Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 32645 nr. Y |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 32645 nr. Y |
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 juni 2026
Het kabinet zet vol in op het vergroten van het aandeel schone energie in de energiemix en de energieonafhankelijkheid van Nederland. Kernenergie heeft hier een belangrijk aandeel in. De meerwaarde van kernenergie in het energiesysteem ligt onder andere in de diversificatie van het energiesysteem, waardoor het energiesysteem weerbaarder wordt. Ook voegt het stabiel productievermogen toe. Het kabinet werkt daarom onder andere aan de nieuwbouw van kerncentrales. De komst van de eerste twee grootschalige kerncentrales krijgt stap voor stap vorm: in voortgangsbrieven is uw Kamer geïnformeerd over de contouren van het financieringspakket en de oprichting van de staatsdeelneming Nucleaire Energie Organisatie Nederland (NEO NL). Met deze brief informeren de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Klimaat en Groene Groei, mede namens de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, uw Kamer over één van de belangrijke volgende stappen: het proces om te komen tot een ontwerpvoorkeursbeslissing voor één locatie voor de eerste twee kerncentrales.
Op 17 oktober 2025 heeft het vorige kabinet u geïnformeerd over de voortgang van de locatiestudies en de uitwerking daarvan in een Integrale Effecten-Analyse (IEA)1, 2. Onderdeel van het proces richting de ontwerpVoorkeursbeslissing (oVKB) voor de locatie is het delen van de uitkomsten van de concept-IEA en -planMER met omwonenden en andere betrokkenen en het verwerken van hun reacties. Het kabinet maakt deze documenten nu, samen met een richting, openbaar. Het kabinet wil duidelijkheid geven over de tussentijdse inzichten uit de locatiestudies en over de afwegingen die het kabinet naar aanleiding hiervan te maken heeft.
De tussenconclusie die in deze brief nader wordt toegelicht is dat alleen twee locatievarianten in de Eemshaven (Groningen) en de locatievariant Terneuzen in Zeeland nog in aanmerking komen om als voorkeursalternatief geselecteerd te worden. Het kabinet zal later dit jaar aan uw Kamer duidelijk maken wat de voorkeurslocatie wordt. Dit wordt vervolgens uitgewerkt in een oVKB die in de eerste helft van 2027 verwacht wordt, in plaats van aankomende september.
Het kabinet realiseert zich dat deze boodschap impact heeft op betrokkenen en dat uw Kamer, provinciale staten en gemeenteraden zich in moties hebben uitgesproken tegen de komst van kerncentrales in Groningen.
Het kabinet houdt hierbij vast aan de lijn van voorgaande kabinetten, waarbij is afgesproken dat, als na het uitvoeren van de onderzoeken meerdere locaties geschikt blijken te zijn voor de bouw van kerncentrales, de voorkeur zal worden gegeven aan een locatie in Zeeland. Tegelijkertijd vraagt de nu door Tennet aangeleverde informatie om het wegen van de dilemma’s die daaruit voortvloeien. Waarbij de eventuele inpassing van de kerncentrales in Zeeland complex is en waarbij voor de bouw van een kerncentrale in de Eemshaven geen draagvlak is. Zowel de locaties in Zeeland als Groningen vragen nog nadere uitwerking. Uw Kamer wordt met deze brief meegenomen in de afweging die het kabinet richting de selectie van een voorkeurslocatie zal maken en de vervolgstappen die hiertoe gezet worden. De keuze voor welke locaties geschikt zijn, wordt niet met deze brief gemaakt. De Kamer wordt daar op een later moment over geïnformeerd, inclusief de financiële consequenties.
Daarnaast wordt bij deze brief een overzicht gegeven door de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei van de vorderingen die de afgelopen periode zijn gemaakt met de nieuwbouw van de eerste twee kerncentrales. Door parallel aan de projectprocedure te werken aan de voortgang op de andere werksporen geeft het kabinet uitvoering aan moties van de Tweede Kamer. Dit zijn de moties die oproepen tot versnelling bij de realisatie van kernenergie en het nemen van maatregelen die bijdragen aan de komst van de kerncentrales (moties De Groot, De Groot en Jumelet, en Keizer en Heutink3).
Parallel aan deze brief publiceert het kabinet een routekaart voor de mogelijke uitbouw tot 7 GW kernenergie in 2050. De bouw van de twee grote kerncentrales is hierin een belangrijke hoeksteen.
Voorlopige resultaten locatie-onderzoek
In 2022 heeft het toenmalige kabinet de Kamers geïnformeerd over de voorbereidingen voor een formele procedure om tot de bouw van kerncentrales te komen. Ook is toen een voorkeur uitgesproken voor het bouwen van de kerncentrales nabij de huidige kerncentrale in Borssele. Dit gaf de mogelijkheid om versneld van start te gaan met het onderzoeken van de technische haalbaarheid van de beoogde kerncentrales in Nederland, de benodigde relaties te leggen en expertise op te bouwen. Daarbij was de inschatting destijds dat er voldoende fysieke ruimte was of te creëren zou zijn. De aanwezige nucleaire kennis en infrastructuur droeg eveneens bij aan deze voorkeur.4
Vanuit deze basis is destijds voor Borsele een participatietraject opgezet, resulterend in onder andere de Borselse en Zeeuwse voorwaarden. Ook is aangegeven dat een Rijksprojectprocedure doorlopen zal moeten worden om tot een zorgvuldige afweging en een houdbaar projectbesluit over de locatie te komen. Begin 2024 is het toenmalige kabinet gestart met de huidige projectprocedure. Aanvankelijk heeft het kabinet Eemshaven daarbij niet betrokken in het locatieonderzoek, in lijn met het schrappen van Eemshaven als waarborgingsgebied. Op basis van het advies van de landsadvocaat heeft het kabinet in 2025 geconcludeerd dat het niet mogelijk is Eemshaven uit te sluiten van de projectprocedure en tegelijkertijd te komen tot een juridisch houdbaar besluit over de locatie.5 Sindsdien zijn daarom studies uitgevoerd naar negen locatiealternatieven.
Conclusies
De locatiestudies geven op de thema's techniek, milieu, omgeving, toekomstvastheid en kosten inzicht in hoe geschikt locaties zijn voor de inpasbaarheid van twee grootschalige kerncentrales. De uiteindelijke afweging van al deze aspecten resulteert in het publiceren van een oVKB. De resultaten van de concept-IEA en -planMER laten bij een aantal locaties zien dat er substantiële belemmeringen zijn. Deze belemmeringen tellen dusdanig op dat deze locatie-alternatieven niet meer in aanmerking komen als voorkeursalternatief. Omdat het kabinet er aan hecht duidelijkheid te geven aan de regio's, staat hieronder op hoofdlijnen toegelicht welke factoren bij deze vijf locatie-alternatieven zorgen dat deze niet meer in aanmerking komen (een uitgebreidere toelichting hierop staat in de slotbeschouwing van de bijgevoegde concept-IEA).
• Locatie Maasvlakte II komt niet meer in aanmerking als voorkeursalternatief vanwege een opeenstapeling van complexiteit. Deze complexiteit komt onder andere voort uit de beperkende omvang en vorm van het terrein. Voor constructie zouden zeer complexe grondwerkzaamheden uitgevoerd moeten worden. Daar komt bij dat er mogelijk significante effecten op Natura 2000-gebieden zijn door stikstofdepositie, er knelpunten voorzien zijn bij de inpassing op het hoogspanningsnet en rekening moet worden gehouden met veiligheidsrisico’s van en op omliggende bedrijvigheid. Bovendien gaat de locatie ten koste van industriekavels met diepzeekades, die voorzien in economische ambities van nationaal belang op het gebied van energietransitie en circulariteit.
