Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201632637 nr. 222

32 637 Bedrijfslevenbeleid

Nr. 222 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 januari 2016

In het Algemeen Overleg Bedrijfslevenbeleid van 11 juni jl. (Kamerstuk 32 637, nr. 148) heb ik toegezegd om uw Kamer te informeren over de eerste uitkomsten van de Monitor Vestigingsklimaat. Deze monitor is een nieuw en integraal instrument om het inzicht in de kwaliteit van het Nederlandse vestigingsklimaat voor met name buitenlandse bedrijven en investeerders te vergroten. De monitor is opgesteld door de Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA), onderdeel van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken, in samenspraak met de regionale acquisitiebureau »s, de meest betrokken departementen en koepelorganisaties zoals VNO-NCW/MKB Nederland en de American Chamber of Commerce.

Belang van een goed vestigingsklimaat

Circa één procent van de in Nederland gevestigde bedrijven zijn buitenlandse bedrijven. Deze kleine groep buitenlandse bedrijven zorgt voor vijftien procent van alle banen in Nederland. Dit staat gelijk aan bijna 1 mln arbeidsplaatsen. Daarnaast doen zij bijna een kwart van de investeringen in Nederland.

Nederland wordt echter omgeven door een aantal landen die in dezelfde vijver vissen naar buitenlandse investeringsprojecten. De (beleids-)concurrentie om op de eerste plaats van de shortlist van een investeringsproject te komen is hevig; daarbij vormt werkgelegenheid de voornaamste drijfveer. Daarbij zien we dat concurrerende landen met allerlei maatregelen – waaronder fiscale – proberen het vestigingsklimaat voor het internationale bedrijfsleven te versterken. Nederland moet dus op zijn hoede zijn dat andere landen ons hier niet voorbijstreven. Nederland heeft ook veel goede en onderscheidende vestigingsfactoren die er in positieve zin aan bijdragen dat ondernemingen graag in Nederland investeren, maar door de toenemende beleidsconcurrentie is het geen gegeven dat een goede uitgangspositie ook automatisch gehandhaafd blijft. Vandaar de noodzaak de ontwikkelingen hierin periodiek te monitoren.

Buitenlandse investeerders kiezen uiteindelijk voor die landen waar de omstandigheden voor hen het gunstigst zijn. Dit hangt af van diverse locatiefactoren waaruit het vestigingsklimaat is opgebouwd. Het belang van een locatiefactor verschilt per bedrijf. Het gaat daarbij om zaken als bereikbaarheid, (digitale) infrastructuur, gekwalificeerde arbeidsmarkt, kosten en de toegankelijkheid en omvang van de afzetmarkt. Maar ook (meer zachte) factoren zoals beschikbaarheid van internationaal onderwijs, meertaligheid, de kwaliteit van leven en gastvrijheid spelen een belangrijke rol.

Rol en beleid van de overheid

Het kabinet hecht veel waarde aan een goed vestigingsklimaat. Daarom werkt het Rijk voortdurend met verschillende instrumenten aan het verbeteren van het vestigingsklimaat. Dit doen we met een modern industriebeleid dat gericht is op goede randvoorwaarden voor alle ondernemers en bedrijven. Dit beleid bestaat o.a. uit fiscale maatregelen voor innovatie (WBSO), maatregelen voor toegankelijke financiering (o.a. BMKB en GO) en regeldrukvermindering. Het beleid van de overheid richt zich ook op het actief uitlokken van nieuwe investeringen bij reeds in Nederland gevestigde bedrijven en op het aantrekken van nieuwe buitenlandse bedrijven. Recente voorbeelden hiervan zijn de investeringen van ExxonMobil, Danone en Tesla.

Bij toenemende internationalisering en dynamiek ten gevolge van innovatie zullen overheden adaptiever moeten zijn om snel en flexibel in te spelen op veranderende marktsituaties. Het gaat hierbij onder andere om het faciliteren van bedrijven bij het invliegen van eigen personeel (bijvoorbeeld IT-specialisten) uit een ander land, studenten die in Nederland willen blijven en een bedrijf willen starten of het versneld neerzetten van infrastructurele projecten.

Om snel in te kunnen spelen op actuele ontwikkelingen is de Dutch Trade Board omgevormd tot een Dutch Trade and Investment Board (DTIB). Dit adviesorgaan richt zich niet alleen meer op handelskwesties, maar ook op zaken die het investeringsklimaat aangaan. Verder heb ik een Werkgroep Vestigingsklimaat in het leven geroepen om het vestigingsklimaat te monitoren en om specifieke knelpunten op te lossen. De DTIB en de werkgroep Vestigingsklimaat bestaan uit diverse vertegenwoordigers van de rijksoverheid, regionale overheden en Nederlandse en buitenlandse bedrijven.

Vanuit verschillende verantwoordelijkheden werken Rijk en regio intensief samen aan het versterken van het vestigingsklimaat. Het Rijk is actief betrokken bij (de ontwikkeling van) de verschillende Economie Boards, waarin regionale overheden met publieke en private partners samenwerken aan versterking van de economische structuur en innovatieve clusters. De provincies en gemeenten zijn verantwoordelijk voor regionale aspecten van het vestigingsklimaat, zoals het aanbod van vestigingslocaties aan nieuwe investeerders en grondprijzen. Gemeenten en provincies hebben via onder andere de regionale ontwikkelingsmaatschappijen verschillende mogelijkheden om bedrijvigheid te stimuleren. In de acquisitieprocessen en de totstandkoming van gerichte aanbiedingen wordt dan ook door de lokale overheden nauw samengewerkt met regionale ontwikkelingsmaatschappijen en de NFIA.

Monitor vestigingsklimaat

Het beeld van het Nederlandse vestigingsklimaat wordt voornamelijk ingekleurd door diverse internationale «rankings». Jaarlijks publiceren internationale organisaties, zoals de WEF, de IMF, de OECD, de EC en de Worldbank, ranglijsten op specifieke onderdelen van het vestigingsklimaat. Deze rankings geven vaak een betrouwbare vergelijking op onderdelen van het vestigingsklimaat. Wat nog ontbreekt is echter een integraal overzicht van het vestigingsklimaat. De NFIA heeft daarom een monitor ontwikkeld die, op basis van objectieve internationale bronnen, laat zien hoe het Nederlandse investeringsklimaat ervoor staat in vergelijking met onze belangrijkste concurrenten. Het gaat om zeven landen, die vaak ook op de shortlist staan van projecten die in Nederland terechtkomen of hadden moeten komen: België, Duitsland, Frankrijk, Ierland, Luxemburg, Verenigd Koninkrijk en Zwitserland.

De monitor zal tweemaal per jaar worden geactualiseerd. De monitor is bedoeld voor beleidsmakers en uitvoeringsorganisaties binnen het Rijk, provincies en gemeenten die invloed hebben op de diverse locatiefactoren. De monitor bevat geen aanbevelingen, maar geeft wel aan welke locatiefactoren (dringend) aandacht nodig hebben en welke landen het op onderdelen beter doen.

Resultaten 2015

Bijgaand treft u de eerste Monitor Vestigingsklimaat (editie najaar 2015) aan1. In het algemeen geldt dat het vestigingsklimaat in Nederland goed is en concurrerend en onderscheidend ten opzichte van de ons omringende landen. Nederland scoort vooral gemiddeld sterk; alleen op infrastructuur staan we op nummer één. Bij andere factoren moeten we één tot vier landen boven ons dulden. Naast onze uitstekende fysieke en digitale infrastructuur presteren wij goed op factoren als innovatie en betrouwbaarheid van de overheid (governance).

Juist op factoren waar bedrijven zwaar aan tillen (zoals arbeid, fiscaliteit) doen meerdere landen het beter dan Nederland. Voorbeelden hiervan zijn: de beschikbaarheid van onderzoekers en talent, sociale premiedruk, investerings-bescherming, ontslagbescherming en regeldruk bij de bouw van onroerende zaken zoals fabrieken.

Thema: Internationaal onderwijs

Als bijlage bij de monitor zal telkens een specifiek thema op het gebied van het vestigingsklimaat worden geanalyseerd. Deze keer is, mede op verzoek van het DTIB, extra aandacht gegeven aan de positie van internationaal onderwijs, in relatie tot de situatie in omliggende landen2. Uit de analyse blijkt dat er sprake is van een toename van wachtlijsten. Bij de keuze van een bedrijf voor een vestigingslocatie blijkt de beschikbaarheid van internationaal onderwijs een aspect dat zwaar meeweegt. Werknemers van buitenlandse bedrijven en kenniswerkers die overwegen naar Nederland te komen, willen weten of hun kinderen hier naar school kunnen en een opleiding kunnen volgen die een goede basis biedt voor hun eigen toekomst, vaak buiten Nederland.

Op basis van de conclusies van de monitor op dit punt zijn in de werkgroep vestigingsklimaat in het bijzonder de volgende acties afgesproken:

  • 1. Verkennen van een actuele monitor voor groeicijfers en wachtlijsten op scholen.

  • 2. Onderzoek doen naar de beschikbaarheid, de kosten en de kwaliteit van internationaal onderwijs in Nederland, in vergelijking met concurrerende landen.

  • 3. Vergemakkelijken van het aantrekken van native speaking leerkrachten uit derde landen.

Vervolg

Voor de volgende editie van de monitor is voor het thema onroerende goederen gekozen. Hierbij zal een analyse gemaakt worden van de knelpunten bij het neerzetten of uitbreiden van fysieke investeringen zoals fabrieken of R&D-labs (onroerende goederen). Ik zal uw Kamer, voor de zomer 2016, ook over deze editie informeren.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl