Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 maart 2015
Per brief van 10 juni 2014 (Kamerstuk 32 620, nr. 122) heb ik u geïnformeerd over de verdere vormgeving en ontwikkeling van het instrument
Voorwaardelijke Toelating (VT) en over een aantal veelbelovende interventies die ik
als «potentiële kandidaat» voor VT voor ogen had. Eén van die interventies was het
preventief inzetten van een bepaalde vorm van chemotherapie (HIPEC) bij patiënten
met dikkedarmkanker, die een hoog risico hebben op uitzaaiingen in de buik. Deze nieuwe
toepassing van HIPEC is nog niet bewezen effectief en zit dan ook nog niet in het
basispakket. De behandeling is echter wel veelbelovend. De verwachting is dat door
deze behandeling:
Op basis van het convenant tussen de betrokken partijen en het vervolgadvies van het
Zorginstituut heb ik besloten om de onderhavige behandeling met ingang van 1 april
2015 voorwaardelijk toe te laten tot het basispakket van de Zorgverzekeringswet, onder
voorwaarde dat de behandeling plaatsvindt overeenkomstig het onderzoeksvoorstel. Hieronder
licht ik mijn besluit toe.
In de Kamerbrief van 10 juni 2014 heb ik striktere voorwaarden genoemd waaraan interventies
moeten voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor VT. De betrokken partijen moeten
onder meer het onderzoeksvoorstel verder uitwerken en bepaalde afspraken met elkaar
maken; het kader voor deze afspraken heb ik op 19 september 2014 naar uw Kamer gestuurd
(Kamerstuk 32 620, nr. 134). Hiermee wil ik met name het risico dat een negatieve pakketbeslissing na een voorwaardelijk
toelatingstraject niet op voldoende draagvlak kan rekenen, minimaliseren. De titel
«potentiële kandidaat» voor VT heeft betrekking op het feit dat ik pas definitief
besluit tot het al dan niet voorwaardelijk toelaten van een interventie tot het basispakket
na de verdere uitwerking van het onderzoek en de ontvangst van het «convenant» met
de afspraken die de betrokken partijen hebben gemaakt. Ik beslis pas tot het daadwerkelijk
voorwaardelijk toelaten van een interventie indien de onderzoeksopzet goed wordt bevonden
voor het beantwoorden van de vragen omtrent de (kosten)effectiviteit, alle relevante
partijen achter de afspraken staan, en ik de afspraken voldoende solide vind.
Per brief van 4 februari jl. heb ik het convenant en bijbehorende documenten (waaronder
de goedkeuring van de centrale Medisch-Ethische Toetsingscommissie) ontvangen. Dit
convenant is ondertekend door de bij de genoemde HIPEC-behandeling betrokken partijen,
te weten: het AMC, de Dutch Colorectal Cancer Group, de Nederlandse Vereniging voor
Chirurgische Oncologie, de Nederlandse Vereniging voor Medische Oncologie, de Stichting
voor patiënten met kanker aan het spijsverteringskanaal en de Federatie Levenmetkanker.
Ook heb ik het vervolgadvies van het Zorginstituut over de voorwaardelijke toelating
van deze behandeling ontvangen. Het Zorginstituut schat in dat de in het convenant
gemaakte afspraken afdoende zijn en voldoende garanties bieden om een voorwaardelijk
toelatingstraject zorgvuldig en succesvol te laten verlopen. Het Zorginstituut verwacht
dat het met de voorwaardelijke toelating van de onderhavige behandeling mogelijk wordt
om vlot duidelijke conclusies over de effectiviteit van de interventie te kunnen trekken
en dat patiënten tijdig en op verantwoorde wijze toegang zullen hebben tot deze veelbelovende
zorg. Het Zorginstituut adviseert dan ook om de interventie, voor de duur van 4,5
jaar, voorwaardelijk toe te laten tot het basispakket.
De periode van 4,5 jaar is nodig om het onderzoek uit te voeren en advies van het
Zorginstituut te krijgen over de effectiviteit en kosteneffectiviteit van de onderhavige
zorg. In de eerste twee jaar van het onderzoek worden patiënten geïncludeerd. In deze
twee jaar zullen 176 patiënten aan het onderzoek deelnemen, waarvan er 88 zullen worden
behandeld met HIPEC en 88 de standaardbehandeling zullen krijgen. Deze patiënten worden
vervolgens nog 18 maanden gevolgd.
Op grond van de voorwaardelijke toelating van HIPEC krijgen de 88 patiënten die in
de eerste twee jaar aan het onderzoek deelnemen en worden behandeld met HIPEC, deze
zorg vergoed uit het basispakket. Omdat het een potentieel toxische behandeling is
waarvan het nut nog niet is bewezen, zal deze behandeling met HIPEC niet op grotere
schaal plaatsvinden. Er zal dan ook geen aanvullend onderzoek worden verricht als
bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel b, van de Regeling zorgverzekering.
Indien na afloop van de periode van voorwaardelijke toelating blijkt dat de interventie
bewezen effectief is kan deze behandeling naar verwachting worden toegepast bij 750
patiënten per jaar.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E.I. Schippers