Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 5 maart 2013
Graag bied ik u hierbij, mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken, de reactie
aan op het verzoek van de vaste commissie voor Buitenlandse Zakenvan 19 februari 2013
inzake het rapport door EP-fractiemedewerker Debeuf over Syrië en de brief van het
Nederlandse Rode Kruis d.d. 7 februari 2013, kenmerk DIRUIT/559/4.
Het rapport van de heer Debeuf over zijn bezoek aan de Aleppo regio en het Azaz ontheemdenkamp
in Syrië is gebaseerd op zijn persoonlijke waarnemingen en op informatie van zijn
gesprekspartners van de Free Syrian Army. De heer Debeuf geeft in het rapport een
stem aan de bij de Free Syrian Army heersende frustratie en teleurstelling omdat vermeende
door het Westen gedane beloftes inzake leveranties van wapens en humanitaire hulp
niet zouden zijn ingelost.
Ik deel de bezorgdheid van de heer Debeuf en het Nederlandse Rode Kruis over de humanitaire
situatie in (Noord-)Syrië. In overleg met diverse actoren, zoals recent met Mw Valerie
Amos, VN Onder SG voor Humanitaire Aangelegenheden, maar ook in EU-verband, wordt
de situatie nauwlettend gevolgd en zullen, indien nodig, aanvullende stappen worden
gezet. De in januari jl. aan UNHCR beschikbaar gestelde extra bijdrage van 5 miljoen
euro voor vluchtelingen in de omringende landen kan ook aangewend worden voor ontheemden
binnen Syrië. Daarnaast is in 2012 1 miljoen euro beschikbaar gesteld aan Stichting
Vluchteling voor cross-border medische hulp. Tevens wordt gekeken naar additionele mogelijkheden om hulp aan de
behoeftigen in Noord-Syrië te geven.
Opgemerkt kan worden dat, in tegenstelling tot wat in het rapport wordt gesteld, de
VN de in het Humanitarian Assistance Response Plan for Syria voorziene USD 519 miljoen niet via de regering Assad, maar via verschillende ngo’s
kanaliseert. De belangrijkste uitvoerder is de Syrische Rode Halve Maan, die hulp
verleent in het gehele land, inclusief de door de oppositie beheerste gebieden. Rode
Kruis organisaties zijn wereldwijd gebonden aan de humanitaire principes van onafhankelijkheid,
onpartijdigheid en neutraliteit; dit geldt ook voor de Syrische Rode Halve Maan. Uit
de bijlage bij bovengenoemd schrijven van het Nederlandse Rode Kruis blijkt de omvang
van deze hulp, die onder zeer moeilijke omstandigheden wordt verleend. Het openlijk
in twijfel trekken van de onafhankelijkheid en neutraliteit van humanitaire hulp(organisaties)
kan de toegang tot hulpbehoevenden belemmeren en de veiligheid van individuele hulpverleners
in gevaar brengen. Ik onderschrijf daarom het pleidooi van het Nederlandse Rode Kruis
voor terughoudendheid op dat gebied.
Sinds het verschijnen van het rapport op 28 januari, is UNHCR erin geslaagd om tweemaal
een konvooi met ingevlogen hulpgoederen cross-line (over de diverse frontlijnen heen) vanuit de steden Lattakia en Damascus naar Noord-Syrië
te brengen. Hierbij werden 15 000 dekens en 2 000 tenten afgeleverd in het door de
heer Debeuf bezochte Azaz ontheemdenkamp, naast 15 000 dekens en 1 000 tenten in Bab
al Hawa. Tevens heeft enkele dagen geleden een VN Inter-Agency konvooi hulp gebracht
naar Atmeh. Deze konvooien konden enkel doorgaan dankzij de toestemming van de Syrische
overheid en de inspanningen van de Syrische Rode Halve Maan en de Assistance Coordination
Unit van de Syrische Oppositie Coalitie.
De suggestie van de heer Debeuf aan de Free Syrian Army om buiten de Assistance Coordination
Unit om een aparte civiele entiteit belast met hulpverlening aan te stellen, ondersteun
ik niet. De Assistance Coordination Unit werd enkele maanden geleden juist opgericht
om hulp aan de door de oppositie gecontroleerde gebieden te faciliteren, te coördineren
(samen met de VN) en informatie te verschaffen over de humanitaire noden. De Assistance
Coordination Unit beschikt vooralsnog over een beperkte capaciteit, maar coördineert
wel degelijk met netwerken op de grond, zoals bovengenoemde leveringen van cross-line humanitaire hulp aantoont. De veelheid aan gewapende groeperingen op de grond blijft
voor alle organisaties echter een belangrijk obstakel bij het transport van hulp.
Betreffende de oproep in het rapport om luchtdoelraketten aan de Free Syrian Army
te leveren, kan enkel het standpunt van het kabinet herhaald worden dat wapenleveringen
aan de Syrische oppositie niet aan de orde zijn.
Naar aanleiding van uw verzoek om informatie over het op 28 februari aangekondigde
Amerikaanse steunpakket van 60 miljoen USD ten behoeve van de Oppositiecoalitie, vervat
in uw brief van 28 februari, kan ik u berichten dat dit steunpakket komende tijd uitgewerkt
zal worden. De VS maakten echter al wel bekend dat het gaat om non lethal steun, gericht op het versterken van de organisatorische capaciteit van de Coalitie
en op het ondersteunen van de Coalitie bij dienstverlening aan de bevolking in gebieden
die niet meer onder controle van het regime staan.
De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
E.M.J. Ploumen