echter dat de diplomatieke dienst per 1 januari onder de Algemene Bestuursdienst komt te vallen. Wat is precies de status van die afspraak? Blijft het bij die samenwerking of komt die hervorming er alsnog?

Minister Timmermans: In goed overleg met collega Blok en met het advies van de heer Docters van Leeuwen in de hand zijn wij nagegaan hoe we die afspraak in het regeerakkoord het beste kunnen implementeren. De randvoorwaarde hierbij is en blijft overigens dat ik als Minister van Buitenlandse Zaken verantwoordelijk ben voor mijn personeel. Dat staat immers zo in de Grondwet. Ik kan mijn personeel dus niet zomaar aan iemand anders overhandigen. De heer Omtzigt moet die bepaling in het regeerakkoord dus niet zo lezen dat het hele personeelsbestand van Buitenlandse Zaken naar een ander departement wordt overgeheveld. Wat we wel gaan doen, is nauwer aansluiten bij het systeem van de Algemene Bestuursdienst. Verder gaan we ervoor zorgen dat er kruisbestuiving mogelijk is tussen de ABD en de top van Buitenlandse Zaken. We werken dat op dit moment uit en zullen de Kamer daarover op niet al te lange termijn informeren.

Dat de ramen en luiken bij Buitenlandse Zaken opengaan en dat we ophouden een closed shop te zijn, staat als een paal boven water. Dat was ook de intentie van de afspraak in het regeerakkoord. Die afspraak gaan we dus wel degelijk invullen. Vorig jaar heb ik dat bij de ambassadeursconferentie ook helder tegen mijn mensen gezegd. Ik heb toen gezegd: «Beste collega's, als jullie zo overtuigd zijn van jullie kwaliteit, dan durven jullie ook de concurrentie aan met mensen uit de ABD en van elders. Best man, best woman for the job. Als jullie geloven in jezelf, dan hoeven jullie open ramen, open deuren en open luiken niet te vrezen.» Zo gaan we het ook samen met de ABD invullen. Overigens leveren ook andere departementen die met de ABD samenwerken, hun personeel niet in. Zij blijven gewoon verantwoordelijk voor hun mensen.

De voorzitter: Een korte vraag van de heer Sjoerdsma. Mag ik de Minister vragen daarna af te ronden?

Minister Timmermans: Ik doe mijn best.

De heer Sjoerdsma (D66): De Minister heeft in reactie op het advies van de commissie-Docters van Leeuwen geschreven dat hij Docters van Leeuwen had gevraagd om hiernaar onderzoek te doen. De Minister maakt melding van dat onderzoek toen hij zei dat hij op basis daarvan in gesprek is met zijn collega Blok. Wanneer krijgt de Kamer dat onderzoek te zien? Wordt het meegenomen in de eindconclusie of is het nu al beschikbaar?

Minister Timmermans: Ik heb daarover inmiddels goede mondelinge afspraken met collega Blok gemaakt. Die afspraken schrijven we op dit moment op en binnen een aantal weken kan ik die afspraken waarschijnlijk in de ministerraad bespreken. Als de ministerraad hierover een besluit heeft genomen, zal ik de Kamer inlichten. Bij dat besluit zal ik het rapport van Docters van Leeuwen voegen, zodat de Kamer over het geheel, al dan niet inclusief de e-mails van de heer Omtzigt, een oordeel kan vellen.

Er zijn vragen gesteld over Sanaa en Kabul. Het is duidelijk dat de kleinere presentie in Sanaa toegespitst moet worden op de kerntaak ontwikkelingssamenwerking. We zijn op zoek naar colocatie met andere landen, zodat we de kosten kunnen drukken. De grootste kosten die je in dat soort landen maakt, zijn namelijk de beveiligingskosten. Als je een locatie met anderen kunt delen, nemen die beveiligingskosten relatief af.

Een en ander geldt ook voor Afghanistan. De ambassade in Kabul zal kleiner worden, omdat onze aanwezigheid in Afghanistan terugloopt. Er loopt nog wel een ontwikkelingssamenwerkingsprogramma in Afghanistan en daarvoor moeten mensen ter plekke aanwezig blijven. Maar ook hier kijken we naar mogelijkheden van colocatie, omdat er meer landen in de omstandigheid verkeren dat ze hun presentie in Afghanistan verminderen, maar niet helemaal willen beëindigen. Ook hier proberen we er dus samen uit te komen.

Ik ben de heer De Roon nog een concreet antwoord schuldig op zijn vraag over het aantal personen dat op de Iraanse ambassade werkzaam is. Vijftien personen zijn geaccrediteerd. Deze mensen doen bilateraal werk. Daarnaast werken ze bij de OPCW, bij het Internationaal Gerechtshof en bij het Iran-United States Claims Tribunal, een tribunaal dat een heel lange staat van dienst heeft in Den Haag.

Voorzitter. Als ik mij niet heel sterk vergis, ben ik aan het einde gekomen van de beantwoording van de door de leden in eerste termijn gestelde vragen.

De voorzitter: Ik bedank de Minister voor zijn beantwoording in eerste termijn. Hij vergist zich volgens mij niet, want de vragen van de leden zijn uitgebreid beantwoord.

Alvorens over te gaan tot de tweede termijn, de termijn waarin de leden moties kunnen indienen, schors ik de vergadering voor enige minuten.

De vergadering wordt van 21.30 uur tot 21.38 uur geschorst.

De voorzitter: Ik heropen de vergadering voor de tweede termijn. Het woord is aan de heer Van Bommel. Hij heeft drie minuten spreektijd.

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. De Minister heeft gesproken over het consulaat-generaal in Antwerpen. Daarover hebben we een brief ontvangen van Jaap Jelle Feenstra. Wat in die brief staat, staat haaks op wat de Minister zei over het belang van het consulaat. We hebben verder ook een brief ontvangen van de burgemeesters Van der Laan, Aboutaleb en Jorritsma, bepaald geen SP'ers, over het consulaat in Osaka. Ik vond die brief overtuigend. Ik vraag de Minister daarom om in aanvulling op de motie die ik zo dadelijk ga indienen, te kijken naar mogelijkheden om ook het consulaat in Osaka open te houden. Daarmee zou 1,5 miljoen euro gemoeid zijn en zo'n bedrag moet volgens mij op de begroting gevonden kunnen worden, zeker nu er door anderen dan de Minister geld gevonden is om die andere vier consulaten open te houden.

De Minister zegt dat het gesprek met het bedrijfsleven over een bijdrage niet wil vlotten. De woorden van de vertegenwoordiger van het bedrijfsleven in de hoorzitting vond ik ook niet echt overtuigend. Hij zei letterlijk: een bijdrage van een euro voor een biertje bij bijeenkomsten, dat moet zeker mogelijk zijn. Dat is niet bepaald de bijdrage aan de economische dienstverlening via ambassades en consulaten waar de SP aan denkt. Wij denken meer aan de Deense werkwijze. De Denen hebben daarvoor ook een uitgewerkt protocol. Ik heb dat bestudeerd. In dat protocol staat gewoon een uurtarief. Verder worden de doelstellingen omschreven in het protocol in de zogenaamde «general business conditions». Dit is een voorbeeld dat Nederland zou moeten volgen. Ik dien daarover de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het bedrijfsleven heeft aangegeven financieel te willen bijdragen aan het openhouden van consulaten-generaal;

constaterende dat Denemarken een uitgewerkt protocol heeft voor een bijdrage van het bedrijfsleven voor het verlenen van economische dienstverlening;

verzoekt de regering, te onderzoeken of Nederland een met de in het Deense protocol vergelijkbare bijdrage voor het verlenen van economische diensten aan het bedrijfsleven kan invoeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Van Bommel. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 17 (32 734).

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. Nederland heeft enkele honorair consulaten in Frankrijk. De kosten voor het verlengen van een paspoort zijn heel hoog. De Minister heeft het een beetje geschetst, maar wanneer gaat nu eindelijk de geldigheidsduur van een paspoort naar tien jaar? Moet ik daarbij denken aan een termijn van twee, vijf of tien jaar? Als het toch langer gaat duren, dan zouden we volgens mij de overbruggingsregeling open moeten houden totdat de geldigheidsduur verdubbeld is.

Ik heb een vraag gesteld over de budgetten voor dienstwoningen. De Minister zegt dat die fors zijn gekrompen. Maar past de huisvesting nu wel of niet binnen de richtlijn? Ik vraag dat, omdat in 2007 meer dan de helft erboven zat. Is dat nu wezenlijk anders?

Ik ben blij met de toezegging dat het voor het bedrijfsleven mogelijk blijft in Arbil een visum aan te vragen. De Kamer wordt hierover nog geïnformeerd. Ik verwacht dat dit een opstap zal zijn naar een volwaardig consulaat in Arbil. Andere Europese landen hebben daar overigens al wel een volwaardig consulaat.

De Minister heeft een opmerking gemaakt over het aspergefeest in Turkije. Dat was wel degelijk georganiseerd ter gelegenheid van het afscheid van de ambassadeur. De president van Turkije en prins Alexander waren bij dit feest aanwezig, maar dat laat onverlet dat het ook was georganiseerd als afscheid van de ambassadeur. Overigens is het zelfs een jaarlijkse asperge-eterij. Ik vraag mij echt af of zo'n jaarlijkse promotie nodig is. Als je één keer vijf gangen in de residentie hebt genoten, kun je daar echt wel een paar jaar op voort. Een diner bereid door een topkok uit een sterrenrestaurant is daarvoor niet nodig. Ik zou er ook in dit geval aan willen herinneren dat we sober dienen te zijn.

De voorzitter: Het woord is aan de heer Ten Broeke. Hij heeft vijf minuten spreektijd.

De heer Ten Broeke (VVD): Voorzitter. Een afscheid van een ambassadeur in aanwezigheid van de president en de kroonprins en dat ook nog eens op een regulier moment en, ongetwijfeld met instemming van de heer Van Bommel, gesponsord door het bedrijfsleven: de Hollandse koopmansgeest bij uitstek!

Over onze koopmansgeest gesproken: onze premier memoreerde op het partijcongres van mijn partij afgelopen zaterdag zijn bezoek aan Indonesië. Hij sprak toen over een Friese boer die 90 jaar geleden op de eerste KLM-vlucht naar Jakarta zat, omdat hem was opgevallen dat er in Friesland meer koeien dan mensen rondliepen. Hij had daar de boerenslimme conclusie uit getrokken dat er dan ongetwijfeld elders meer geld te verdienen zou zijn. Dus nam hij dat eerste vliegtuig. Ondertussen is Nederland echter wel een van de grootste zuivelexporteurs naar Indonesië geworden.

Het afgelopen kwartaal steeg de export naar Indonesië met 2,1%. Zonder die exportgroei en zonder de algemene exportgroei zou Nederland niet uit de recessie zijn gekomen. Zoals ik al eerder aangaf is de Nederlandse economie immers voor 29% afhankelijk van de export. We verdienen er zo'n 200 miljard mee. Daarom is het van belang dat wij daar waar we economische kansen, kansen voor handel zien – ik hoop dat we dat straks in de motie teruglezen – in elk geval consulaten open proberen te houden. Dat moeten we echter ook proberen waar er misschien reeds handelsrelaties zijn, want in deze wereld geldt nu eenmaal dat het bij opkomende markten in toenemende mate via de overheid moet gebeuren. Niet de hele wereld is geliberaliseerd en niet overal kan het zonder de overheid. Helaas!

Daar waar dat mogelijk en noodzakelijk is, zullen we het dus met consulaten-generaal moeten doen. Er zijn natuurlijk ook altijd andere bilaterale overwegingen. Ik denk dan bijvoorbeeld aan Antwerpen en Vlaanderen, want daar moeten we ons consulaat openhouden, omdat we zover gaan dat we samen een handelsmissie naar Texas organiseren. Ik vond dit een originele vondst, net als ik het een originele vondst vond dat in Albanië de tweede man een Belg wordt. Of dat ertoe leidt dat bij de PVV de vlag uit kan, welke vlag dat ook moge zijn, weet ik niet, maar deze Groot-Nederlandse gedachte wordt ongetwijfeld met instemming door de PVV gevierd.

De VVD steunt de motie die straks door de heer Sjoerdsma wordt ingediend. In deze motie wordt de regering gevraagd om in ieder geval de posten in München, Chicago, Antwerpen en Milaan open te houden. Dat doen we van harte. Net als anderen hebben we al in een heel vroeg stadium als onze mening geopperd dat de regering hiervoor om een bijdrage kan worden gevraagd uit de HGIS-begroting.

Ik zeg echter nadrukkelijk ook dat het er niet toe mag leiden dat het bedrijfsleven niet meer hoeft mee te denken over de toekomst van het postennetwerk. Het bedrijfsleven kan nu en in de toekomst een essentiële bijdrage leveren aan het postennetwerk en wel om het breed te houden, om het goed te houden en om het op een kwalitatief hoog niveau te houden. Daarom is het noodzakelijk dat hierover in gesprek wordt gegaan in de geest van de motie die zojuist door de heer Van Bommel is ingediend. Ik hoop dat de Minister hierover een dusdanige toezegging kan doen dat die motie overbodig wordt. Wat mij betreft moet het namelijk onderdeel zijn van het gesprek dat hierover zal plaatsvinden.