• Locatie-alternatief Sloegebied 1, nabij de kerncentrale Borssele, komt niet meer in aanmerking. Bij de locatie is de beschikbare ruimte te beperkt. Om de kerncentrales inpasbaar te maken zou infrastructuur en een dijk verlegd moeten worden. Daarnaast resteren er veiligheidsrisico’s vanwege gas- en toekomstig waterstoftransport. Het achterliggende waterstofcluster zou hiermee onzeker worden. Ook bij deze locatie is er sprake van mogelijke significante effecten op Natura-2000 en knelpunten bij de aansluiting op het hoogspanningsnet. Dit maakt dat de locatie door de opeenstapeling van factoren minder geschikt is voor de bouw van de kerncentrales.
• Locatie-alternatief Sloegebied 2, het voormalige Thermphos-terrein, komt niet meer in aanmerking door een stapeling van complexiteit. Het gaat hierbij voornamelijk om de benodigde maatregelen vanuit veiligheid (maatregelen en bedrijfsverplaatsingen), een complexe koelwateroplossing en de relatief beperkte beschikbare ruimte. Bovendien gaat de locatie eveneens ten koste van diepzeekades die voorzien in economische ambities op het gebied van energietransitie en circulariteit. Bij deze locatie zijn ook significante effecten op Natura 2000 en knelpunten bij de inpassing op het hoogspanningsnet voorzien.
• Locatie-alternatief Eemshaven 1A, de westlob van de Eemshaven komt niet meer in aanmerking door een stapeling van complexiteit. Dit komt door de verplaatsing van de Vopak Terminal (Nationale Oliereserve) en de primaire dijk. Voor beide zou een separate planologische procedure noodzakelijk zijn.
• Locatie-alternatief Eemshaven 2, terrein van de Eemshavencentrale (RWE). Op deze locatie is de complexiteit te hoog vanwege de benodigde ontmanteling van de Eemshavencentrale en het verleggen van een gastransportleiding. Bij de locatie resteren veiligheidsrisico’s vanwege gas- en toekomstig waterstoftransport en de nabijheid van de LNG-terminal.
Uit de concept-IEA komt ook naar voren dat de inpassing van de beoogde kerncentrales uitdagend is, maar op de resterende drie locatie-alternatieven met de huidige kennis wel mogelijk lijkt. Het laat zien dat het kabinet voor de resterende locatie-alternatieven afwegingen te maken heeft om te komen tot de realisatie van de kerncentrales. De resterende locatie-alternatieven zijn:
• Eemshaven in Groningen. De twee alternatieven 1B en 3 bij de Eemshaven, respectievelijk op landbouwgronden in de Emmapolder en de locatie van de Eemscentrale van ENGIE, komen op milieu en technische aspecten als meest geschikt uit de analyse. Hier zijn volgens TenneT geen extra investeringskosten nodig voor de inpassing in het hoogspanningsnet bovenop de netuitbreidingsprojecten die al zijn gepland.
• De locatie Terneuzen in Zeeland. Hierbij zijn in de concept-IEA en concept-planMER twee varianten in beeld gebracht op het industriegebied de Mosselbanken en op landbouwgronden in de Paulinapolder. De netinpassing op deze locatie vraagt echter ingrijpende maatregelen.
Daarnaast gaat de inpassing van de kerncentrales in de Eemshaven beter samen met inpassing van vier aanlandingen elders in het land uit Programma Verbindingen Aanlandingen Wind op Zee (pVAWOZ) dan de locaties in Zeeland en op de Maasvlakte. Dit wordt in de volgende paragraaf verder toegelicht. Uit de locatiestudies volgen naast netinpassing verschillende andere aandachtspunten bij de locatie-alternatieven in Eemshaven en Terneuzen, waaronder het effect op Natura 2000. De komende periode worden nadere analyses op de overgebleven locaties uitgevoerd en vinden er overleggen met mede-overheden en andere betrokkenen plaats. Het kabinet weegt bij het selecteren van een voorkeurslocatie zowel technische aspecten als (politiek-bestuurlijk) lokaal en regionaal draagvlak mee. De passage over vervolgstappen gaat hier nader op in. Op basis van de uitkomsten van de gesprekken en de nadere analyses worden de IEA en planMER gefinaliseerd.
De mede-overheden en betrokkenen in de regio's Sloegebied en Maasvlakte zijn op hoofdlijnen geïnformeerd over de uitkomsten van de concept-IEA. Voor het Sloegebied wordt verder gesproken over andere kansen op het gebied van kernenergie (dit gaat bijvoorbeeld om kansen gericht op het verder uitbouwen van het nucleaire ecosysteem, zie hiervoor ook paragraaf 2.2 in de bijlage). Deze kansen zijn ook onderdeel van het participatietraject dat tot op heden is doorlopen met de regio en betrokkenen. Ook voor de andere energieprojecten wordt de samenwerking tussen rijk en regio doorgezet. De wijze waarop daar invulling aan wordt gegeven is nader toegelicht in de rapportage over de voortgang van de verschillende werksporen (zie bijlage). Daar vindt u ook een nadere toelichting op de locatiestudies en het vervolgproces in de projectprocedure.
Inpassing grootschalige elektriciteitsproductie in elektriciteitsnet is zeer complex
Een belangrijk onderdeel van de afweging tussen de resterende locaties komt voort uit complexiteit bij de inpassing in het hoogspanningsnet van de kerncentrales. Het elektriciteitssysteem is in de basis opgebouwd uit elektriciteitsproductie (het aanbod), de gebruikers van elektriciteit (de vraag) en de verbindingen tussen de vraag en het aanbod (het transport). Bij de inpassing van nieuwe grootschalige opwekbronnen moeten er voldoende mogelijkheden zijn om de geproduceerde stroom te transporteren naar gebruikers. Dit is echter niet overal vanzelfsprekend, vanwege krapte op het net of concentratie van nieuwe opwekbronnen op locaties met beperkte lokale vraag. Wanneer de stroom niet naar andere delen van het land getransporteerd kan worden, kan het voorkomen dat aanbod moet worden afgeschakeld. TenneT loopt tegen de grenzen aan van de technische mogelijkheden om het landelijke 380 kV elektriciteitsnet verder uit te breiden, zoals wordt aangegeven in het meest recente Investeringsplan 20266. Deze grenzen bestaan onder meer uit beschikbare fysieke ruimte, veiligheidseisen in het netwerk en belastbaarheid van netcomponenten. Ook aan de mogelijkheden van redispatch (op- en afschakeling) zitten grenzen vanwege hoge maatschappelijke kosten.
In de context van bovenstaande overwegingen is TenneT afgelopen jaar om meerdere analyses verzocht door het kabinet. Het uitgangspunt dat is meegegeven voor deze analyses is de inpassing van twee grootschalige kerncentrales op één locatie. Deze analyses zijn onderdeel van de concept-IEA en als bijlagen bij deze brief opgenomen. Ten eerste is de inpassing in het energiesysteem van twee nieuwe kerncentrales onderzocht (TenneT 2026a). Het Programma Verbindingen Aanlandingen Wind op Zee (pVAWOZ) zoekt locaties voor vier additionele aanlandingen in de kustregio’s aanvullend op de bestaande Routekaart wind op zee. Om de effecten van inpassing van kerncentrales en deze aanlandingen integraal te beschouwen, heeft TenneT een tweede kwalitatieve analyse opgesteld. Hierin worden de resultaten van eerdere studies naar kernenergie en wind op zee in samenhang bekeken (TenneT 2026b). Naar aanleiding van vragen heeft TenneT nog kwantitatief de situatie in Zeeland nader geduid in een laatste analyse (TenneT 2026c). Deze laatste analyse geeft het meest accurate beeld van de drie analyses.
De belangrijkste conclusies van deze TenneT-analyses, met betrekking tot netinpassing van de twee grootschalige kerncentrales en vier extra aanlandingen wind op zee voor 2040, zijn:
• TenneT stelt dat voor de kerncentralelocaties vanuit nettechnisch perspectief het beste voor de Eemshaven gekozen kan worden. 3,2 GW gecombineerd vermogen aan kerncentrales in de Eemshaven kan tegelijk met vier aanlandingen uit pVAWOZ elders aan de kust worden ingepast zonder aanvullende investeringen van TenneT. Voor één van de vier aanlandingen is wel aanvullende lokale flexibele vraagontwikkeling nodig.
• TenneT stelt dat inpassing van kerncentrales in het Sloegebied niet mogelijk is. De verbindingen op Zuid-Beveland zijn al te zwaar belast en kunnen niet verder worden uitgebreid.
• Voor de inpassing op de Maasvlakte geeft TenneT aan dat dit alleen mogelijk is met zeer stevige maatregelen: significante vraagontwikkeling en stevige ingrepen in het elektriciteitsnet. Ook zijn er maar drie additionele WOZ-aanlandingen mogelijk elders aan de kust. Voor de vierde aanlanding moet aan een diepe aanlanding worden gedacht. Diepe aanlandingen zijn complexer en kostbaarder dan aanlandingen aan de kust.
• TenneT maakt de analyse dat de inpassing in Terneuzen van 3,2 GW kerncentrales ingrijpende maatregelen vergt bovenop de significante verwachte grootschalige vraagontwikkeling in de regio. Ook de inpassing van kerncentrales met een gecombineerd vermogen van 2,2 GW zou significante maatregelen behoeven. Onder de mogelijke maatregelen vallen additionele vraagontwikkeling van onder andere industrie, en/of structurele redispatchkosten tot honderden miljoenen euro’s per jaar, en/of het afschalen van bestaande energieprojecten. Dit betekent bijvoorbeeld afschalen of stoppen met bestaande (kern)energiecentrales en in aanbouw zijnde wind op zee projecten. Er zijn bij deze locatie volgens TenneT twee WOZ-aanlandingen inpasbaar elders aan de kust, en nog twee met significante lokale aanvullende vraagontwikkeling van enkele gigawatten. TenneT geeft mee dat bij dit alternatief ook een diepe aanlanding van wind op zee overwogen kan worden.
Daarnaast geeft TenneT aan dat vanuit systeemefficiëntie gespreide plaatsing van productievermogen door het land met Small Modular Reactors (SMR’s) goed inpasbaar zouden zijn. Het kabinet ziet SMR’s als een belangrijk onderdeel van de mogelijke uitbouw tot 7 GW kernenergie in 2050, zoals staat toegelicht in de Kamerbrief over de Routekaart Kernenergie. De huidige projectprocedure richt zich op de inpassing van twee grootschalige kerncentrales op één locatie. Voor deze insteek is begin 2024 gekozen omdat deze commercieel beschikbaar zijn en al eerder in de wereld zijn gerealiseerd. Deze vervolgsuggestie van TenneT zal daarom verder worden onderzocht binnen Programma Energiehoofdstructuur II (PEH II). Waarbij naast systeemefficiëntie, ook een afweging ten opzichte van andere (ruimtelijke) voorwaarden voor SMR’s gemaakt zal worden, zoals de beschikbaarheid van voldoende koelwater.
De analyses van TenneT die ingaan op de inpasbaarheid van 2,2 GW of meer kernenergie op locaties zijn van belang voor de inpasbaarheid van verschillende modellen van kernreactoren op een locatie. De modellen die meer vermogen produceren vereisen meer maatregelen. Dit is onderdeel van de nadere uitwerking van de vereiste vraagontwikkeling en mogelijke beleidsmaatregelen in de komende maanden.
Maakbaarheid van het elektriciteitsnet en energiesysteem staat onder druk
In breder opzicht brengen de TenneT-analyses enkele belangrijke kwesties aan het licht. De elektriciteitsproductie van kernenergie en wind op zee zijn aan de kust geconcentreerd, terwijl de vraag verspreid is door het hele land. Daarom is er een grote behoefte aan grootschalig transport van elektriciteit. Dit komt duidelijk naar voren in de provincie Zeeland, waar de verwachte elektriciteitsvraag in 2040 volgens de gegevens van TenneT maximaal 5,4 GW bedraagt tegenover 12,7 GW aanbod op piekmomenten (inclusief 3,2 GW van de nieuwe kerncentrales). Dit levert substantiële tekorten aan transportcapaciteit op in het 380 kV hoogspanningsnet in Zeeland, maar ook op verbindingen verder oostelijk Noord-Brabant in. Gezien de grenzen aan uitbreiding van het elektriciteitsnet betekent dit dat lokaal aanbod en lokale vraag meer op elkaar afgestemd moet worden. In de actualisatie van het NPE die op Prinsjesdag gepubliceerd wordt zal het kabinet in meer detail ingaan op de verwachte vraag- en aanbodontwikkeling richting 2040.
Het inpassingsvraagstuk van de twee nieuwe kerncentrales laat daarmee zien dat het van belang is om locatiekeuzes vanuit het bredere systeemperspectief te maken. In het PEHII maakt het kabinet de locatiekeuzes voor o.a. de aanvullende ambitie kernenergie (conventioneel en SMR’s die voornamelijk leveren ten behoeve van het nationale elektriciteitsnet), aanvullende (diepe) aanlandingen, en andere energiecentrales, mede in het licht van de ambitie in het coalitieakkoord om ook 40GW wind op zee te realiseren. Beide ambities zijn voor de toekomstige energievoorziening van belang en zullen in samenhang met de vraagontwikkeling worden bekeken. Na de zomer volgt de eerstvolgende brief waarin het kabinet ingaat op mogelijke zoeklocaties binnen PEHII. Tegelijk heeft dit ook consequenties voor andere duurzame elektriciteitsproductie en vraagontwikkeling. Het kabinet brengt dit de komende tijd verder in kaart.
Voorliggende afweging in locatiekeuze tussen Terneuzen en Eemshaven
Samenvattend betekent dit dat het kabinet een afweging te maken heeft, waarbij in ieder geval systeemtechnische aspecten en het draagvlak voor de locaties tegen elkaar afgewogen moeten worden. Het integrale beeld van alle uitgevoerde onderzoeken laat zien dat voor nieuwe kerncentrales twee locatie-alternatieven in de Eemshaven ruimtelijk en systeemtechnisch de voorkeur hebben boven Terneuzen. Echter, moties van de Tweede Kamer, provinciale staten en gemeenteraden hebben zich eerder uitgesproken tegen de bouw van kerncentrales op deze locatie7.
In een gesprek op 5 juni tussen de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei en bestuurders van mede-overheden in Groningen over de concept-IEA is bevestigd dat zij zich uitspreken tegen de komst van kerncentrales. Politiek-bestuurlijk draagvlak voor de voorkeurslocatie van de kerncentrales is voor het kabinet van belang. Daarbij weegt ook mee dat voorgaande kabinetten zich hebben uitgesproken om te kiezen voor een locatie in Zeeland als daar een keuzemogelijkheid toe is. De notities van TenneT plaatsen, zoals geschetst, kanttekeningen bij de maakbaarheid van plaatsing in Zeeland. Daarom staat hieronder bij de vervolgstappen toegelicht hoe wordt gewerkt aan een verdere analyse van de ontwikkeling van de elektriciteitsvraag in Zeeland.
Vervolgstappen zijn nadere analyses en gesprekken met de omgeving
In de komende periode richt het kabinet zich op het compleet maken van de informatie om een ontwerpVoorkeursbeslissing te nemen voor de locatie van de eerste twee kerncentrales. Hieronder staan de voorgenomen stappen toegelicht.
Gesprekken met de omgeving
Na publicatie van de voorlopige resultaten zijn we aanwezig in Groningen, Zeeland en Maasvlakte om te luisteren naar de eerste reacties en om vragen te beantwoorden. Na het zomerreces gaan we met de omgeving (bewoners, maatschappelijke organisaties, bedrijven, mede-overheden) verder in gesprek op basis van de onderzoeksresultaten van de concept-IEA en concept-planMER. We willen dit zorgvuldig doen en daar de tijd voor nemen. Ook worden inhoudelijke gesprekken georganiseerd voor specifieke doelgroepen, zoals maatschappelijke organisaties en bedrijven.
Daarnaast worden de gesprekken ter voorbereiding op een mogelijk Rijk-Regiopakket voor Zeeland gecontinueerd. De voorwaarden die vanuit de regio aan het Ministerie van EZK zijn aangeboden vormen de basis voor deze gesprekken (zie nadere toelichting in de bijlage). Dit zijn de eerdergenoemde Zeeuwse voorwaarden, de voorwaarden van Borsele en de van Terneuzen en Vlissingen ontvangen voorwaarden. Voor de locaties in de Eemshaven voert het kabinet eerst bestuurlijke gesprekken over de tussentijdse uitkomsten van de concept-IEA en -planMER en worden op dit moment nog geen stappen gezet richting een Rijk-Regiopakket.
Vervolgonderzoek
Daarnaast wordt voor Terneuzen in kaart gebracht wat voor type en omvang van de elektriciteitsvraag, beleiden middelen nodig zijn voor netinpassing. Hierbij zoekt het kabinet de samenwerking met betrokken partijen in Zeeland. Hierbij zal in eerste instantie worden uitgegaan van de bestaande opgave en plannen rond de verduurzaming van het aanwezige haven- en industriecluster, en ook naar nieuwe energie-intensieve industrie en andere sectoren worden gekeken. Daarbij bouwt men onder andere voort op eerdere Cluster Energie Strategieën en de aanpak vanuit het Nationaal Programma Verduurzaming Industrie. Ook zal de bredere afweging ten opzichte van andere ruimtelijke opgaven rond Terneuzen worden meegenomen. Daarnaast worden de mogelijke maatregelen uit de TenneT-studies beleidsmatig verkend. Deze informatie draagt bij aan de keuze die het kabinet zal maken voor de voorkeurslocatie.
Terinzagelegging IEA, planMER, en oVKB
Het kabinet verwacht dat deze vervolgstappen duidelijkheid zullen verschaffen over welke voorkeurslocatie het kabinet voor de twee grote kerncentrales kan kiezen. Hiermee worden de IEA en planMER gefinaliseerd en wordt verder toegewerkt naar de ontwerpVoorkeursbeslissing. Het voornemen van het kabinet is om voor het eind van het jaar definitief richting te geven over de voorkeurslocatie. Vervolgens wordt de oVKB naar verwachting in de eerste helft van 2027 gepubliceerd en ter inzage gelegd, en niet zoals eerder aangegeven zo kort mogelijk na de zomer van dit jaar. Bij de terinzagelegging van de planMER, de IEA en de oVKB hoort ook formele inspraak door het indienen van zienswijzen.
Parallel wordt verder gewerkt aan de voorbereidingen voor de inkoopprocedure, het financieringspakket, het voorbereiden van een Rijk-Regiopakket en het versterken van het nucleaire ecosysteem.
Vestiging voorkeursrecht
Voor de realisatie van de twee nieuwe kerncentrales is grond nodig. Grond die nu in eigendom is van personen en bedrijven. Om grip te houden op de gewenste ruimtelijke ontwikkeling heeft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening op verzoek van de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei een nationaal voorkeursrecht gevestigd op twee zoeklocaties nabij Terneuzen en Eemshaven. Hier schat het kabinet het risico van grondspeculatie en kavelsplitsing het hoogst in. Vestiging van het voorkeursrecht betekent niet dat er al een besluit is genomen over de een voorkeur voor een locatie.
De vestiging van het voorkeursrecht nabij Eemshaven is ten behoeve van de nieuwbouw van twee kerncentrales. De vestiging van het voorkeursrecht nabij Terneuzen is voor zowel de nieuwbouw van twee kerncentrales als ook voor de realisatie van een hoogspanningsstation (380Kv). Dit hoogspanningsstation is randvoorwaardelijk voor de realisatie van de twee nieuwe kerncentrales in Terneuzen. Het nationaal voorkeursrecht geeft de Staat een eerste recht van koop en voorkomt dat de grond die in beeld is voor de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen wordt aangekocht door derde partijen. Ook voorkomt het nationaal voorkeursrecht grondspeculatie en dat het grondeigendom versnipperd raakt waardoor voorgenomen ontwikkelingen worden beperkt.
Tot aan de locatiekeuze voor de twee nieuwe kerncentrales is het kabinet niet voornemens om de gronden actief te verwerven. Zodra meer inzicht is op de locatiekeuze en meer zicht is op de inrichting van het gebied binnen de locatie, wordt waar mogelijk de locatie waarop het voorkeursrecht ziet verkleind. Een nationaal voorkeursrecht dwingt grondeigenaren niet om hun grond te verkopen. Voor bedrijven en bewoners die hun gronden willen verkopen, zal het Rijksvastgoedbedrijf het gesprek aangaan op basis van marktconforme prijzen.
De betrokken grondeigenaren, gebruikers, bewoners en gemeenten zijn geïnformeerd over de vestiging van het voorkeursrecht. Het kabinet blijft doorlopend in gesprek met de betrokkenen om naar hun eventuele zorgen en wensen te luisteren en zal hen op de hoogte houden over de voortgang van de mogelijke ruimtelijke ontwikkeling.
Tot slot
Kernenergie vergroot de robuustheid van het Nederlandse energiesysteem en de weerbaarheid van het Nederlandse energiesysteem. De nieuwbouw van kerncentrales is daarom essentieel voor voldoende en betrouwbare energie in Nederland. Met deze brief informeren wij uw Kamer over de ontstane afwegingen uit de locatie-onderzoeken en geeft het wel eerder dan september 2026 richting over welke voorkeurslocaties nog in aanmerking komen. Hiermee geven we duidelijkheid richting bewoners en betrokkenen in de gebieden die onderdeel zijn van de projectprocedure. Door nu richting te geven kunnen de geschetste parallelle werksporen zoals het Rijk-regiopakket gerichter uitgevoerd worden. Wij realiseren ons dat deze boodschap impact heeft op bewoners van met name de regio's Groningen en Zeeland. Zo snel mogelijk na het verzenden van deze brief zijn we in de regio's aanwezig om vragen te beantwoorden en zorgen te bespreken. Na de zomer worden verschillende bijeenkomsten georganiseerd. Ook met uw Kamer gaan we hier graag over in gesprek.
Met de hierboven toegelichte stappen verzamelen we de benodigde beslisinformatie om de keuze voor één locatie voor de eerste twee kerncentrales te kunnen maken. Het kabinet streeft ernaar om dit voor het einde van het jaar te doen. Dit resulteert in de publicatie van het oVKB in de eerste helft van 2027.
De Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei, J. de Bat
De Minister van Klimaat en Groene Groei, S. van Veldhoven-van der Meer
Bijlagen in dit document:
• Voortgang werksporen nieuwbouw kerncentrales
Aparte bijlagen:
• Nieuwbouw kerncentrales: Integrale Effectenanalyse (concept, Antea Group, 2026a)
• Nieuwbouw kerncentrales: planMER (concept, Antea Group, 2026b) en samenvatting
• Studie netinpassing kernenergie (TenneT, 2026a)
• Notitie netinpassing kerncentrales en wind op zee (TenneT, 2026b)
• Notitie met aanvullende analyse (TenneT, 2026c)
De volgende secties geven per werkspoor een overzicht van de belangrijkste voortgang van de nieuwbouw van de twee grootschalige kerncentrales. Parallel aan de vervolgstappen voor de locatiekeuze en het Rijk-Regiopakket werkt het kabinet verder aan de werksporen gericht op het versterken van het nucleair ecosysteem en het komen tot een financieringspakket. Daarnaast zet NEO NL de voorbereidingen voor de inkoopprocedure voort.
1.1 Doel
Begin 2024 is de projectprocedure voor de realisatie van twee grootschalige kerncentrales gestart. Binnen de projectprocedure wordt gewerkt aan de voorbereidingen van de (ontwerp)Voorkeursbeslissing voor de locatie en vervolgens het projectbesluit. Voor de Voorkeursbeslissing wordt een planMER en een Integrale Effectenanalyse (IEA) opgesteld. Deze (locatie)onderzoeken zijn in afronding en de voorlopige bevindingen zijn beschreven in conceptrapporten. Deze zijn bijgesloten bij deze brief, terug te vinden op de projectpagina van RVO en op www.overkernenergie.nl.
1.2 Stand van zaken
In de gebieden Eemshaven, Maasvlakte II, Sloegebied en Terneuzen zijn in totaal zeven locaties, waarvan twee locaties met twee varianten, onderzocht. Dit zijn in totaal negen locatie-alternatieven. De definitieve Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) is in januari van dit jaar vastgesteld. Hierbij zijn ook ruim 500 reacties over de concept-NRD beantwoord. De NRD bepaalt de opzet en scope van de milieuonderzoeken. Parallel is aan de milieueffectrapportage (planMER) en Integrale Effectenanalyse (IEA) gewerkt. In voorbereiding op de publicatie van de voorlopige onderzoeksresultaten van de planMER en de IEA heeft het ministerie het omgevingsbeeld en de raakvlakkenanalyse, die zijn opgenomen in de IEA, getoetst bij de decentrale overheden in Groningen, Zuid-Holland en Zeeland. De overige inhoudelijke bevindingen worden in de komende periode geverifieerd bij stakeholders in de omgeving, waaronder mede-overheden, (haven-)bedrijven en maatschappelijke organisaties. Uit deze gesprekken kunnen op inhoud nog bijstellingen verwacht worden in aanloop naar de publicatie van de ontwerpVoorkeursbeslissing.
Voorlopige bevindingen en richting:
De voorlopige bevindingen laten nu al zien dat een aantal locatie-alternatieven niet in aanmerking komen als voorkeursalternatief. Met deze Kamerbrief wil het kabinet lopende de projectprocedure, alvast zoveel mogelijk duidelijkheid geven en komt het kabinet tegemoet aan de wens uit de regio’s en Kamer. Met betrokken bestuurders uit de regio's is contact geweest over de uitkomsten van de voorlopige onderzoeksresultaten en wat dit betekent voor het vervolgproces.
1.3 Planning en risico’s
Om deze inhoud te begeleiden gaan we de komende weken tot aan het zomerreces in gesprek met inwoners, maatschappelijke organisaties en bedrijven in Groningen, Zeeland en Vlaanderen, waarbij gelegenheid wordt gecreëerd om vragen te stellen en aandachtspunten te delen. In Duitsland wordt de behoefte aan deze bijeenkomsten nog verkend. Na het zomerreces zullen er verdiepende gesprekken gevoerd worden met betrokkenen, waarbij we de voorlopige onderzoeksresultaten toetsen. Uit deze gesprekken volgen mogelijk nog bijstellingen die worden meegenomen in de beslisinformatie richting oVKB.
De formele terinzagelegging van de rapporten met de ontwerpVoorkeursbeslissing volgt in 2027. Tevens is dan formele inspraak mogelijk door middel van het indienen van een zienswijze.
Parallel aan de projectprocedure is het kabinet gestart met de actualisatie van het Programma Energiehoofdinfrastructuur (PEH II), waarin voorkeursgebieden zullen worden aangewezen voor kerncentrales 3+4. Hierbij wordt zowel gekeken naar conventionele centrales als SMR's. In de brief over de routekaart, die gelijktijdig met deze brief naar de Kamers wordt verstuurd, is het proces rond PEH II nader toegelicht. De uitkomsten van de lopende projectprocedure zullen mogelijk consequenties hebben voor de gebieden die in PEH II worden beschouwd. Indien bij de voorkeursbeslissing blijkt dat gebieden niet geschikt blijken te zijn voor twee grote conventionele centrales, dan zullen deze ook niet nader beschouwd worden binnen PEH II als potentieel geschikte locatie voor de bouw van twee grootschalige kerncentrales.
2.1 Doel
Om tot een definitief locatiebesluit te komen, hecht het kabinet aan een zorgvuldig en transparant omgevingsproces waarbij belanghebbenden in de relevante regio’s worden betrokken en gevraagd mee te denken over de inhoud en het proces. Daarnaast streeft het kabinet door de grote en langjarige impact van de bouw van kerncentrales gezamenlijk met de regio naar een pakket van maatregelen voor de regio waarin de kerncentrales gebouwd worden. Het betreft een pakket maatregelen wat zowel toeziet op het mitigeren van bouwoverlast als op het bieden van sociaaleconomisch perspectief aan de regio waar de kerncentrales uiteindelijk gebouwd zullen worden. Zo bereiken we dat de bouw van de kerncentrales niet alleen goed is voor Nederland, maar ook voor de regio.
2.2 Stand van zaken
Parallel aan de voorbereiding van het locatiebesluit is in september 2024 voor Zeeland al een proces richting een Rijk-Regiopakket in gang gezet door het ondertekenen van een intentieverklaring8. Onder leiding van de gebiedsverbinder voor Zeeland, Raymond Knops, worden daar gesprekken gevoerd over de voorbereidingen van een maatregelenpakket. In januari 2026 heeft de gebiedsverbinder zijn derde adviesbrief opgeleverd9. Deze adviesbrief bevat aanbevelingen die door het kabinet, de gemeenten Borsele, Terneuzen en Vlissingen en provincie Zeeland gezamenlijk uitgewerkt zullen worden. Die aanbevelingen met reactie van het kabinet op de aanbevelingen zijn:
1. Betrek beleidsdeelneming Nucleaire Energie Organisatie Nederland B.V. (NEO NL) tijdig bij het kernteam Rijk-Regiopakket en regionale partijen, zodat NEO NL tijdig kennis kan nemen van zorgen en kansen en deze, waar nodig, mee kan nemen in eventuele voorbereidende werkzaamheden.
Het kabinet onderschrijft het belang van tijdige betrokkenheid van NEO NL bij het kernteam Rijk-Regiopakket en de betrokken regionale partijen. Indien bij de ontwerp Voorkeursbeslissing een locatie in Zeeland wordt aangewezen, zal NEO NL met de regio om tafel gaan om in gesprek te gaan over de totstandkoming van concrete afspraken in relatie tot het Rijk-Regiopakket. Tot die tijd volgt NEO NL het proces dat de gebiedsverbinder in Zeeland doorloopt via het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Zo blijft NEO NL op de hoogte van zorgen en kansen die in de omgeving worden gesignaleerd, en kan zij daar waar nodig aandachtspunten meegeven.
2. Het is belangrijk om als overheden op een gelijk tempo in gezamenlijkheid op te blijven trekken. Blijf op ambtelijk en bestuurlijk niveau elkaars (gedeelde) zorgen en kansen zien, maar ben ook open over mogelijk uiteenlopende ambities, perspectieven en verwachtingen
Het kabinet hecht veel waarde aan de constructieve samenwerking tussen alle betrokken overheden in de regio en wil deze samenwerking in de komende fases voortzetten. Daarbij blijven we aandacht houden voor zowel gedeelde belangen als mogelijke verschillen in ambities, verwachtingen en perspectieven.
3. Werk als overheden samen om stapsgewijs inzichtelijk te maken wanneer welke informatie en studies beschikbaar komen, zodat de communicatie en vervolgacties hierover goed op elkaar afgestemd kunnen worden.
Zoals gesteld hecht het kabinet veel waarde aan de samenwerking. Met de mede-overheden wordt gezamenlijk op constructieve en positieve wijze gewerkt aan een tijdslijn met daarin de informatie en studies die op korte termijn beschikbaar komen.
Vanaf 2025 zijn ook de regio's Zuid-Holland en Groningen ondersteund om kennis op te bouwen over de mogelijke komst van kerncentrales en om lokale en regionale kennis in te brengen voor een goed en zorgvuldig participatieproces. Voor gebieden die niet meer in aanmerking komen als locatie voor kerncentrales, kunnen dit proces, de opgedane kennis en de opgebouwde netwerken mogelijk ingezet worden ten bate van participatie over andere energieprojecten en mogelijk voor verdere ruimtelijke uitwerking van de routekaart voor PEHII.
Voor de locaties in de Eemshaven voert het kabinet eerst bestuurlijke gesprekken over de uitkomsten van de Integrale Effectenanalyse. Mocht deze locatie uiteindelijk worden aangewezen, dan zal er vervolgens meer tijd nodig zijn om hier tot een Rijk-Regiopakket te komen. Zoals aangegeven in de brief zullen vooruitlopend op een locatiekeuze de gesprekken in Zeeland de komende tijd worden voortgezet. In de lopende gesprekken zal meer focus komen te liggen op Terneuzen en perspectief op een meerjarige samenwerking die daarop gericht is. Daarnaast worden, conform het advies in de derde adviesbrief van de gebiedsverbinder, in dit stadium mogelijke strategische afspraken voorbereid met aandacht voor onder meer leefbaarheid, economie, natuur en infrastructuur die bij een mogelijke komst van kerncentrales goed zijn voor de gehele regio. Daarbij wordt ook gekeken voor welke onderwerpen bij de mogelijke komst van kerncentrales al investeringen nodig zullen zijn voordat gestart wordt met de bouw. Ook zullen concrete en werkbare afspraken worden voorbereid over de toekomstige samenwerking tussen het Rijk, de toekomstig initiatiefnemer NEO NL, de regio en andere relevante stakeholders.
Een aantal van de mogelijke maatregelen waarover in de afgelopen periode met Zeeland is gesproken zijn sowieso nuttig en noodzakelijk voor de regio. Zo spant het kabinet zich in om de aandelen in ZEH Energy B.V. (ZEH), houdster van 70% van de aandelen in EPZ (de exploitant van kerncentrale Borssele) over te nemen. Zonder vooruit te lopen op de uitkomsten van deze onderhandelingen, zal EZK – als het tot een overname komt – zich als (indirecte) aandeelhouder van EPZ inzetten voor het creëren van een langetermijnstrategie voor EPZ in het belang van de onderneming en in lijn met publieke belangen. De belangrijkste prioriteit zou dan, mits dit haalbaar is, het realiseren van een bedrijfsduurverlenging na 2033 zijn.
Eerder is onderkend dat binnen de gemeente Borsele ook zonder de komst van kerncentrales mogelijk sprake is van een stapeling van grote (toekomstige) energieprojecten met impact op de leefomgeving. EZK blijft hiervoor oog houden in de lopende projectprocedures van andere energieprojecten.
Daarnaast gebeurt in de regio momenteel ook al veel dat is gericht op het verder uitbouwen van het nucleaire ecosysteem in Nederland en specifiek in Zeeland en de omgeving Borssele. Zo heeft EPZ recentelijk een Memorandom of Understanding (MoU) ondertekend met de start-up Thorizon, een Nederlandse partij die een gesmoltenzoutreactor ontwikkelt. In deze MoU wordt onder andere aangekondigd dat er zal worden verkend of de eerste reactor van Thorizon mogelijk bij het EPZ-terrein kan worden geplaatst.
Verder werkt het kabinet aan de inrichting van drie nucleair regionaal ingebedde hubs in het hbo. De eerste hub zal voor de regio Zeeland door HZ University of Applied Sciences en Avans Hogeschool worden ingericht en focust op nucleaire veiligheid en grootschalige energieopwekking. De tweede hub zal in Oost-Nederland/Twente door Saxion worden ingericht op het gebied van digitalisering en decentrale/SMR-inpassing. De derde hub is nog in ontwikkeling en zal op een later moment worden ingericht (zie de brief over de routekaart naar 7GW voor nadere toelichting en vervolgstappen). Ook wordt samen met de Nuclear Academy, HZ University of Applied Sciences en Scalda gewerkt aan het versterken van het nucleaire onderwijs door in gezamenlijkheid de minor nucleaire technologie en het keuzedeel nucleaire technologie te ontwikkelen. De minor en het keuzedeel zijn goede regionale voorbeelden van versterking met landelijke impact (zie nadere toelichting hieronder bij onderdeel 4 «Versterken nucleair ecosysteem»).
2.3 Planning en risico's
De planning van het Rijk-Regiopakket en de planning van de ontwerpVoorkeursbeslissing lopen gelijk op. Vertragingen in het proces om te komen tot een ontwerp Voorkeursbeslissing zullen leiden tot vertraging in de oplevering van het voorlopig Rijk-Regiopakket. Zoals ook in de vorige en deze Kamerbrief is toegelicht, zal er voor een eventueel Rijk-Regiopakket in Groningen meer tijd nodig zijn. Indien nodig zullen proces en planning hiervoor samen met Groningen worden uitgewerkt.
3.1 Doel
Beleidsdeelneming NEO NL is opgericht op 16 februari 2026 en is de rechtspersoon die de opdracht voor de bouw van de nieuwe kerncentrales moet voorbereiden en uiteindelijk moet geven10. Voorafgaand aan deze opdracht moet een leverancier van de nucleaire technologie voor de kernreactor worden geselecteerd. Het is de bedoeling dat deze technologieleverancier betrokken zal blijven tijdens de gehele levensduur van de kerncentrales. In de kamerbrief van 17 maart 202511, heeft het kabinet u geïnformeerd over het overblijven van de twee potentiële technologieleveranciers, het Amerikaanse Westinghouse en het Franse EDF.
3.2 Stand van zaken
Momenteel werkt NEO NL het voorgenomen inkoopproces om tot een opdrachtnemer voor het nieuwbouwproject te komen verder uit. Hierbij moet zij de voortgang richting de ontwerp Voorkeursbeslissing voor de locatie betrekken.
Versnellingsopties
De motie De Groot12 roept op nogmaals in te gaan op de versnellingsopties en de motie De Groot en Jumelet13 vraagt naar de versnellingsopties en het in gang zetten van de omkeerbare werkzaamheden met aanvaardbare risico's. In eerdere brieven14, 15 is het kabinet ingegaan op de mogelijke versnellingsopties. Dit zijn bijvoorbeeld het onderzoeken of vóór het afgeven van de uiteindelijke vergunning, omkeerbare werkzaamheden op de locatie kunnen worden uitgevoerd. Daarnaast kan het kabinet overwegen de reactorvaten en andere complexe producten (zogeheten long-lead items) voor de finale investering al vroegtijdig door NEO NL te laten bestellen. Verder wordt er ingezet op een gefaseerde uitvoering van parallelle werksporen om ook daarmee efficiëntie en mogelijk snelheid te maken met het nieuwbouwproject. Het kabinet blijft deze aanpak hanteren gedurende het vervolgproces en geeft hiermee uitvoering aan de moties.
3.3 Planning en risico’s
De locatiekeuze is van invloed op het inkoopproces. Specifieke eigenschappen zoals bijvoorbeeld ligging, bodemkwaliteit en koelwaterconfiguraties bepalen het aanbod en ontwerprisico's dat de technologie leveranciers doen. Complicaties in de locatiekeuze kunnen ook (de aanvang van) het inkoopproces vertragen.
4.1 Doel
Voor het realiseren van de nucleaire ambities is een sterk nucleair ecosysteem onmisbaar. Daarom werkt het kabinet aan kennisopbouw, netwerkontwikkeling en het uitvoeren van concrete activiteiten op de volgende, samenhangende terreinen: de (nucleaire) kennisbasis en -infrastructuur, de nucleaire brandstof- en waardeketen en internationale samenwerking. In deze brief beschrijf ik met name de voortgang tot nu toe. In de brief betreffende de routekaart (die ik parallel naar uw Kamer heb verzonden) ga ik in op de doorkijk de komende jaren.
4.2 Stand van zaken
Het Meerjarig Missiegedreven Innovatieprogramma Kernenergie (hierna: MMIP Kernenergie) richt zich op het toekomstbestendig maken van de nucleaire kennisbasis en -infrastructuur. Het MMIP Kernenergie bestaat uit twee deelprogramma's: de Human Capital Agenda Kernenergie en het Kennis- en Innovatieprogramma.
Human Capital Agenda
Onder de Human Capital Agenda Kernenergie wordt ingezet op het aantrekken en opleiden van voldoende gekwalificeerd personeel voor de bouw en operatie van nieuwe kerncentrales en de toepassing van nucleaire technologieën. In lijn met de motie Eerdmans16 heeft het kabinet de opleidingsbehoefte en capaciteit van de nucleaire sector in relatie tot de Nederlandse nucleaire ambities in kaart gebracht. Op 4 februari 2025 zijn de resultaten van deze inventarisatiestudie, uitgevoerd door onderzoeksbureau Technopolis, met uw Kamer gedeeld17. Het kabinet beschouwt deze motie hiermee als afgedaan. De resultaten van het rapport zijn gebruikt om de inzet op Human Capital nader vorm te geven. Hiervoor zijn vier actielijnen gedefinieerd:
– Het vergroten van technisch talent op de Nederlandse arbeidsmarkt;
– Het vergroten van de nucleaire kennisbasis op mbo-, hbo- en wo-niveau;
– Het uitbreiden van het aanbod van onderwijs en trainingsmogelijkheden voor de nucleaire sector;
– Het versterken van de concurrentiepositie van de Nederlandse nucleaire sector op de arbeidsmarkt.
Enkele resultaten die de afgelopen periode zijn behaald:
– Nuclear Academy: de Nuclear Academy werkt samen met regionale partners aan de ontwikkeling van nucleair-technologische opleidingen en trainingen op met name mbo- en hbo-niveau. Voor de uitvoering van de activiteiten van de Nuclear Academy is van 2026 tot en met 2028 een budget van € 3 miljoen beschikbaar.
– Practoraten mbo-onderwijs: voor de versterking van het mbo-onderwijs en onderzoek wordt op dit moment verkend hoe nucleaire practoraten kunnen worden ingericht. Vanuit het MMIP Kernenergie is hiervoor in totaal een budget van € 3,1 miljoen beschikbaar.
– Kennishubs hbo-onderwijs en onderzoek: Door zes hogescholen en Regieorgaan SIA wordt gewerkt aan de inrichting van drie regionaal ingebedde kennishubs om onderwijs en onderzoek rondom verschillende nucleaire onderwerpen samen te brengen. De eerste hub zal voor de regio Zeeland door HZ University of Applied Sciences en Avans Hogeschool worden ingericht. De tweede hub zal in Oost-Nederland/Twente door Saxion worden ingericht. De derde is nog in ontwikkeling en zal op een later moment nader worden ingericht. Vanuit het MMIP Kernenergie is hiervoor € 5,6 miljoen beschikbaar. Ook zal er gekeken worden naar de ontwikkeling van een landelijke online learning community.
– Versterking wo-onderwijs: met geïnteresseerde universiteiten wordt op dit moment verkend welke behoeftes en mogelijkheden er zijn om het wo-onderwijs op nucleair gebied te versterken, zowel op technisch als op sociaaleconomisch vlak. Vanuit het MMIP Kernenergie is hiervoor € 5,5 miljoen beschikbaar.
Kennis en innovatie: onderzoeks- en innovatieregelingen
Onder het Kennis- en Innovatieprogramma van het MMIP Kernenergie wordt ingezet op de verdere ontwikkeling van het nucleaire kennis- en innovatie-ecosysteem middels verschillende programma’s en projecten. In de brief over de routekaart naar 7GW wordt ingegaan op de ambities op het gebied van kennis- en innovatie bij het versterken van de Nederlandse nucleaire sector.
Nucleaire Waardeketen
Naast de noodzaak tot een sterke Nederlandse waardeketen om de bouw en leveringszekerheid te garanderen, biedt het versterken van de Nederlandse waardeketen kansen om het aandeel van in Nederland gevestigde bedrijven binnen de mondiale nucleaire keten te vergroten. Het kabinet heeft zich daarom de afgelopen maanden gericht op het (her)organiseren van de nucleaire waardeketen en het in beeld brengen van de lokalisatiemogelijkheden in overstemming met geldende wet- en regelgeving. Met betrekking tot het organiseren van de waardeketen zijn verschillende stappen gezet. Zo zijn er met de sector instrumenten ontwikkeld die bijdragen aan de mogelijkheid van bedrijven om actief te worden in de nucleaire sector. Het Made for nuclear event is gehouden op 24 november 2025 als kickstart van de Nederlandse nucleaire waardeketen. Deze succesvolle bijeenkomst bracht ruim 500 deelnemers uit de Nederlandse (maak)industrie, technologieleveranciers en ecosysteempartners samen.
En verder wordt ingezet op het versterken van organiserend vermogen: om het opgebouwde netwerk verder te versterken, is onder leiding van Nucleair Nederland de «Made for Nuclear» werkgroep gestart in afstemming met o.a. VNO-NCW, FME en de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) om praktische stappen te zetten in het verder ontwikkelen van de nucleaire keten.
4.3 Planning en risico’s
Alleen projectaanvragen die voldoen aan de staatssteunregels kunnen in aanmerking komen voor subsidie. Tevens zijn bepaalde ontvankelijkheids- en beoordelingscriteria van toepassing die van invloed zijn op het finale investeringsbesluit. Voor de human-capitalagenda en het verder versterken van het opgebouwde netwerk rondom de nucleaire waardeketen werken betrokken veldpartijen op dit moment aan de verdere uitwerking (en toekomstige implementatie) van de plannen, waarbij de inzet is voor eind 2026 tot een breed gedragen aanpak te komen. Over het geheel genomen vormt de mate waarin het ecosysteem erin slaagt mee te groeien, bijvoorbeeld door voldoende gekwalificeerd personeel te vinden, met de nucleaire ambities van het kabinet een belangrijk aandachtspunt.
5.1 Doel
In de Kamerbief van oktober 202518 heeft het kabinet de contouren van het Government Support Package (hierna: GSP) voor de nieuwe kerncentrales toegelicht. Gedurende de eerste fase van het project gaat het kabinet uit van volledig publieke financiering. De mogelijkheid van (gedeeltelijk)voor private financiering vanuit de kapitaalmarkt of vanuit de opdrachtnemer voor het project blijft in de toekomst expliciet open. Het doel is te komen tot een GSP dat de realisatie van het nieuwbouwproject mogelijk maakt en waarvoor een goedkeuring van de Europese Commissie kan worden verkregen in verband met staatssteunaspecten.
5.2 Stand van zaken
Het kabinet bouwt voort op de eerder geschetste uitgangspunten, betaalbaarheid, risicoverdeling, marktconformiteit en uitvoerbaarheid. Het kabinet heeft de afgelopen periode verdere stappen gezet in de uitwerking van het GSP, mede op basis van aanvullende modellering en doorrekeningen.
De werkzaamheden in de komende periode richten zich onder meer op:
– het concretiseren van de verhouding tussen (en voorwaarden van) eigen en vreemd vermogen;
– het toetsen van de effecten van verschillende varianten op de kosten en ondersteuning gedurende de operationele fase via een zgn. contract-for-difference;
– Het zoveel mogelijk voorkomen van het onnodig circuleren van middelen tussen de staat en de deelneming;
– het integreren van onderdelen uit het voorgenomen inkoopproces, waaronder de risico-allocatie gedurende de bouw, in het GSP;
– het nader inrichten van de financiering van NEO NL gedurende de komende periode;
– de verdere voorbereiding van de staatssteunaanmelding bij de Europese Commissie;
– de beoordeling van de inpasbaarheid in verband met staatssteunaspecten;
– de analyse van de budgettaire effecten, waaronder de impact op het EMU-saldo en de EMU-schuld.
De nadere analyses met externe adviseurs bevestigen in grote lijnen de eerdere inzichten en dragen tegelijkertijd bij aan een verdere onderbouwing en aanscherping van het voorgestelde GSP. Ook wordt bekeken op welke onderdelen optimalisaties mogelijk zijn, mede in het licht van de aandachtspunten van betrokken stakeholders.
5.3 Planning en risico’s
Het kabinet zet de komende periode in op het verder uitwerken van het GSP, met als doel te komen tot een definitieve invulling waarin de verschillende belangen en uitgangspunten zorgvuldig zijn afgewogen. Het uiteindelijke investeringsbesluit zal mede-afhankelijk zijn van de impact op de begroting. Daarbij is het bij de verdere uitwerking van het GSP belangrijk oog te houden voor de impact van de verschillende scenario’s op het EMU-saldo en de EMU-schuld van de staat. De uiteindelijke beoordeling hiervan is aan CBS/Eurostat. De impact op EMU-saldo en -schuld is geen op zichzelf staand doel, maar kan relevant zijn in de verdere afweging.
De verdere uitwerking van het GSP loopt parallel aan het voorgenomen inkoopproces en het staatssteuntraject bij de Europese Commissie. Het investeringsbesluit wordt, in lijn met eerdere communicatie, verwacht bij het tekenen door NEO NL van het contract voor de bouw van de kerncentrales. De fundamentele aspecten van het GSP zullen aan uw Kamer worden voorgelegd. Enkele belangrijke aandachtspunten gedurende deze fase zien we onder meer op:
– Afstemming met stakeholders: aanvullende wensen of voorwaarden kunnen leiden tot verdere iteraties;
– De wisselwerking tussen de nadere uitwerking van het GSP en het staatssteuntraject. In verband met staatssteunaspecten is voor definitieve vaststelling van het GSP voorafgaande goedkeuring door de Europese Commissie vereist;
– Onzekerheden in aannames: lange termijn ontwikkelingen, zoals rente en elektriciteitsprijzen, blijven onzeker en kunnen invloed hebben op de uiteindelijke vormgeving van het GSP;
– Samenhang met projectontwikkeling: wijzigingen in projectparameters, door bijvoorbeeld bepaalde ontwikkelingen in het voorgenomen inkoopproces en de daarin ontstane voortschrijdende inzichten, kunnen doorwerken in de financieringsstructuur en/of de omvang van financiering.
Door de iteratieve aanpak blijft het kabinet gericht op het beheersen van deze risico’s en het realiseren van een robuust, gedragen, proportioneel en uitvoerbaar GSP.
Onderzoeksgebieden in de NRD zijn:
Sloegebied (EPZ-noord en Thermphos terrein)
Terneuzen (Mosselbanken/Paulinapolder)
Maasvlakte II (prinses Amaliahaven-westzijde)
Eemshaven (Westereemweg/Emmapolder, Eemshavencentrale, Eemscentrale)
Kamerstukken II 2025/26 31 239 nr 438
Kamerstukken II 2025/26 36 800 nr 24
Kamerstukken II 2025/26 23 432 nr 704
Kamerstukken II 2024/25 32 645 nr 145
Provinciale staten van Groningen, motie «Geen kerncentrale in de provincie Groningen» (5 juni 2024)
Gemeente Het Hogeland, motie «Geen kerncentrale in Het Hogeland», (3 april 2024)
Gemeente Eemsdelta: motie inzake de vestiging van kerncentrales in de Eemshaven (23 april 2024)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32645-Y.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.