Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201632637 nr. 208

32 637 Bedrijfslevenbeleid

Nr. 208 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 27 oktober 2015

Hierbij sturen wij het briefadvies «Blijf scherp op continue ontwikkeling topsectorenaanpak» van de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWTI)1. Hierin staat een aantal observaties over de topsectorenaanpak geformuleerd, vooruitlopend op de evaluatie van de topsectorenaanpak «Balans van de topsectoren» die de AWTI in 2016 zal opleveren.

In zijn brief benadrukt de AWTI het belang van continuïteit van de topsectorenaanpak, maar geeft ook aan dat er aan een aantal verbeterpunten moet worden gewerkt. De AWTI deelt in grote lijnen de topsectorenaanpak en ziet dat er vooruitgang en resultaten worden geboekt. De raad is positief over de vergrote betrokkenheid van de regio’s en hogescholen bij de topsectorenaanpak. Zo is de samenwerking tussen Rijk en regio op de MIT-regeling uitgebreid waardoor in 2015 ruim € 50 miljoen beschikbaar voor de MIT is gekomen. Ook zijn regio’s via de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen meer betrokken bij de Vroege Fase Financiering en Investor Relations. Ook benoemt de AWTI de stijging van het aantal betrokken mkb-ondernemingen bij de aanpak. Van de circa 5.000 deelnemende bedrijven aan Topconsortia voor Kennis en Innovatie is circa 90% afkomstig uit het mkb. Bijna 23.000 bedrijven, waarvan 97% mkb, maken gebruik van fiscale regelingen voor innovatie (WBSO). Ook is de AWTI te spreken over de toenemende aandacht van de topsectoren aan het oplossen van maatschappelijke uitdagingen.

Wij zien de brief van de AWTI als aanmoediging om de topsectorenaanpak voort te zetten en het beleid verder te ontwikkelen. Wij zijn voornemens op de positieve ontwikkelingen verder te bouwen, zoals de stijging van het aantal deelnemende mkb-ondernemingen. Komend jaar wordt ingezet op een verdere groei van de betrokkenheid van het mkb door het verbinden van de mkb-ondernemingen die aan de MIT deelnemen en het vergroten van de synergie met de regionale initiatieven. Hierbij neem ik de aanbevelingen van de AWTI mee. Hieronder volgt een reactie op de verbeterpunten die de AWTI benoemt.

1. Prikkels voor financiering van cross-sectorale thema’s ontbreken

De raad geeft aan dat in de afzonderlijke topsectoren volop aandacht is voor maatschappelijke uitdagingen. Ook ziet de raad toenemende aandacht voor cross-sectorale thema’s, maar adviseert meer gerichte (financiële) prikkels om de topsectoren te stimuleren meer gezamenlijk te investeren in cross-sectorale thema’s.

Het EZ-instrumentarium is in algemene zin niet sectoraal opgezet en is ondersteunend voor cross-sectorale samenwerking. Naast de generiek werkende WBSO en RDA (per 2016 samengevoegd tot één geïntegreerde regeling), bedienen de TKI-toeslag en de MIT weliswaar de topsectoren, maar veroorzaken geen sectorale beperking. Een hoofdbestanddeel van het instrumentarium is de inzet via de kennisinstellingen. Uit de actualisatie van het de Kennis- en Innovatieagenda’s 2016–2019 blijkt dat zowel de topsectoren zich meer cross-sectoraal oriënteren als dat de kennisinstellingen meer interdisciplinair en cross-sectoraal werken. Zo werken de topsectoren Life Sciences en Health (LSH) en de Creatieve Industrie samen op het gebied van E-health bij dementie, Chemie en Energie aan de conversie en opslag van CO2en LSH en High Tech Systemen en Materialen in de medische technologie. Andere voorbeelden zijn de gezamenlijke inzet van Agri&Food, Energie en Tuinbouw & Uitgangsmaterialen aan de vermindering van grondstoffengebruik en de inzet van Agri&Food en Logistiek met de instituten voor toegepast onderzoek (TO2) voor verbetering van de agrologistiek en vermindering van voedselverliezen. De biobased economy is ook expliciet als een crossectoraal thema benoemd en kent een eigen topconsortium voor kennis en innovatie.

Op 5 oktober jl. is met de ondertekening van het Kennis- en Innovatiecontract 2016–2017 de financiële inzet van bedrijven, kennisinstellingen en de overheid aangegeven. Op initiatief van het Team ICT zijn ook afspraken op het terrein van ICT gemaakt. De focus is daarbij gericht op het benutten van ICT-innovatiekansen met een cross-sectoraal belang. Bijvoorbeeld op het gebied van big data innovatie wordt gewerkt aan een programma en publiek private consortia met meerwaarde voor uitdagingen op het gebied van energie, Smart Industry, zorg en veiligheid. Daarvoor komt de komende twee jaar bijna € 40 miljoen beschikbaar van EZ, TNO en NWO.

Binnenkort komt de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) uit. De NWA zal waar mogelijk voortbouwen op bestaande agenda’s, ook die van de topsectoren. Hierdoor ontstaan nieuwe verbindingen die de maatschappelijke en economische impact van onderzoek en innovatie op de lange termijn versterken. NWO heeft aangegeven in het kader van de innovatiecontracten van de topsectoren in 2016 en 2017 te investeren in een aantal doorsnijdende en verbindende thema’s (zoals circulaire economie, big data en materials for sustainability). Ook de Kennisinstituten (TO2) hebben vanuit de lange termijn kennisbasis maatschappelijke thema’s geformuleerd waar door de topsectoren de komende jaren gezamenlijk aan kan worden gewerkt.

De op 5 oktober jl. verschenen Monitor Bedrijvenbeleid 2015 (Kamerstuk 32 637, nr. 201) laat zien dat de topsectoren elk een unieke en gespecialiseerde kennisbasis hebben, die vaak over de grenzen van de eigen topsector worden ingezet en daar wordt gecombineerd met de kennisspecialisaties van andere sectoren. Uit de analyse van de onderzoeksprogramma’s van de TKI’s blijkt dat een groot deel van het TKI-onderzoek zich richt op het verbinden en combineren van de complementaire kennisspecialisaties van de verschillende (top)sectoren.

2. TKI-toeslag regeling te weinig aantrekkelijk en het budget te versnipperd

De AWTI vindt de TKI-toeslag te versnipperd en wil dat de TKI-toeslag aantrekkelijker gemaakt wordt. Bijvoorbeeld door een verdere vereenvoudiging van de TKI-toeslag of een substantiële verhoging van het toeslagpercentage van 25%.

De publiek private samenwerkingen die de afgelopen jaren mede met behulp van de TKI-toeslag zijn ontstaan, zijn niet eerder in Nederland vertoond. Een voorbeeld is de kwantumcomputer QuTech, waarin samengewerkt wordt met investeringen van TU Delft, TNO, NWO maar ook door grote (buitenlandse) bedrijven als Microsoft en Intel. Een ander voorbeeld is het Centrum voor Nanolithografie in Amsterdam (ARC NL), met investeringen van ASML, UVA, VU en NWO/FOM. In 2014 is de totale omvang van publiek private samenwerking uitgekomen op € 814 miljoen, waarvan € 359 bijgedragen door private partijen. Ook het aantal mkb-ers dat participeert in publiek private samenwerking is gestegen. Ongeveer 70% van de projecten waarop TKI-toeslag is ingezet, kent deelname van tenminste één mkb-bedrijf. In 2015 is een groot beroep gedaan op de TKI-toeslag regeling en het beschikbare budget zal naar verwachting volledig worden uitgeput.

De TKI-toeslagregeling is het afgelopen jaar vereenvoudigd zodat kennisinstellingen en het bedrijfsleven sneller duidelijkheid hebben over de financiering van hun publiek-private samenwerking. Ook is het aantal TKI’s verminderd, juist om verkokering tegen te gaan. Het kabinet heeft dit jaar ook de mogelijkheden verruimd voor maatschappelijke goede doelen, stichtingen en fondsen (de zogenaamde algemeen nut beogende instellingen (ANBI's)) om via het TKI-instrument te investeren in publiek-privaat gefinancierd onderzoek. Zo zijn er plannen bij de Topsector LSH om samen met gezondheidsfondsen onderzoek te doen naar gezond langer leven. Om het succes van het TKI-instrument te vergroten kijkt het kabinet hoe de regeling verder kan worden vereenvoudigd en de uitvoering kan worden verbeterd. Hierbij wordt ook het belang van continuïteit bij de gebruikers meegewogen.

Een afschrift van deze brief wordt ook aan de Eerste Kamer gezonden.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.