Ik teken nog wel aan dat een eventuele bijdrage uit de HGIS-begroting er niet toe mag leiden dat de begroting van Buitenlandse Zaken of van Defensie extra wordt aangeslagen als de post onvoorzien volgend jaar alsnog nodig blijkt te zijn. Wat de VVD betreft wordt er dan eerst gekeken naar de begroting van ontwikkelingszaken, want laten we wel wezen: de bezuiniging die voorzien is voor het postennetwerk en die nu met veel moeite wordt gehalveerd, is amper 1% van de OS-begroting, een afrondingsverschil.

Regionale samenwerking is uitstekend, zeker waar men dat al doet. Ik denk dat de Verenigde Staten hiervan een mooi voorbeeld zijn.

Ik steun de opmerkingen van mijn voorganger over Arbil. Ook daar zien wij graag uitbreiding als dat mogelijk is. Dat zou ook weleens uit die motie kunnen voortvloeien, maar ik laat dat verder geheel aan de Minister.

De voorbeelden van de Minister zijn mij uit het hart gegrepen. Ze zijn namelijk illustratief voor de wijze waarop Nederlandse diplomaten, soms met heel weinig middelen, tot heel veel in staat zijn. Dat tekent op een andere manier hun handelsgeest! Mij staat nog helder voor de geest dat wij van ambassadeur Spaans in Vilnius te horen kregen dat hij zelf met kaarslicht zijn weg naar de kelder had proberen te vinden om daar eigenhandig een kapotte server te repareren. Hij deed dat overigens aan de hand van bewegwijzering die zowel in het Deens als in het Nederlands was vormgegeven. Het kan en het gebeurt ook!

De voorzitter: Het woord is aan de heer De Roon van de PVV-fractie. Hij heeft drie minuten voor zijn tweede termijn.

De heer De Roon (PVV): Voorzitter. De gezamenlijke posten met Belgische diplomaten op de Nederlandse ambassade in Tirana: dat is natuurlijk iets wat onze aandacht trekt. De Minister heeft er enkele woorden aan gewijd, ook in het antwoord op vraag 42 van de schriftelijke vragenronde. Helemaal duidelijk is het mij echter nog niet. Daarom vraag ik de Minister of hij bereid is om de werkafspraken die hierover met België zijn of worden gemaakt, aan de Kamer ter beschikking te stellen. Dan kunnen we die eens goed bestuderen. Wellicht dat het mij dan duidelijk wordt hoe dat moet gaan werken.

In eerste termijn heb ik bepleit dat de consulaten-generaal zo veel mogelijk open worden gehouden. Van alle consulaten-generaal gaat er mij één bijzonder aan het hart en over dat consulaat-generaal dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de met de voorgenomen sluiting gepaard gaande netto kostenbesparing nog geheel onduidelijk is;

overwegende dat er veel geld te verdienen valt in Beieren en het consulaat-generaal in München daarbij een sleutelrol speelt;

overwegende dat het bedrijfsleven fel gekant is tegen de voorgenomen sluiting van het consulaat-generaal in München en zelfs aangeboden heeft een deel van de kosten op zich te nemen om het consulaat-generaal open te houden;

overwegende dat het consulaat-generaal daarnaast veel Nederlandse toeristen helpt en de ANWB zich ook hevig verzet tegen sluiting;

verzoekt de regering, het consulaat-generaal in München te behouden, zo nodig met financiële steun van het bedrijfsleven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid De Roon. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 18 (32 734).

De heer De Roon (PVV): Mijn tweede motie gaat uiteraard over Tel Aviv, zoals de heer Omtzigt al heel goed aanvoelde.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat ambassades normaliter gevestigd zijn in de stad waar de regering van dat land zich bevindt;

constaterende dat de regering van Israël zich in Jeruzalem en niet in Tel Aviv bevindt;

overwegende dat het Nederlandse bedrijfsleven geweldig kan profiteren van een goede consulaire ingang en ondersteuning in Israël;

verzoekt de regering, de ambassade van Tel Aviv te verplaatsen naar Jeruzalem en te onderzoeken of er in de huidige ambassadevestigingsplek in Tel Aviv een consulaat(-generaal) gevestigd kan worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid De Roon. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 19 (32 734).

De heer De Roon (PVV): Hiermee ben ik aan het einde van mijn inbreng in tweede termijn gekomen.

De voorzitter: Het woord is aan de heer Servaes. U hebt vijf minuten in tweede termijn.

De heer Servaes (PvdA): Voorzitter. Ik denk dat ik ze niet allemaal nodig zal hebben.

De belangrijkste conclusie van vandaag is dat dit kabinet wil dat dit land met het gezicht naar de wereld staat en dat wij op zo veel mogelijk plekken aanwezig zijn, niet alleen in het belang van onze handel, maar wat de PvdA-fractie betreft zeker ook in het belang van het bevorderen van de mensenrechten, ontwikkelingssamenwerking en niet te vergeten vrede en veiligheid. Ambassades doen daarbij goed werk onder moeilijke omstandigheden. Wij hebben vandaag tal van voorbeelden gehoord waaruit blijkt hoe zij dat creatief doen. Laat ik aan mijn woorden in eerste termijn toevoegen dat ook het werk dat ambassades voor deze Kamer doen, zeer gewaardeerd wordt, niet alleen voor deze commissie, maar voor alle Kamerleden die over de wereld reizen en daar door ambassades en andere posten begeleid worden.

Er zijn nog een paar punten waarop ik terug wil komen. Dank voor de toezegging om de Kamer te blijven informeren over de wijze waarop bezoek en begeleiding aan gedetineerden ingevuld wordt. Het is belangrijk dat wij daar goed bij betrokken blijven.

Wij hebben het vooral over de posten gehad, maar vanzelfsprekend is er ook nog het departement hier in Den Haag. Hoe worden daar de bezuinigingen doorgevoerd? Ik heb gezien dat de afdelingslaag geschrapt wordt. Een plattere organisatie met minder lijnen en minder hiërarchie lijkt mij een goede zaak. Kan de Minister hier kort nog iets over zeggen?

Mijn fractie is zeer verheugd dat wij in de Kamer een ruime meerderheid hebben om te bekijken of wij de consulaten-generaal op bepaalde plekken open kunnen houden – volgens mij sluiten zo'n beetje alle partijen zich daarbij aan – en ook de bezuinigingen elders op de posten kunnen verzachten en kunnen inspelen op kansen en eventuele bedreigingen waar dat nodig is. Het is inderdaad essentieel dat het bedrijfsleven daaraan bijdraagt, maar bij al die punten wil ik de Minister vooral de ruimte geven om dit uit te werken en dat met de Kamer te delen wanneer hij daar klaar voor is.

De heer Van Bommel (SP): Waarom wil de heer Servaes Osaka uitsluiten van die ruimhartigheid? Vond hij de brief van burgemeesters Van der Laan, Aboutaleb en al die anderen niet overtuigend? Vond hij de woorden van de Minister over Antwerpen niet overtuigen? Waarom is juist Osaka uitgesloten van dit lijstje?

De heer Servaes (PvdA): Er moeten altijd keuzes worden gemaakt. Vanzelfsprekend is voor elk consulaat en elke plek iets te zeggen. Op basis van de argumenten die tot ons zijn gekomen, hebben wij gemeend dat in ieder geval deze vier plekken open moeten blijven. Ik heb ook gezegd dat ik de Minister de ruimte wil geven om te kijken waar elders verzacht kan worden. Dat kan zijn op andere posten, op ambassades, of elders. Het gaat mij nu om deze plekken. Voor alles is iets te zeggen. Laat de Minister die afweging nog eens inzichtelijk aan ons geven als hij de motie dadelijk gaat uitvoeren.

De heer Van Bommel (SP): Is de conclusie dan dat bij een rangschikking van die vijf consulaten-generaal Osaka aan de achterste mem hangt, wat de PvdA betreft? Is Osaka van die vijf het minst belangrijk? Als de heer Servaes voor één consulaat-generaal moet kiezen, sluit hij het liefst Osaka?

De heer Servaes (PvdA): Ik formuleer het altijd liever positiever: welke wil je het liefst openhouden? Van de vijf consulaten-generaal waarover het gaat, heeft Osaka al geen consulaire functie meer. Het gaat daar puur om handelsbevordering. Dat zou je ook op een andere manier kunnen oplossen, bijvoorbeeld met een NBSO. Dat is in de praktijk een stuk goedkoper. Ik acht dit zeer wel mogelijk. Nogmaals, voor de precieze uitwerking wachten wij op de Minister.

De voorzitter: Het woord is aan de heer Omtzigt. U hebt in tweede termijn nog drie minuten.

De heer Omtzigt (CDA): Voorzitter. Dank voor de uitgebreide, uitputtende beantwoording van de Minister. Ik ben heel benieuwd naar de motie die zo dadelijk wordt ingediend. Ik had die graag aan het begin gehad. Ik zeg het wat schertsend, maar ik meen het wel. Wij hebben nu vier consulaten-generaal die 1,5 miljoen per stuk kosten. Inmiddels is dus 6 miljoen ingevuld. Daar schijnt 20 miljoen bij te komen. Ik ben benieuwd waar de andere 14 miljoen aan uitgegeven wordt. Ik ben benieuwd hoe 's regerings meest geliefde oppositiepartijen hier invulling aan geven. Ik kan mij de denkrichting voorstellen.

De Minister was minder diplomatiek in zijn opmerking over VNO-NCW, maar dat vonden wij ook zeer gepast. Wij zijn buitengewoon benieuwd en zien uit naar de reactie op de motie van de heer Van Bommel. Als die niet was ingediend, waren wij met een vergelijkbare motie gekomen. VNO-NCW is ongeveer de enige die redelijk goedkoop gebruik kan maken van de diensten. Je kunt per uur betalen of met lumpsum werken; er zijn vele modaliteiten te bedenken. Het muntje voor het bier is daarvan inderdaad niet de meest logische. Maar als VNO-NCW zo'n uitspraak doet, is de organisatie in zekere zin ook verplicht om wat te leveren. Ik snap dus de reactie van de Minister.

Wij zijn verheugd als de consulaten-generaal in Milaan, Chicago en München open kunnen blijven. Dat lijkt ons zeer zinnig. Wij hebben begrepen dat de paspoorten tot 2016 verschaft blijven worden en zien met grote belangstelling uit naar de brief hoe daar invulling aan gegeven wordt. Graag krijgen wij die zo spoedig mogelijk en wij zullen die zeer goed bestuderen. Het is voor mensen van groot belang dat zij op een niet al te moeilijke manier hun paspoort kunnen krijgen tegen redelijke kosten. Dat hangt van de situatie af, maar de brief zal hier door het CDA strak aan getoetst worden.

Wij zien ook uit naar de brief over de gedetineerden.

Tot slot zijn wij geïnteresseerd wat de Minister leuker lijkt om te leiden, de Nederlandse diplomatieke dienst of EDEO.

De voorzitter: Het woord is aan de heer Sjoerdsma. U hebt in tweede termijn drie minuten spreektijd.

De heer Sjoerdsma (D66): Voorzitter. Dank aan de Minister voor de uitgebreide beantwoording. Zowel kabinet als Kamer tonen vandaag veel steun voor de Nederlandse oren, ogen en stem op het buitenlandse toneel. D66 steunt de ingeslagen weg van modernisering, met open luiken voor communicatie in personele zin, minder hiërarchie, aandacht voor de partnerproblematiek en een zakelijker inslag op zoek naar een kostendekkende manier om de economische diplomatie voor elkaar te krijgen.

Ik heb nog wel een vraag. De Minister sprak over de personeelsdienst en zei dat het roulatiesysteem op dit moment goed voldoet. De commissie-Docters van Leeuwen constateert echter een aanzienlijk aantal knelpunten. Vindt de Minister het wellicht zinvol om diezelfde commissie te vragen om in haar eindrapport in te gaan op de manier waarop op dit moment de personeelsfunctie van Buitenlandse Zaken is ingericht en op de vraag of dat optimaal is?

Los hiervan ziet D66 de noodzaak om de bezuinigingen waar mogelijk te verzachten. Op dit moment is het postennet te fragiel en de bezuinigingen gaan ten koste van Nederland en de wereld. Daarom dien ik de volgende motie in, met dank aan de collega's van de PvdA, de VVD, de SGP en de ChristenUnie. Ik hoop ook op steun van de andere partijen, die ik niet langer in spanning zal houden.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat opeenvolgende bezuinigingen ertoe leiden dat de diplomatieke dienst aan het eind van deze kabinetsperiode 25% kleiner zal zijn dan in 2011;

constaterende dat het kabinet de komende vier jaar respectievelijk 20 miljoen, 40 miljoen, 40 miljoen en 40 miljoen euro bezuinigt op het postennetwerk, onder andere door het sluiten van vijf consulaten-generaal;

constaterende dat VNO-NCW te kennen heeft gegeven bereid te zijn een bijdrage te leveren voor het behoud van economische diplomatie als een zware component in het werk van ambassades en consulaten;

overwegende dat het postennetwerk een cruciale rol vervult voor de Nederlandse economie, voor consulaire bijstand voor Nederlanders en voor aandacht voor veiligheid en mensenrechten;

verzoekt de regering,

  • samen met het bedrijfsleven, waaronder VNO-NCW, te onderzoeken in hoeverre de economische dienstverlening door het Nederlandse postennet meer kostendekkend gemaakt kan worden;

  • de voorgenomen bezuiniging op het postennetwerk structureel te halveren en dit in aanvulling op de bijdrage van VNO-NCW te dekken uit de HGIS-onvoorzien middelen;

  • met het vrijgemaakte budget in ieder geval de consulaten in München, Chicago, Antwerpen en Milaan open te houden, posten in opkomende markten te versterken en de algemene korting te verzachten;

  • het postennet te blijven hervormen en moderniseren;

  • bij het openen van eventuele nieuwe posten een integrale afweging te maken tussen economische potentie, veiligheidsbelangen en bevordering van de internationale rechtsorde;

  • de Kamer vóór 1 mei 2014 te informeren over de vorderingen, met medeneming van het eindrapport van de commissie-Docters van Leeuwen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Sjoerdsma, Ten Broeke, Servaes, Voordewind en Van der Staaij.

Zij krijgt nr. 20 (32 734).

De heer Omtzigt (CDA): Betekent dit dat de heer Sjoerdsma een nota van wijziging verwacht of dat hij zelf volgende week met een amendement op de begroting voor Buitenlandse Zaken komt?

De heer Sjoerdsma (D66): Nee, ik verwacht dat de Minister met een brief komt waarin hij uitlegt op welke wijze hij gevolg geeft aan de verzoeken in deze motie.

De heer Omtzigt (CDA): Er staat dat de bezuiniging gehalveerd wordt. De bezuiniging gaat in 2014 in en er staat een bezuiniging van 20 miljoen in 2014 ingepland. Wordt die gehalveerd naar 10 miljoen? Zo ja, wordt dat de komende tijd bij nota van wijziging of per amendement geregeld?

U hebt ongeveer 6 miljoen belegd door vier consulaten te noemen. Dat betekent dat er ergens ongeveer 14 miljoen aan verzachtingen zit; het kan ook zijn dat je de algemene korting reduceert en de kaasschaaf wat minder diep laat snijden. Zijn daar ideeën over? Of is er ruimte voor onderhandeling met de rest?

De heer Sjoerdsma (D66): Het is inderdaad de bedoeling dat de bezuiniging op het postennet volgend jaar wordt gehalveerd en dus wordt teruggebracht naar 10 miljoen. Ik laat het eerst aan de Minister om in zijn beantwoording aan te geven hoe hij met deze motie wil omgaan.

Het openhouden van de consulaten kost inderdaad ongeveer 6 miljoen. Dan resteert 14 miljoen. Ik heb in mijn motie aangegeven dat de vijf genoemde partijen daarin ruwweg twee categorieën zien: het versterken van posten in opkomende markten en in algemene zin het verzachten van de bezuiniging op het postennet.

De voorzitter: Dank u. Daarmee zijn wij aan het einde van de bijdrage van de Kamer in tweede termijn gekomen. De Minister kan direct reageren.

Minister Timmermans: Voorzitter. De heer Van Bommel vraagt wanneer de geldigheidsduur van het paspoort naar tien jaar gaat. Dat is zodra de Eerste Kamer het wetsvoorstel heeft aangenomen. Als dat eenmaal het geval is, zal ik de Kamer informeren over de implicaties hiervan voor de dienstverlening aan Nederlandse burgers.

De heer Van Bommel (SP): Ik had mijn vraag iets preciezer gesteld: wat is, met inachtneming van de route via de Eerste Kamer, de termijn waarmee volgens de Minister rekening moet worden gehouden voordat dit kan worden ingevoerd? Dit is een administratieve kwestie die nogal wat voeten in de aarde heeft. Verder heb ik gevraagd of er zicht is op een periode die qua lengte te overbruggen is. Daarmee doel ik vooral op de sluiting van de honorair consulaten in Frankrijk.

Minister Timmermans: Ik kan dat niet overzien zolang ik niet weet wanneer de Eerste Kamer een beslissing neemt. Dan kan ik zien wanneer de wet van kracht wordt en als ik dat weet, kan ik bekijken wat dat voor ons betekent. Het maakt nogal verschil of de wet voor het einde van dit jaar van kracht wordt of dat het nog maanden gaat duren voordat de Eerste Kamer zover is. Dat leidt ook tot aanpassing van de plannen die ik moet maken. Ik begrijp de vraag van de heer Van Bommel en ik heb de Kamer al toegezegd dat ik hier precies op in zal gaan zodra helder is wanneer de wet van kracht wordt. Dan krijgt de Kamer van mij een brief waarin ik precies aangeef wat het betekent voor de manier waarop de consulaten werken en wat het betekent voor mensen in het buitenland die een paspoort willen aanvragen. Ik word een beetje gehinderd door het feit dat ik gewoon niet weet wanneer het wetsvoorstel ingaat. Dat heeft consequenties voor het verdere traject.

De heer Van Bommel heeft ook een vraag over de dienstwoningen gesteld. Hij heeft erop gewezen dat wij in 2007 boven de ECA-norm zaten. Wij zitten nu echter onder de ECA-norm. Ik kan niet uitsluiten dat een enkele woning daar niet onder zit, maar globaal gezien zit Buitenlandse Zaken met zijn woningen onder de ECA-norm. Ik zie de heer Van Bommel terecht verbaasd kijken, want dit is een enorme slag geweest. Ik verzeker hem dat die ook niet pijnloos is geweest. Voor veel van mijn medewerkers is dit een hard gelag geweest. Wij hebben gewoon een generieke korting op de kosten van woningen over de hele wereld opgelegd. Dat is op sommige plekken heel stevig uitgepakt, maar wij zitten daardoor nu wel onder de ECA-norm.

De heer Van Bommel is ook nog teruggekomen op het aspergediner. Dit is misschien wel een schoolvoorbeeld van goede Hollandpromotie. In de tuinbouwsector wordt ongelooflijk goed verdiend. Er is een heel grote toegevoegde waarde, zeker in de aspergeteelt. Het is een goede zaak dat de telers er baat bij zien om het product zo in de markt te zetten, ook in Turkije. Dat is goed voor Nederland en het is relatief goedkoop. De enige kosten die men had, waren de kosten om een sterrenkok in te vliegen. Daarmee kreeg men wel de president en de toen nog kroonprins op bezoek. Die komen echt niet op het afscheid van de ambassadeur af, hoe zeer gewaardeerd die ook is. Ze doen dit in het kader van het verstevigen van de bilaterale band in het kader van 400 jaar relaties tussen Nederland en Turkije.

In algemene zin moet ik ook aangeven dat wat in dergelijke zaken soms persoonlijk aan de ambassadeur wordt gerelateerd, vaak gewoon zakelijk is. In andere landen wordt dat persoonlijke echter met het zakelijke vervlochten. Ik gaf het voorbeeld van de residentie in Parijs. Ik had ook een ander voorbeeld kunnen noemen. Wij hebben een residentie in Tokyo. Dat is het oude huis van een Nederlander die in Japan wereldberoemd is, ambassadeur Van Gulik, de schrijver van de Rechter Tie-boeken. Japanners komen niet gauw op ambassades en bij buitenlanders thuis, maar hier komen zij ook op het allerhoogste niveau met alle plezier vanwege dat huis, dat in Nederlands bezit is. Zo kan ik nog meer voorbeelden noemen. Het Palais de Hollande in Istanbul is een trekpleister voor de grootste tycoons in de Turkse economie. Ze komen daar graag, want het is een belangrijke plek. Dat is van het grootste belang voor Nederland. Onze residentie in Washington is een plek waar mensen graag komen omdat wij daar goed kunnen ontvangen. Ook Amerikanen zijn heel moeilijk naar een huis te trekken, maar dat is een huis waar zij graag komen, ook voor diners. Dat zijn dingen die geld kosten, maar ook veel geld opleveren voor de Nederlandse overheid. Op bepaalde plekken ter wereld vraag ik mij echter ook weleens af waarom wij daar zo'n groot huis moeten hebben en wat de toegevoegde waarde daarvan is. Als wij dat niet kunnen aantonen, gaan wij dat huis afstoten en maken wij het soberder. Je moet hierin gedifferentieerd kunnen optreden. Wij doen dat ook in toenemende mate. Het is een stuk soberder dan het in het verleden geweest is, maar op sommige plekken is het verstandig om de assets die je hebt, in te zetten.

De heer Van Bommel heeft op stuk nr. 17 een motie ingediend over het Deense model. Als ik bij de uitwerking van wat hij van mij vraagt met name kan letten op de toegankelijkheid voor het midden- en kleinbedrijf en de relatie tussen markt en overheid, dan kunnen we dat uitwerken in de ideeën die de Kamer later in concrete vorm zullen bereiken. Ik wil daarbij het Deense model niet als sjabloon zien, maar als een aanzet om een eigen model op dit punt te ontwikkelen. Als ik de motie zo mag lezen, zie ik haar als ondersteuning van beleid.

De heer Ten Broeke heeft opmerkingen gemaakt over de mensen die voor Buitenlandse Zaken werken. Ik weet zeker dat die goed genoteerd worden. Ik stel het ook bijzonder op prijs dat alle woordvoerders daar opmerkingen over hebben gemaakt. Ik kan mij eerlijk gezegd in de vijftien jaar dat ik in dit Huis ben, niet herinneren dat we ooit zo uitvoerig over Buitenlandse Zaken, de organisatie en de ambassades hebben gesproken. Ik kan me ook niet herinneren dat er eerder zo'n grote eensgezindheid was in het uitspreken van waardering voor het werk van Buitenlandse Zaken. Ik ben de Kamer daar bijzonder dankbaar voor. Ik zal dat ook graag doorgeven aan iedereen die voor ons werkt.

De heer De Roon wilde graag op papier zien welke afspraken we gemaakt hebben ten aanzien van de Belgische tweede man – het is in dit geval een man – op de ambassade in Albanië. Mag ik het verzoek van de heer De Roon zo interpreteren dat wij op enig moment, als we verder zijn met de afspraken met de Belgen, de Kamer meer in algemene zin informeren over de afspraken die we met de Belgen en mogelijk ook de Luxemburgers, gaan maken over het delen van personeel, het inrichten van gezamenlijke kantoren en het elkaar ondersteunen, in plaats van op één casus in te zoomen? Misschien is het interessanter voor de Kamer als ik zo mag voldoen aan het verzoek van de heer De Roon en dat we meer in algemene zin illustreren hoe we dit willen invullen. Ik denk dat er toekomstmuziek in zit en ook in samenwerking met anderen. Dit kan dan als voorbeeld dienen voor anderen.

De heer De Roon (PVV): Nu wordt het voor mij een beetje ongrijpbaar als het gaat om het moment dat we die informatie dan gaan krijgen. Ik zal mijn vraag nog even iets toelichten, zodat de Minister misschien beter begrijpt waar ik naar op zoek ben. Ik wil namelijk graag weten of het uit te sluiten valt dat zo'n Belgische diplomaat, die op een gegeven moment onze post in Tirana beheert omdat de ambassadeur er niet is, in een soort conflictsituatie verzeild raakt, waardoor het in het Nederlandse belang het beste zou zijn om A te doen, maar in het Belgische belang om B te doen. Kunnen we dat uitsluiten? Dat wil ik graag weten.

Minister Timmermans: In absolute zin kun je dat nooit uitsluiten. Er moet een basis van vertrouwen zijn. Dat geldt overigens net zo goed voor de Nederlandse chef de poste, onder wiens verantwoordelijkheid de Belgische nummer twee ook voor België werkt. We moeten elkaar op dat punt kunnen vertrouwen. De commerciële belangenbehartiging kunnen we nog niet in één hand leggen, want dan gaat het om concurrerende bedrijven. Ik zie echter op het punt van de politieke, de economische in algemene zin, de macro-economische en de consulaire belangenbehartiging, de andere aspecten van het werk, niet een groot risico dat er verkeerde keuzes zullen worden gemaakt. Je kunt het echter nooit helemaal uitsluiten. Het zijn namelijk vertegenwoordigers van twee landen, die een gezamenlijk belang dienen en er kunnen zich situaties voordoen dat die belangen niet helemaal samenvallen en misschien zelfs conflicteren. Ik ga er echter van uit dat dan de professionaliteit van beiden zo is dat men elkaar daar ook op aanspreekt. Ik vertrouw daar ook op, want de relatie met de Belgen is goed, maar waar twee landen samenwerken, vallen twee belangen niet per definitie altijd 100% samen. Maar ik wil die sprong in de toekomst graag nemen. Ik vind het risico acceptabel gezien de noodzaak om meer samen te werken. Daar waar het gaat wringen, zullen we wel weer oplossingen verzinnen. Maar hier zit muziek in en ik wil graag dat we dit met de Belgen verder ontwikkelen. Daarom wilde ik de vraag graag meer in algemene zin beantwoorden, maar ik ben nu al wel specifiek op de vraag van de heer De Roon ingegaan.

De heer De Roon (PVV): Dan constateer ik dat ik mij kan vinden in de verwoording van de Minister van het in algemene zin uitleggen hoe de regering denkt op die weg verder te kunnen en moeten gaan, als het gaat om afspraken met België en Luxemburg.

Minister Timmermans: De heer De Roon heeft een tweetal moties ingediend. Zijn motie op stuk nr. 18 moet ik in samenhang zien met de motie- Sjoerdsma c.s. op stuk nr. 20. De motie van de heer Sjoerdsma en de zijnen is generiek en die van de heer De Roon is specifiek. Maar voor het consulaat-generaal in München hebben ze dezelfde uitkomst. Als ik op de motie van de heer Sjoerdsma en de zijnen ga reageren, dan is dat impliciet ook een reactie op de motie van de heer De Roon, die meer specifiek is dan de motie van de heer Sjoerdsma. Ik wil daar nog wel aan toevoegen dat het openhouden van het consulaat-generaal in München, en de andere consulaten-generaal, ons niet ontslaat van de verplichting om het werk te moderniseren. Dus het afbouwen van de consulaire dienstverlening met paspoorten en dergelijke, blijft onderdeel van het proces, ook als die consulaten-generaal openblijven. Dat is namelijk een onderdeel van het efficiënt en spaarzaam inzetten van Nederlands belastinggeld.

Met dat voorbehoud, denk ik dat ik kan voldoen aan het verzoek dat in de motie-Sjoerdsma c.s. staat om de Kamer voor 1 mei 2014 – dat staat in een trits verzoeken als laatste, maar dat verzoek covert eigenlijk het geheel – te informeren over de vorderingen met wat daarvoor in de motie gevraagd wordt. Dat zal ik invullen en ik zal dan ook in meer detail ingaan op de afwegingen die we daarin maken.

In reactie op het interruptiedebatje tussen de heren Omtzigt en Sjoerdsma, kan ik aangeven dat dit wel betekent dat er voor dit jaar een amendement zal moeten worden ingediend op de begroting van Buitenlandse Zaken wat betreft de eerste tranche die in de motie staat. Voor de volgende jaren kunnen we die per Voorjaarsnota invullen. Dus als de Kamer dit zo wil doen, zal er morgen bij de begrotingsbehandeling gekeken moeten worden naar een amendement voor het eerste jaar. Dan is het oordeel over deze motie aan de Kamer. Dat geldt impliciet ook voor de motie van de heer De Roon, want die gaat specifiek over München.

De heer Ten Broeke (VVD): Ik zie wel wat licht tussen de motie-De Roon en de motie-Sjoerdsma c.s. In de motie-De Roon wordt geen financiële dekking geboden. Dan geldt dus niet de logische opmerking die de Minister aan het adres van de heer Sjoerdsma maakt, namelijk dat dat een amendement zou rechtvaardigen, als het geen nota van wijziging wordt. Verder staat in de motie van de heer De Roon dat de financiële steun van het bedrijfsleven optioneel is. Ik dacht dat we nu juist net een redelijk communis opinio met deze Minister hadden bereikt dat dat toch wel een voorwaarde was.

Minister Timmermans: Ik dank de heer Ten Broeke voor deze precisering. Mijn reactie op de motie van de heer De Roon ging natuurlijk over het dictum, waarin staat dat München moet openblijven. Ik wil niet alleen de heer De Roon, maar ook de indieners van de motie-Sjoerdsma c.s. wel op één punt waarschuwen. We moeten er aan beide kanten van de tafel voor waken dat dit een soort – hoe heet dat in monopoly – «vrij zonder boete» wordt voor VNO-NCW en dat ze denken: we're off the hook, want ze betalen het zelf wel. Ik vind dat als ze hier in de hoorzitting zo nadrukkelijk aankondigen dat ze bereid zijn om mee te betalen, ze dat ook moeten doen. Dat kan via het Deense model of een Nederlandse aanpassing van het Deense model. Het kan misschien ook op een andere wijze. Daarover zijn mijn collega's in gesprek met VNO-NCW. Ik hoop wel dat we elkaar heel goed verstaan, ook als ik het oordeel over de motie-Sjoerdsma c.s. aan de Kamer laat, dat dit niet betekent dat VNO-NCW de toegezegde bijdrage niet meer hoeft te betalen. Zo heb ik de heer Ten Broeke ook heel helder verstaan.

De motie-De Roon op stuk nr. 19 is een jaarlijks terugkerende motie uit de hoek van de PVV, maar nu op een ander moment. Mijn vraag aan de heer De Roon is dan ook of hij overmorgen bij de begrotingsbehandeling weer met dezelfde motie komt. Dat zullen we dan wel zien. De reactie van de kant van het kabinet is, ongeacht de persoon van de Minister van Buitenlandse Zaken, al jaren hetzelfde: deze motie moeten wij ontraden, aangezien de plaats van de aanwezigheid van de Nederlandse ambassade en andere ambassades in Israël, pas nader bepaald kan worden op het moment dat er een definitieve vredesregeling is tussen Israël en de Palestijnen en er een definitieve regeling is over de status van Jeruzalem. Zolang die er niet zijn, zal de Nederlandse ambassade gevestigd blijven in Tel Aviv. Dat is staand beleid, zoals de Kamer goed weet. Het is ook staand beleid van de PVV om ieder jaar te proberen dat beleid te doen keren. Vanuit de insteek van de PVV is dat ook volkomen logisch en begrijpelijk.

De heer Servaes heeft nog gevraagd hoe zit het met de hervormingen op het departement. Daar zijn we heel druk mee bezig. Ik wil daar wel voorzichtig in zijn, want ook daar zijn de bezuinigingen natuurlijk hard aangekomen. We willen proberen onze organisatie zo in te richten dat we makkelijker dan nu op prioriteiten kunnen reageren of op incidenten. Ik meen dat de heer Ten Broeke degene was die hier als eerste ooit Harold Macmillan citeerde die, toen hem werd gevraagd wat het belangrijkste beleid is en waar je op reageert in de politiek, zei: events, dear boy, events. Ik heb zeker de afgelopen maanden mogen ervaren, dat er veel events zijn waar niet alleen de Minister, maar ook zijn ambtenaren op moeten kunnen inspelen. Dat vergt een mate van flexibiliteit die enorm is. Daar moeten we onze organisatie beter op inrichten dan zij nu is, simpelweg omdat we minder middelen hebben.

We zijn onder leiding van de directeur-consulair, de heer Van Ee, ook bezig met een ontwikkeling van wat hij met een prachtige uitdrukking noemt: consulaire diplomatie. Dat krijgt dan ook een plek in de wijze waarop we ons ministerie gaan structureren. Ik denk dat we in de toekomst ook meer verantwoordelijkheden kunnen verplaatsen van het departement naar de posten. Het heeft mij altijd verbaasd dat je soms de meest getalenteerde mensen van het departement naar de posten stuurt en ze vervolgens niet meer de verantwoordelijkheid geeft voor dingen waar ze in het verleden wel verantwoordelijkheid voor droegen, maar dat je die in Den Haag houdt. Ik ben dan ook echt van plan om veel meer verantwoordelijkheid ook rechtstreeks bij de posten te leggen en een dynamische samenwerking tussen departement en posten te organiseren en niet een hiërarchische. De moderne communicatiemiddelen maken dat ook veel makkelijker. Verder doen we wat betreft de bedrijfsvoering ook mee met het programma Compacte Rijksdienst die ook voor andere departementen ontwikkeld wordt.

Er is gevraagd waar ik het liefst leiding aan zou willen geven. Ik kan mij oprecht geen enkele organisatie voorstellen waar ik liever leiding aan zou geven, dan aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

De heer Sjoerdsma vroeg nog naar het personeelsbeleid en vroeg of het roulatiesysteem goed voldoet. Dat was althans zijn interpretatie van mijn reactie op zijn opmerking. Ik ben natuurlijk niet helemaal tevreden over hoe het personeelsbeleid nu werkt. Dat wil ik altijd beter maken. Het openzetten van ramen, luiken en deuren kan, zoals we eerder besproken hebben, helpen om het nog beter te maken. Ik denk ook dat het specifieker maken van expertise en het flexibeler zijn met de termijnen van plaatsing daarbij kunnen helpen, evenals het neerleggen van verantwoordelijkheden bij de posten. Ik moet echter zeggen dat, als ik zie wie zich nog steeds bij sollicitatierondes melden bij Buitenlandse Zaken, we nog steeds het topje van de jonge academische wereld weten aan te trekken en dat we nog steeds geweldig goed kunnen selecteren. Ik ben altijd weer heel enthousiast over de jonge medewerkers die ik tegen het lijf loop en met wie ik mag samenwerken. Ze zijn vaak stronteigenwijs en dat is maar goed ook, want daar komt heel veel creativiteit bij los. Ik kan daar ook tegen, want ik ben het zelf ook. Dat leidt tot een interessante dynamiek waar we goede dingen uit krijgen.

Ik geloof in deze organisatie. Die gaat door een moeilijke tijd en heeft ook een moeilijke tijd achter de rug. We zijn met zijn allen veel optimistischer over de toekomst. Het zal u niet verbazen dat het feit dat ik een aantal dingen dankzij de Kamer kan verzachten, mij niet slecht uitkomt. Ik heb getekend voor de bezuiniging en ik had die ook loyaal uitgevoerd, want anders had ik niet in het kabinet moeten gaan zitten. Ik wil de Kamer echter danken voor de helpende hand die zij mij reikt.

Ik blijf graag met de Kamer in dialoog, ook over de toekomstige ontwikkeling van de Nederlandse diplomatie. We hebben diplomatie nodig. Nederland verdient zijn boterham in het buitenland. De reputatie van Nederland in het buitenland is daarbij bepalend. Het meedoen aan het versterken van vrede en veiligheid, het bevorderen van mensenrechten, het aanwezig zijn in het buitenland en bij internationale organisaties, is een productiefactor in onze economie. Ik ben blij dat de Kamer deze analyse deelt en ik voel mij zeer gesteund door de bijdragen vanavond. Ik dank de woordvoerders daarvoor zeer.

De voorzitter: Ik dank de Minister bijzonder voor zijn inbreng in tweede termijn.

Alvorens ik de vergadering sluit, vraag ik een moment van aandacht van de leden voor een achttal toezeggingen, gedaan door de Minister tijdens dit overleg.

  • 1. De Minister zal de Kamer informeren wanneer de post in Arbil ook visa ten behoeve van het bedrijfsleven kan uitgeven.

  • 2. De Minister zal de Kamer inlichten als het overleg over de bijdragen door het bedrijfsleven tot resultaat leidt.

  • 3. De Minister informeert de Kamer na de inwerkingtreding van de lange geldigheidsduur van paspoorten over de organisatie van het aanvragen van paspoorten in het buitenland.

  • 4. De Minister informeert de Kamer over de dialoog tussen het departement en ambassades en de samenleving.

  • 5. De Kamer wordt betrokken bij het beleid ten aanzien van het variëren van de begeleiding van gedetineerden in het buitenland.

  • 6. Eind april komt er een evaluatie van de NBSO en de pilot in Houston. De Minister informeert de Kamer hierover.

  • 7. De Kamer wordt geïnformeerd over de uitwerking van afspraken in het regeerakkoord over samenwerking met de Algemene Bestuursdienst (ABD). Het rapport van Docters van Leeuwen wordt naar de Kamer gezonden.

  • 8. De Kamer wordt in algemene zin geïnformeerd over afspraken met België en Luxemburg over samenwerking op de posten.

De moties komen 3 december in stemming, samen met de mogelijk door u in te dienen moties bij de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken voor 2014.

Ik dank de Minister heel hartelijk voor zijn inbreng. Ik dank ook de secretaris-generaal en alle medewerkers. Ik wens u allen namens de commissie veel steun en plezier met uw toekomstige werkzaamheden. Uiteraard zien we uit naar verdere samenwerking met, zoals de Minister heeft aangegeven, al uw collega's op de posten. We zien uit naar de volgende reizen. Ik dank de belangstellenden op de publieke tribune en de luisteraars thuis. Ik dank de leden en uiteraard de ondersteuning van de Kamer. Ik sluit deze vergadering een half uur eerder dan gepland en ik wens u allen nog een fijne, resterende avond toe.

Sluiting 22.30 uur.