32 637 Bedrijfslevenbeleid

Nr. 13 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 27 mei 2011

Tijdens het Algemeen Overleg op 31 maart 2011 (kamerstuk 32 637, nr. 2) over de Bedrijfslevenbrief van 4 februari 2011 (kamerstuk 32 637, nr. 1) heb ik u toegezegd dat ik de Vaste Commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie nader zou informeren over de vraag van dhr. Verhoeven over «gedwongen winkelnering» bij TNO en op welke wijze vrijere concurrentie tussen kennispartijen wordt bevorderd.

1. De rol van TNO in het kennisonderzoek: gedwongen winkelnering?

TNO is een bij wet ingestelde organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek voor beleid en maatschappij, waaronder het bedrijfsleven. De missie van TNO luidt: «TNO verbindt mensen en kennis om innovaties te creëren die de concurrentiekracht van bedrijven en het welzijn van de samenleving duurzaam versterken.» Die missie maakt TNO al vele decennia waar via de ontwikkeling, verspreiding en valorisatie van publieke kennis in ons land. Met dit onderzoek wordt beoogd toegepast onderzoek op doelmatige wijze dienstbaar te maken aan het algemeen belang en daarbinnen aan deelbelangen. Het gaat dus om publiek waardevol geachte kennis die wordt gegenereerd door een niet-winstgedreven organisatie.

TNO draagt derhalve bij aan het innovatief vermogen van het bedrijfsleven en vervult in het kader van de vraagsturing TNO/GTI’s/DLO een belangrijke rol bij het genereren van kennis voor het oplossen van maatschappelijke vraagstukken en nieuwe economische activiteit in Nederland. TNO heeft een totale omzet van bijna € 600 mln. waarvan een deel bestaat uit de subsidie vanuit de Nederlandse overheid voor kennisontwikkeling, Van die subsidie aan TNO (voor 2011 ca. € 187,5 mln.) wordt het grootste deel besteed aan langere termijn onderzoek voor het versterken van de kennisbasis van Nederland en voor het overheidsbeleid, waaronder € 42,3 mln. voor Defensieonderzoek.

TNO verleent geen subsidie aan bedrijven, noch ontvangen bedrijven subsidie als zij participeren in onderzoek uitgevoerd door TNO. In die zin is er geen sprake van gedwongen winkelnering. Bedrijven die meedoen aan cofinancieringsprojecten dragen op vrijwillige basis bij aan deze projecten. Ongeveer 40% van de omzet van TNO komt uit directe opdrachten van bedrijven. TNO verwerft haar bedrijfsopdrachten in concurrentie met anderen op basis van integrale kostprijs en zonder kruissubsidie. Ik vind het ook van groot belang, en dat is hoe TNO werkt, dat bij de verspreiding van deze kennis eerlijke concurrentie en staatssteunregels in acht worden genomen.

2. Vraagsturing, samenwerking en concurrentie publiek-privaat

Ik deel de wens van dhr. Verhoeven om te komen tot meer vraagsturing en kansen voor private partijen om te participeren in onderzoek van TNO. Dit kan de waarde van TNO voor het bedrijfsleven nog verder versterken. Naar aanleiding van het rapport Wijffels over de brugfunctie TNO/GTI’s is vanaf 2005 het systeem van de vraagsturing ingericht om kennisvragers, met name overheid, bedrijven en maatschappelijke organisaties, zoveel mogelijk te betrekken bij de programmering van het onderzoek van TNO.

De inzet van de publieke middelen van TNO en de GTI’s loopt voor het grootste deel via het proces van vraagsturing. Van de vraagsturingssubsidie aan TNO wordt op dit moment al een deel (in 2011 ca. € 24 mln. van de € 187,5 mln.) ingezet in onderzoeksprojecten in cofinanciering met het bedrijfsleven. In deze projecten dragen de bedrijven gemiddeld ca. 40% bij. Deze bedrijven, die met inhoudelijk en financieel commitment meedoen aan de cofinancieringsprojecten van TNO, zijn in het algemeen heel tevreden over die projecten. Dit blijkt uit een jaarlijkse meting inzake deze projecten door een onafhankelijk onderzoeksbureau Hussaarts/de Vos. De betrokkenheid van het bedrijfsleven bij onderzoeksprojecten van TNO komt niet alleen tot uiting in de cofinanciering, maar ook via hun deelname aan het vraagsturingsproces als zodanig.

In de Bedrijfslevenbrief heb ik aangegeven dat deze vraagsturing wordt vernieuwd, mede op basis van de resultaten van de eindevaluatie vraagsturing TNO en GTI’s. Goede aansluiting op de kennis- en innovatieagenda’s van de topsectoren is hierbij van belang. Door de versterkte vraagsturing uit de topsectoren zullen bedrijven meer dan tot nu toe invloed uitoefenen op de onderzoeksallocatie en de onderzoeksprogrammering. Ik ben van plan om daarbij privaat-publieke samenwerking (PPS) nog sterker in te voeren ten behoeve van een integraal onderzoek- en innovatiebeleid. Voor PPS bij onderzoek en innovatie is essentieel dat onderzoeksagenda’s in samenspraak tussen publieke kennisinstellingen en bedrijven worden opgesteld. De integrale onderzoeksagenda’s omvatten het gehele scala van funderend tot toegepast onderzoek, waarbij TNO zijn zwaartepunt in het toegepaste onderzoek heeft.

Momenteel ben ik in overleg met VNO-NCW, OCW en de kennisinstellingen om de modaliteiten voor PPS in topsectoren te ontwikkelen. Voorts wil ik daarbij meer gebruik maken van het instrument cofinanciering. Met TNO vindt hierover reeds overleg plaats. Door deze maatregelen zullen het vereiste commitment en naar mijn verwachting ook de intensiteit van de samenwerking tussen TNO en het bedrijfsleven toenemen.

In de Bedrijfslevenbrief is vermeld dat voor toegepast onderzoek in 2015 (derhalve nadat een groot deel van de bezuinigingen uit het regeerakkoord is doorgevoerd), in totaal € 250 mln. beschikbaar is voor topsectoren. TNO en de GTI’s zullen hun onderzoek, via de versterking van de vraagprogrammering, meer richten op de topsectoren.

Er zijn bedrijven, zoals NIZO, die wijzen op het risico van oneerlijke concurrentie tussen publiek en privaat gefinancierde onderzoeksorganisaties. Ik vind dit een serieus signaal en besteed daar ook aandacht aan om dit te beperken. Zo wil ik via de versterkte vraagsturing TNO/GTI’s/DLO bevorderen dat er meer afstemming komt tussen de publiek gefinancierde onderzoeksprogramma’s en privaat onderzoek, door deze bedrijven nauwer te betrekken bij de vraagsturing vanuit het bedrijfsleven. Op deze wijze zal ik selectiever omgaan met de verminderde middelen voor TNO, teneinde synergie te bevorderen en overlap zoveel mogelijk te voorkomen.

Op deze wijze wil ik borgen dat het onderzoek van TNO steeds beter aansluit op de wensen van het bedrijfsleven (en in het bijzonder de topsectoren) en dat er sprake is van eerlijke concurrentie tussen TNO en private kennispartijen.

De minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M. J. M. Verhagen

Naar boven