32 660 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Nr. 19 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 november 2011

Op 14 juni 2011 heb ik u de ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) (Kamerstuk 32 660, nummer 17) toegestuurd. Bij deze stukken was tevens gevoegd het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de ontwerpwijziging Barro en bijbehorende nota van toelichting en het plan Milieueffectrapport (plan-MER) horende bij de SVIR.

Voor het notaoverleg van 14 november a.s. stuur ik u hierbij als aanvulling daarop:

  • De Nota van Antwoord op de zienswijzen op de SVIR, de ontwerpwijziging van het Barro en het Plan Milieueffectrapport (MER) van de SVIR1;

  • Mijn reactie op het verslag van het schriftelijk overleg over de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (Kamerstuk 32 660, nr. 20);

  • Mijn reactie op het verslag van het schriftelijk overleg over de voorlegging van het Barro, de voorhang van de ontwerpwijziging Barro en de inwerkingtreding van het Barro (Kamerstuk 31 500, nr. 28).

Sommige vragen komen zowel in het verslag van het schriftelijke overleg over de SVIR als in het verslag van het schriftelijke overleg over de voorlegging van het Barro voor. Zij komen in de beantwoording slechts een keer terug.

Bij afzonderlijke brief stuur ik u toe de nota naar aanleiding van het verslag van de wijziging Wet ruimtelijke ordening en enige andere wetten (Kamerstuk 32 821, nr. 6) (voorzien in een wettelijke grondslag voor provinciaal medebewind en voor de mogelijkheid tot afwijking van algemene regels, Kamerstukken 32 821).

Het opnemen van het onderwerp buisleidingen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening stel ik uit in afwachting van de Structuurvisie Buisleidingen. In het kader van de ontwerp Rijksstructuurvisie Buisleidingen vindt naar aanleiding van het advies van de commissie MER en de ontvangen zienswijzen nog aanvullend onderzoek plaats naar de milieueffecten.

In deze brief geef ik u, naar aanleiding van uw vragen hierover, tevens mijn reactie op de Ruimtelijke Verkenning 2011 van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Als laatste ga ik in op het advies van de Commissie Milieueffectrapport (MER) over de Plan MER van de SVIR en het vervolgproces tot vaststelling van de SVIR. Op andere onderwerpen zal ik in het debat met uw Kamer ingaan.

Nota van Antwoord

Van 3 augustus tot en met 13 september 2011 is er de mogelijkheid geweest om een zienswijze in te dienen op de ontwerp SVIR, de ontwerpwijziging van het Barro en het bijhorende Plan MER. In totaal zijn er 258 brieven binnengekomen met daarin ongeveer 1 900 zienswijzen. De zienswijzen heb ik beantwoord in bijgevoegde Nota van Antwoord. De hoofdlijn van de zienswijzen en de beantwoording hiervan is te lezen in hoofdstuk 1 van de Nota van Antwoord.

Uit de zienswijzen en de door Uw Kamer ingediende vragen blijkt mijns inziens dat er hoofdzakelijk wijzigingen nodig zijn die de gemaakte keuzes verduidelijken of die feitelijke onjuistheden corrigeren. Ook worden de Nota van Toelichting van het Barro en de tekst van de SVIR nog aangepast aan het Onderhandelingsakkoord decentralisatie natuur.

Ruimtelijke Verkenning 2011

Op 7 september 2011 heb ik de Ruimtelijke Verkenning 2011 van het Planbureau voor de Leefomgeving in ontvangst genomen. Een rapport met een scherpe analyse van de ontwikkelingen en opgaven voor de toekomst staan. Hieronder vat ik deze analyse in essentie samen in combinatie met mijn reactie daarop.

In essentie geeft de Ruimtelijke Verkenning 2011 aan dat het ruimtelijk beleid in de toekomst te maken gaat krijgen met grotere verschillen in regionale ontwikkeling. Groei, onzekerheid over de ontwikkeling en krimp komen gelijktijdig voor. In de studie wordt opgeroepen om het beleidsinstrumentarium groei- én krimpbestendig te maken. Deze conclusies zijn consistent met het ingezette beleid in de SVIR: de SVIR is mede gebaseerd op tussenresultaten van deze verkenning. Uiteraard zal de nieuwe Omgevingswet in heel Nederland toepasbaar moeten zijn, zowel in groei- als in krimpregio’s.

Veel aandacht besteedt de studie aan de vraag hoe om te gaan met onzekerheid. Een centrale boodschap is dat de onzekerheid over de verwachte ontwikkeling (groei of krimp) in een substantieel deel van Nederland groot is. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) geeft vier strategieën om hiermee om te gaan:

  • coördineren: er zou bovenregionale regie moeten zijn om overprogrammering tegen te gaan;

  • prioriteren: investeringen die in alle scenario’s goed zijn moeten prioriteit krijgen;

  • faseren en monitoren: onzekerheid over de toekomstige ontwikkelingen (zoals klimaat, economie, demografie) vraagt om het faseren van investeringen en een vinger aan de pols;

  • flexibiliseren: om piekbehoeften beter op te vangen dient er sprake te zijn van flexibel ruimtegebruik.

In de SVIR wordt aangegeven dat de provincie fungeert als gebiedsregisseur op bovenregionale schaal, zij coördineren derhalve. Ik richt me samen met de minister van Economische zaken, Landbouw en Innovatie, op de versterking van de ruimtelijk economische structuur van de stedelijke regio’s rond de mainports, brainport, greenports en de valleys. Dit zijn de gebieden die voor de ontwikkeling van de Nederlandse economie van het grootste belang zijn. Het Rijk blijft volgens de SVIR verantwoordelijk voor expertise en scenario-ontwikkeling en voor het signaleren van trends en ontwikkelingen in zowel het ruimtelijk als het mobiliteitsdomein. Daarnaast wordt in de SVIR aan het Planbureau voor de Leefomgeving gevraagd om in samenwerking met het Kennisinstituut voor Mobiliteit de ontwikkelingen tweejaarlijks te monitoren. De Crisis- en Herstelwet, de vereenvoudiging van het omgevingsrecht en het goed bestuurlijk invullen van «je gaat er over of niet», moeten zorgen voor de gewenste flexibiliteit in het ruimtegebruik.

De cijfers en gegevens uit de Ruimtelijke Verkenning 2011 neem ik tenslotte op in de definitieve SVIR als onderbouwing van de geschetste ontwikkelingen en opgaven.

Toetsingsadvies commissie MER

De commissie voor Milieueffectrapport (MER) geeft in haar toetsingsadvies aan dat in het planMER de milieugevolgen van de beleidskeuzes in de SVIR goed zijn ingeschat. Wel vraagt de commissie op enkele punten om aanvullende informatie. Deze aanvullende informatie neem ik na het debat met uw Kamer op in de definitieve Structuurvisie. Zo wordt de noodzaak en het beleid van de reserveringen voor eventuele verbreding van de hoofdwegen beter onderbouwd en wordt de integrerende functie van de SVIR verduidelijkt. Daarnaast neem ik het ten opzichte van het Nationaal Waterplan aangepaste zoekgebied voor Wind op Zee ten noorden van de Waddeneilanden, niet in deze structuurvisie op. Het zoekgebied zoals aangegeven in het Nationaal Waterplan blijft daarmee van kracht.

Vervolg

Na het debat met uw Kamer ga ik aan de slag met het verwerken van de inspraakreacties, aanbevelingen van de commissie MER en de uitkomsten van het debat. Ook zal ik nog een waterparagraaf toevoegen op basis van de door Rijkswaterstaat en Unie van Waterschappen uitgevoerde watertoets. De uitkomsten van de watertoets zijn verwoord in een Wateradvies en in de zienswijze van de Unie van Waterschappen. Als laatste ben ik nog in gesprek met de overzeese eilanden om hun positie ten aanzien van de nationale belangen zorgvuldig neer te zetten en in de SVIR op te nemen. Dit alles leidt tot een aangepaste Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

Deze aangepaste SVIR zal ik vervolgens digitaliseren en objectgericht maken. Hiermee is enige tijd gemoeid. Pas als zij gedigitaliseerd is, kan ik de SVIR formeel vaststellen. Ik verwacht dat ik dit proces medio januari 2012 heb afgerond. De vastgestelde (definitieve) SVIR stuur ik u toe.

De ontwerpwijziging Barro zal ik na behandeling in de Kamers, voor advisering sturen naar de Raad van State.

De minister van Infrastructuur en Milieu,

M. H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven