Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 december 2025
Met deze brief reageer ik op het verzoek van de vaste commissie voor Economische Zaken
(kenmerk 2025Z20487) over het verschaffen van inzage in de brief die door de landsadvocaat namens de
Nederlandse Staat aan de Ondernemerskamer is verzonden.1
In de brieven van 14 oktober en 19 november2 heeft het Kabinet de Kamer laten weten dat de Nederlandse Staat zich gevoegd heeft
als belanghebbende bij de door de onderneming gestarte enquêteprocedure om een toelichting
te geven over het bevel en de publieke belangen die in het geding waren.
Zoals in de betreffende Kamerbrieven is aangegeven, waren de gedragingen van de CEO
voor mij aanleiding om in het belang van de Nederlandse en Europese voorzienings-
en leveringszekerheid het bevel uit te vaardigen. Het was voor de bestuurders de aanleiding
om een enquêteverzoek in te dienen, omdat deze gedragingen niet in het belang van
de onderneming zijn. De aanleiding van enerzijds het bevel en anderzijds het enquêteverzoek
is weliswaar hetzelfde (namelijk de gedragingen van de CEO en de effecten die dat
had), maar het zijn twee losstaande juridische procedures, die ieder een ander doel
dienen – enerzijds het publieke belang en anderzijds het belang van de onderneming.
Dat de Staat zich echter, overigens net als de Ondernemingsraad van Nexperia, heeft
gevoegd als belanghebbende bij de procedure bij de Ondernemingskamer is gezien de
gedragingen van de CEO die aanleiding geven tot het bevel logisch. Net als dat het
logisch was om de verzoeken van de bestuurders te ondersteunen. Niet omdat wij een
oordeel hadden over de vennootschappelijke belangen die in het geding waren, maar
omdat de publieke belangen die de Staat in deze wenst te beschermen werden bedreigd
door de gedragingen van de CEO. Als de ondernemerskamer de voorlopige maatregel zou
treffen waar de verzoekers om hadden verzocht dan zou vanzelfsprekend het risico en
de dreiging die de Staat met het bevel wilde afwenden, verder worden beperkt.
Het is echter niet gebruikelijk dat dergelijke procesbrieven betreffende lopende rechtszaken
worden gedeeld met de Kamer omdat openbaarmaking van dergelijke brieven het procesbelang
van de Staat kan schaden.
Rekening houdend met het feit dat delen van deze brief reeds zijn gelekt, zal deze
brief vertrouwelijk ter inzage worden aangeboden aan de Kamer.
De Minister van Economische Zaken,
V.P.G. Karremans