32 645 Kernenergie

U VERSLAG VAN EEN NADER SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 28 januari 2026

De vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei1 heeft nader schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Klimaat en Groene Groei over voortgang van Programma Small Modular Reactors. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 2 december 2025.

  • De antwoordbrief van 26 januari 2026.

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei, Karthaus

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ECONOMISCHE ZAKEN / KLIMAAT EN GROENE GROEI

Aan de Minister van Klimaat en Groene Groei

Den Haag, 2 december 2025

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 28 oktober 2025 met antwoorden op gestelde vragen over de voortgang Programma Small Modular Reactors.2 Ook hebben deze leden kennisgenomen van uw brief van 17 oktober 2025 over de strategie voor Small Modular Reactors in Nederland.3 De leden van de fractie van de BBB hebben naar aanleiding daarvan een aantal nadere vragen en opmerkingen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie BBB

De fractieleden van de BBB stellen dat u voornemens bent maximaal twintig miljoen euro beschikbaar te stellen voor de pre-Final Investment Decision (pre-FID) fase van SMR-initiatieven, gericht op Nth-of-a-Kind (NOAK) projecten.4 Kunt u met een concrete datum aangeven wanneer het financiële instrument om deze middelen te verstrekken definitief is vastgesteld en de aanvraagprocedure voor initiatiefnemers kan starten?

In de strategie lezen deze leden dat het Rijk de regie zal nemen over het eerste SMR-project, ongeacht de grootte of toepassing, door middel van een projectbesluit.5 Hoe waarborgt u dat deze centrale regierol voor het eerste project de versnelling van private en lokale initiatieven, die nu al in een vergevorderd stadium zijn, niet vertraagt of ontmoedigt?

De fractieleden van de BBB stellen dat het Rijk wenst af te wijken van het decentraal, tenzij-principe, bij de gewenste verdeling van het bevoegd gezag bij SMR-initiatieven, waarbij na het eerste project in beginsel ruimte wordt gemaakt voor provincies voor SMR’s minder dan 500 MWe. Dit vereist een wijziging van de Energiewet.6 Gaat dit niet ook tot vertraging voor deze zo gewenste private en lokale initiatieven zorgen? Wat maakt dat dit in uw ogen noodzakelijk is?

Inzake het initiatief van de gemeente Opmeer en de nabijgelegen datacenters in Hollands Kroon, heeft u enkel algemene facilitaire ondersteuning toegezegd op het gebied van kennis en financiering via provincies.7 Bent u bereid om in samenwerking met de provincie actief de verbinding te leggen tussen de specifieke energievraag van die datacenters en het SMR-initiatief van Opmeer, om zo de ontwikkelingen daadwerkelijk te versnellen?

U bent voornemens om provincies financieel te ondersteunen bij het ontwikkelen van provinciaal SMR-beleid en locatieverkenningen.8 Welke concrete criteria en evaluatiemechanismen hanteert u om te waarborgen dat deze financiële ondersteuning leidt tot meetbare resultaten en efficiëntie in plaats van onnodige bureaucratie op regionaal niveau?

U laat een koelwaterstudie uitvoeren om inzicht te krijgen in gebieden met voldoende koelcapaciteit, essentieel voor ruimtelijke inpassing.9 Wanneer worden de resultaten van deze studie openbaar gemaakt, en worden deze resultaten met voorrang gedeeld met regionale en lokale overheden die actief bezig zijn met locatieverkenningen, zoals de gemeente Opmeer en de provincie Gelderland?

De toepassing van Artificiële Intelligentie (AI) zal de energievraag in Nederland de komende vijf tot zeven jaar sterk doen toenemen, terwijl SMR’s pas later beschikbaar zullen zijn, zo stellen deze leden. Welke concrete aanpassingen aan het SMR-programma of welke versnellingsmaatregelen worden genomen om te zorgen dat SMR’s tijdig (dus binnen de kritieke vijf tot zeven jaar) een bruikbare energiebron kunnen zijn voor de snelgroeiende AI-datacenters? Welke verplichtingen kunt u opleggen aan de sector om bij te dragen aan deze, zo noodzakelijke, versnelling?

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk binnen vier weken.

Voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei, S.M. Kluit

BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 26 januari 2026

Hierbij zend ik u de antwoorden op de nadere vragen van de Eerste Kamerfractie van de BBB over de voortgang van Programma Small Modular Reactors (Kamerstuk I 2025/26, 32 645, ingezonden 28 oktober 2025) en de strategie voor Small Modular Reactors in Nederland (Kamerstuk I 2025/26, 32 645, T, ingezonden 17 oktober 2025).

Minister van Klimaat en Groene Groei, S.Th.M. Hermans

179001

1

De fractieleden van de BBB stellen dat u voornemens bent maximaal twintig miljoen euro beschikbaar te stellen voor de pre-Final Investment Decision (pre-FID) fase van SMR-initiatieven, gericht op Nth-of-a-Kind (NOAK) projecten. Kunt u met een concrete datum aangeven wanneer het financiële instrument om deze middelen te verstrekken definitief is vastgesteld en de aanvraagprocedure voor initiatiefnemers kan starten?

Antwoord

Het kabinet onderzoekt op dit moment hoe deze financiële ondersteuning vorm zal krijgen binnen geldende wet- en regelgeving (waaronder de staatssteunregels), wat ook bepalend is voor de planning. Het instrument zal zich specifiek richten op de ondersteuning van pre-assessment onderzoeken zoals vergunbaarheid- en haalbaarheidsanalyses.

2

In de strategie lezen deze leden dat het Rijk de regie zal nemen over het eerste SMR-project, ongeacht de grootte of toepassing, door middel van een projectbesluit. Hoe waarborgt u dat deze centrale regierol voor het eerste project de versnelling van private en lokale initiatieven, die nu al in een vergevorderd stadium zijn, niet vertraagt of ontmoedigt?

Antwoord

Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen bevoegd gezag (Omgevingswet) en initiatiefnemer. Tijdens de simulaties is hier uitgebreid aandacht aan besteed, evenals in de interbestuurlijke en interdepartementale gesprekken. Er blijft namelijk nadrukkelijk ruimte voor private partijen of decentrale overheden om initiatief te nemen.

Het kabinet heeft gekozen voor een aanpak waarbij de Minister van Klimaat en Groene Groei (in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) voor een eerste SMR-project bevoegd gezag zal zijn. Dit is ongeacht het vermogen en/of het ruimtelijk beslag van het SMR-project. Afhankelijk van de lessons learned bij het eerste project zal vervolgens de provincie of het Rijk voor volgende SMR’s optreden als bevoegd gezag. Deze aanpak is opgesteld op basis van de simulaties uitgevoerd onder het SMR-programma, waarbij het «decentraal, tenzij»-principe centraal heeft gestaan.

De achterliggende gedachte hierbij is om zowel de kracht van de regio te benutten als regie te behouden over ontwikkelingen. Daarnaast geeft dit ook een kans om het bestuurlijk draagvlak verder te verstevigen voor de realisatie van SMR’s.

De projectprocedure geeft duidelijkheid over de te doorlopen processtappen. Het kabinet ziet dat onzekerheid een grote vertragende factor kan zijn in de ontwikkeling van SMR’s en ziet het bieden van zekerheid waar dat kan als een optie om realisatie te versnellen. Doordat bij het eerste project de regierol bij het Rijk ligt, is het mogelijk om uit dat project te leren over knelpunten en mogelijke risico’s, om zo mogelijk versnellingsopties te vinden voor volgende projecten.

3

De fractieleden van de BBB stellen dat het Rijk wenst af te wijken van het decentraal, tenzij-principe, bij de gewenste verdeling van het bevoegd gezag bij SMR-initiatieven, waarbij na het eerste project in beginsel ruimte wordt gemaakt voor provincies voor SMR’s minder dan 500 MWe. Dit vereist een wijziging van de Energiewet. Gaat dit niet ook tot vertraging voor deze zo gewenste private en lokale initiatieven zorgen? Wat maakt dat dit in uw ogen noodzakelijk is?

Antwoord

Om te komen tot een aanpak voor de bevoegdheidsverdeling is in het SMR-programma het «decentraal, tenzij» – principe als belangrijk uitgangspunt genomen. Hierbij zijn medeoverheden, vertegenwoordigd in IPO en VNG, ook nauw betrokken. Uit de resultaten van het SMR-programma blijkt dat voor SMR’s – los van hun vermogen – gemeentegrensoverschrijdende effecten op voorhand niet zijn uit te sluiten. Voorbeelden van gemeentegrensoverstijgende effecten kunnen zijn het maatschappelijk draagvlak, evacuatieplannen, toepassing in industrieclusters die binnen meerdere gemeentegrenzen liggen, of de aanleg van infrastructuur in aangrenzende gemeenten. Op basis hiervan geldt dat SMR-projecten provinciale of nationale belangen treffen en dat het aangewezen is dat ruimtelijke besluitvorming erover plaatsvindt met een projectbesluit van het Rijk of de provincie.

De door het kabinet gewenste bevoegdheidsverdeling tussen Rijk en provincie kan wettelijk worden geborgd door SMR’s toe te voegen aan de energieprojecten waarvoor op grond van de Energiewet een provinciaal of Rijksprojectbesluit moet worden genomen. Een voorstel voor wijziging van de Energiewet wordt beoogd na de eerdergenoemde validatie waarbij het Rijk optreedt als bevoegd gezag voor het eerste SMR-project. Er is geen beletsel om vooruitlopend daarop deze verdeling al toe te passen bij de volgende SMR-projecten.

Om mogelijke realisatiepaden van SMR’s verder te verduidelijken heeft het kabinet, in het Commissiedebat van 17 december 2025, toegezegd om het parlement voor de zomer van 2026 een stappenplan te sturen. Daarin zal het kabinet schetsen wat nodig is voor de realisatie van conventionele en innovatieve SMR’s.

4

Inzake het initiatief van de gemeente Opmeer en de nabijgelegen datacenters in Hollands Kroon, heeft u enkel algemene facilitaire ondersteuning toegezegd op het gebied van kennis en financiering via provincies. Bent u bereid om in samenwerking met de provincie actief de verbinding te leggen tussen de specifieke energievraag van die datacenters en het SMR-initiatief van Opmeer, om zo de ontwikkelingen daadwerkelijk te versnellen?

Antwoord

Zoals gecommuniceerd in eerdere beantwoording van de vragen zet het kabinet in op het faciliteren van private initiatieven, zodat deze zich verder kunnen gaan ontwikkelen. Met de SMR-strategie heeft het kabinet hiervoor het voornemen geuit tot 20 miljoen beschikbaar te stellen voor het uitvoeren van pre-assessment onderzoeken, voor zover mogelijk binnen geldende wet- en regelgeving (waaronder de staatssteunregels). Dit zou dan gerichte ondersteuning zijn en komt voort uit gesprekken met SMR-ontwikkelaars over wat nodig is om initiatieven te kunnen versnellen en uiteindelijk te helpen ontplooien. Initiatieven die het dichtst bij marktontwikkeling zijn, bevinden zich op dit moment namelijk in een fase waar ze zich voorbereiden op vergunningverlening.

Wat betreft het SMR-initiatief van de gemeente Opmeer: dit initiatief heeft zich vooralsnog gericht op kleinere SMR’s (15–20 MWe) die zich nog verder van marktrealisatie bevinden of nog geen concurrerende elektriciteitsprijs kunnen leveren. Een conclusie van het haalbaarheidsonderzoek van de gemeente Opmeer is daarom ook dat het niet haalbaar is om deze SMR’s binnen de gewenste tijdlijn te realiseren.10 Een aanbeveling van het rapport is om actief opties te verkennen met andere gemeenten en partijen binnen Noord-Holland, waaronder ook grote stroomvragers als Agriport.

Ook bij dit initiatief ziet het kabinet dus vooral behoefte aan ondersteuning in een vroeg stadium vanuit decentrale overheden bij het verkennen van locatie en bij pre-assessment gericht op haalbaarheid en vergunbaarheidsanalyses.

5

U bent voornemens om provincies financieel te ondersteunen bij het ontwikkelen van provinciaal SMR beleid en locatieverkenningen. Welke concrete criteria en evaluatiemechanismen hanteert u om te waarborgen dat deze financiële ondersteuning leidt tot meetbare resultaten en efficiëntie in plaats van onnodige bureaucratie op regionaal niveau?

Antwoord

Het kabinet ziet voor SMR’s met een regionale toepassing, bijvoorbeeld voor industriële clusters of cluster 6 bedrijven, een rol voor provincies als het gaat om ruimtelijke verkenningen. Daarnaast, afhankelijk van de lessons learned kunnen provincies mogelijk in de toekomst een rol vervullen als bevoegd gezag. Om provincies hierbij te ondersteunen en de mogelijkheid te bieden provinciaal SMR-beleid te ontwikkelen, is er behoefte aan beleidsverkenningen naar de rol van SMR’s in het regionale energiesysteem en het verkennen van geschikte locaties. Deze onderzoeken kunnen de basis vormen voor het toekomstige SMR-beleid van de provincies of het betrekken van SMR’s in bestaand beleid, zoals de provinciale energievisies. Het initiatief voor het ontwikkelen van provinciaal SMR-beleid ligt bij de provincies zelf.

De afspraken met de provincies over de invulling van de provinciale beleidsverkenningen zijn inmiddels gestart. Dit zal de basis zijn om te bepalen welke financieringsmogelijkheden en afspraken (in overeenstemming met staatssteunregels) de provincies het best ondersteunen om tot resultaten te komen. Daarnaast zal het Rijk met de provincies afspraken maken over doelmatige besteding van de financiële ondersteuning. Uitgangspunt is de behoefte van de verschillende provincies en de mogelijkheid om te versnellen.

6

U laat een koelwaterstudie uitvoeren om inzicht te krijgen in gebieden met voldoende koelcapaciteit, essentieel voor ruimtelijke inpassing. Wanneer worden de resultaten van deze studie openbaar gemaakt, en worden deze resultaten met voorrang gedeeld met regionale en lokale overheden die actief bezig zijn met locatieverkenningen, zoals de gemeente Opmeer en de provincie Gelderland?

Antwoord

De resultaten van de koelwaterstudie verwacht het kabinet begin 2026 en zullen openbaar gemaakt worden op overkernenergie.nl. De inzichten zullen actief worden gedeeld met de provincies (via het bestaande kennisnetwerk). De koelwaterstudie kunnen provincies betrekken in de integrale ruimtelijke afwegingen die worden gemaakt en zal tevens in de herziening van PEH worden betrokken. De studie geeft namelijk inzicht over één van de meerdere aspecten die zullen worden meegenomen in een uiteindelijke beoordeling van inpasbaarheid.

7

De toepassing van Artificiële Intelligentie (AI) zal de energievraag in Nederland de komende vijf tot zeven jaar sterk doen toenemen, terwijl SMR’s pas later beschikbaar zullen zijn, zo stellen deze leden. Welke concrete aanpassingen aan het SMR-programma of welke versnellingsmaatregelen worden genomen om te zorgen dat SMR’s tijdig (dus binnen de kritieke vijf tot zeven jaar) een bruikbare energiebron kunnen zijn voor de snelgroeiende AI-datacenters? Welke verplichtingen kunt u opleggen aan de sector om bij te dragen aan deze, zo noodzakelijke, versnelling?

Antwoord

In de brief van 16 juni 2025 over de Voortgang van het SMR-programma11 heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd over het kabinetsbeleid ten aanzien van (AI-) datacenters en SMR’s. Hoewel SMR’s en AI-datacenters in principe een goede match lijken, loopt de tijdlijn van ontwikkeling inderdaad uiteen. Het kabinet zet in op versnelling zoals met de SMR-strategie gepubliceerd in oktober 2025.12 Het lijkt echter onhaalbaar, zoals ook toegelicht in de SMR-strategie, om SMR’s binnen de genoemde kritieke vijf tot zeven jaar in Nederland te realiseren.

Zowel voor datacenters, AI en SMR’s treden het Ministerie van Economische Zaken en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei faciliterend op. Wanneer private belangstelling ontstaat voor de ontwikkeling van datacenters in combinatie met een SMR, zullen de relevante kennis en expertise waar mogelijk worden gedeeld en zullen initiatieven waar mogelijk worden ondersteund.


X Noot
1

Samenstelling:

Van Aelst-den Uijl (SP), Aerdts (D66), Van Ballekom (VVD), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bovens (CDA), Crone (GroenLinks-PvdA), Dessing (FVD), Van Gasteren (BBB), Van der Goot (OPNL), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Holterhues (ChristenUnie), Kluit (GroenLinks-PvdA) (voorzitter), Kroon (BBB), Van Langen-Visbeek (BBB) (ondervoorzitter), Van Meenen (D66), Panman (BBB), Perin-Gopie (Volt), Petersen (VVD), Prins (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Van Strien (PVV), Thijsssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/26, 32 645, S.

X Noot
3

Kamerstukken I 2025/26, 32 645, T.

X Noot
4

Bijlage «Strategie voor kleine modulaire kernreactoren in Nederland» bij Kamerstukken I 2025/26, 32 645, T, p. 20.

X Noot
5

Bijlage «Strategie voor kleine modulaire kernreactoren in Nederland» bij Kamerstukken I 2025/26, 32 645, T, p. 5.

X Noot
6

Bijlage «Strategie voor kleine modulaire kernreactoren in Nederland» bij Kamerstukken I 2025/26, 32 645, T, p. 6–7.

X Noot
7

Kamerstukken I 2025/26, 32 645, T, p. 11–12.

X Noot
8

Bijlage «Strategie voor kleine modulaire kernreactoren in Nederland» bij Kamerstukken I 2025/26, 32 645, S, p. 5; Kamerstukken I 2025/26, 32 645, T, p. 11–12.

X Noot
9

Kamerstukken I 2024/25, 32 645, R, p. 7.

X Noot
10

Haalbaarheidsstudie SMR Opmeer, gemeente Opmeer, 9 september 2025

X Noot
11

Kamerstuk I 2024–2025, 32 645, nr. 158

X Noot
12

Bijlage bij Kamerstuk II 2025–2026, 32 645, nr. 162


X Noot
1

Samenstelling:

Van Aelst-den Uijl (SP), Aerdts (D66), Van Ballekom (VVD), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bovens (CDA), Crone (GroenLinks-PvdA), Dessing (FVD), Van Gasteren (BBB), Van der Goot (OPNL), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Holterhues (ChristenUnie), Kluit (GroenLinks-PvdA) (voorzitter), Kroon (BBB), Van Langen-Visbeek (BBB) (ondervoorzitter), Van Meenen (D66), Panman (BBB), Perin-Gopie (Volt), Petersen (VVD), Prins (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Van Strien (PVV), Thijsssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/26, 32 645, S.

X Noot
3

Kamerstukken I 2025/26, 32 645, T.

X Noot
4

Bijlage «Strategie voor kleine modulaire kernreactoren in Nederland» bij Kamerstukken I 2025/26, 32 645, T, p. 20.

X Noot
5

Bijlage «Strategie voor kleine modulaire kernreactoren in Nederland» bij Kamerstukken I 2025/26, 32 645, T, p. 5.

X Noot
6

Bijlage «Strategie voor kleine modulaire kernreactoren in Nederland» bij Kamerstukken I 2025/26, 32 645, T, p. 6–7.

X Noot
7

Kamerstukken I 2025/26, 32 645, T, p. 11–12.

X Noot
8

Bijlage «Strategie voor kleine modulaire kernreactoren in Nederland» bij Kamerstukken I 2025/26, 32 645, S, p. 5; Kamerstukken I 2025/26, 32 645, T, p. 11–12.

X Noot
9

Kamerstukken I 2024/25, 32 645, R, p. 7.

X Noot
10

Haalbaarheidsstudie SMR Opmeer, gemeente Opmeer, 9 september 2025

X Noot
11

Kamerstuk I 2024–2025, 32 645, nr. 158

X Noot
12

Bijlage bij Kamerstuk II 2025–2026, 32 645, nr. 162

Naar boven