Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2010-2011 | 32618 nr. C |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2010-2011 | 32618 nr. C |
Vastgesteld 31 mei 2011
Het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben met grote belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel. Zij realiseren zich dat de voornemens van de regering de afgelopen maanden ingrijpend zijn bijgesteld. Een aantal forse bezwaren dat tegen de oorspronkelijke plannen kon worden gemaakt, is daarmee ondervangen. Het uitgangspunt van de regering dat studenten moeten worden gestimuleerd om hun studie in een redelijke termijn af te ronden, wordt door deze leden ook onderschreven. Hoewel veel studenten naast hun studie buitengewoon zinvolle activiteiten ontplooien, die onmiskenbaar hun persoonlijke ontwikkeling en hun arbeidsmarktperspectieven ten goede komen, is het naar het oordeel van deze leden vandaag de dag maatschappelijk gezien niet langer te verdedigen dat dit tot disproportionele studievertraging leidt. Aldus wordt het uitgangspunt van deze wet door deze leden onderschreven. Er resteert nog wel een aantal vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van dit wetsvoorstel. Zij kunnen zich veel voorstellen bij het invoeren van de maatregel om van langstudeerders een hoger collegegeld te vragen. Met het vragen van een hogere eigen bijdrage aan «langstudeerders» creëert de regering financiële ruimte om te investeren in de kwaliteit van het onderwijs. Deze leden hebben nog een aantal vragen.
De leden van de PvdA-fractie hebben kennis genomen van dit wetsvoorstel. Zij hebben daarover nog enkele vragen.
De leden van de SP-fractie hebben met zorg kennisgenomen van het wetsvoorstel. Met name vanwege de vrees dat doel, middel en effect zich slecht tot elkaar verhouden. Zij willen onder meer daarover nog vragen stellen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben, mede namens de SGP-fractie, met belangstelling kennis genomen van dit wetsvoorstel. Hoewel de maatregel zelf op begrip kan rekenen hebben deze leden nog een aantal vragen, waaronder vragen van principiële aard.
De leden van de D66-fractie hebben met grote bezorgdheid kennis genomen van de Wet verhoging collegegeld langstudeerders. Het voorliggende wetsvoorstel bevat ingrijpende maatregelen voor zowel huidige als toekomstige generaties studenten. Deze leden hebben kennis genomen van de voorstellen die de regering doet ter dekking van de financiële taakstelling en de verhoging van het studierendement in het hoger onderwijs. Deze leden staan afwijzend tegenover het instellen van een boete voor studenten die langer studeren dan de studieduur plus een jaar. Het instellen van deze boete draagt volgens deze leden niet bij aan de bevordering van kennisverbreding onder studenten, aangezien in het wetsvoorstel geen adequate voorzieningen zijn opgenomen voor bijzondere gevallen. Met betrekking tot deze en andere punten leven bij deze leden de nodige vragen over het wetsvoorstel.
Gegeven de doelstelling van de regering om excessieve overschrijding van de nominale studieduur terug te dringen, rijst bij de leden van de CDA-fractie de vraag of er naast het verhoogd collegegeld extra maatregelen of bevoegdheden wenselijk zijn. Te denken valt aan de bevoegdheid van instellingen om studenten die onvoldoende voortgang boeken ook na het eerste jaar een zogenaamd bindend studieadvies te geven, of de beperking van het recht op inschrijving van dergelijke studenten in andere opleidingen al dan niet aan een andere instelling voor hoger onderwijs. Hoe beoordeelt de regering deze suggesties?
De leden van de VVD-fractie vragen hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot de aangekondigde Strategische Agenda Hoger Onderwijs en tot de uitwerking van het plan Veerman voor het hoger onderwijs. Kan de regering ook uiteenzetten hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot de plannen die zij heeft aangekondigd om het toezicht op het hoger onderwijs te versterken?
Verder lezen deze leden in het advies van de Raad van State dat uit onderzoek blijkt dat instellingen te kort schieten in hun voorlichtende en verwijzende taak, waardoor studenten studievertraging oplopen. Door intensiever onderwijs, waarbij zowel studenten als instellingen op hun verantwoordelijkheid worden aangesproken, zou het studierendement over de gehele linie drastisch kunnen worden verbeterd. Deze leden vragen hoe de regering instellingen gaat stimuleren om hun voorlichtende taak beter op te pakken? Is de regering het overigens eens met de stelling van de Raad van State dat het onderwijs geïntensiveerd zou moeten worden? Zo ja, hoe gaat de regering dit oppakken en gaat de regering instellingen hier op aanspreken?
Volgens de regering heeft het wetsvoorstel een tweeledig doel, namelijk het behalen van de financiële taakstelling die het kabinet zich heeft gesteld en het verhogen van het studierendement. Uit de toelichting wordt het de leden van de PvdA-fractie niet duidelijk op welke gronden is gekozen voor een systeem van beboeting van langstudeerders als middel voor het verhogen van het studierendement. Kan de regering uiteenzetten welke inhoudelijke overwegingen daarbij een rol hebben gespeeld? Is er onderzoek gedaan naar de effecten van een dergelijk boetesysteem? Is dit systeem in andere landen in gebruik en zo ja, wat zijn daar de ervaringen? Is overwogen om eerst met een experiment te beginnen om te bezien of deze maatregel al dan niet het gewenste effect heeft? Waarom is gekozen voor deze generieke maatregel waarvan totaal niet bekend is wat het effect zal zijn en of de maatregel invloed zal hebben op het gedrag van de studenten?
Verder lezen de leden van de PvdA-fractie dat de regering een serie maatregelen in het vooruitzicht stelt gericht op verbetering en kwaliteit van het studierendement, mede op basis van de binnenkort te verschijnen rapportages van de Onderwijsinspectie. Wat zijn de overwegingen geweest om deze maatregel voor langstudeerders los te koppelen van andere voornemens op het gebied van kwaliteitsverbetering? Deze leden hadden graag een integraal voorstel gezien gericht op kwaliteitsverbetering van het hoger onderwijs, waar maatregelen ter bestrijding van het onnodig lang studeren een onderdeel van zouden zijn. Zij maken zich grote zorgen over de effecten van deze maatregel en de afwenteling van de kosten op de student, terwijl de redenen voor lang studeren ook gelegen (kunnen) zijn in de kwaliteit van het geboden onderwijs. Waarom heeft de regering niet gekozen voor deze integrale benadering mede gelet op het feit dat zij het hoger onderwijs en het investeren in de kenniseconomie hoog op de agenda heeft staan?
De Raad van State wijst nadrukkelijk op de relatie tussen de geringe aan studie bestede tijd en het gebrek aan contacturen. Ook wijst de Raad van State op alle wetgeving en andere pogingen die ondernomen zijn om het studierendement te verhogen en hoe relatief vruchteloos die pogingen waren. In de ogen van de leden van de SP-fractie lost de voorgenomen bezuiniging dus het geconstateerde probleem niet op. Zij vragen waarom de regering denkt dat dit wel zo is. Verder stellen zij dat de regering enthousiast is over het rapport van de commissie Veerman. In dit rapport wordt echter wel gemeld dat er 2,5 miljard bij moet in de komende jaren. De regering wil ook dat Nederland bij de top 5 gaat horen voor wat betreft de kwaliteit van het onderwijs. Dit vergt investeringen en niet bezuinigen. Deze leden vragen hoe dit met elkaar te rijmen te valt.
Verder vragen deze leden of de regering nota heeft genomen van het op 19 mei 2011 door de VSNU verstuurde kamerbericht2 «Verhoging Collegegeld Langstudeerders inconsequent en contraproductief»? Zij ontvangen graag een reactie op dit bericht, met name op het punt hoe deze wetswijziging tot hoger studiesucces en studiekwaliteit leidt, op de punten van de deeltijdstudenten en de suggestie dat maatwerk nodig is. Hoe hoog schat de regering de extra administratieve lasten van deze wetswijziging?
Graag ontvangen de leden van de SP-fractie ook een overzicht van de studieduur van alle huidige ministers en staatssecretarissen, inclusief de oorzaken waarom deze kort of lang was. Ook ontvangen zij graag een eerlijk antwoord van de «langstudeerders» in de regering op hoe zij zouden zijn omgegaan met de in het vooruitzicht gestelde boete.
Tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer kwam naar boven dat deze wet ongeveer 60 000 studenten treft. Kan de regering dit bevestigen aan deze leden? Kan de regering bij benadering aangeven hoeveel van deze 60 000 studenten vanwege luiheid «langstudeerder» zijn en hoeveel vanwege bestuurlijke activiteiten, of vanwege andere relevante zaken die de studieduur hebben verlengd?
Het verhogen van het studierendement is een belangrijk streven in het hoger onderwijs. In de discussies over het rapport Veerman zijn ook andere methoden genoemd om het rendement te verhogen, met name ten aanzien van de kwaliteit van het onderwijs zelf. Zou het niet in de rede hebben gelegen eerst de kwaliteit van het onderwijs op orde te brengen en daarna deze financiële prikkel (verhoging collegegeld na een aantal studiejaren) in te voeren, zo vragen de leden van de fractie van de ChristenUnie, mede namens de SGP. Hoe verhoudt deze maatregel zich ten opzichte van de aanbevelingen van de commissie Veerman?
Door de regering wordt opgemerkt dat het studierendement in het hoger onderwijs in Nederland laag is. Deze vragen de regering waarmee de regering het studierendement vergelijkt. Als het gaat om een vergelijking van internationaal cijfermateriaal, dan zouden zij graag willen weten hoe het is gesteld met het studierendement in de VS en landen in de EU.
De leden van de D66-fractie vragen de regering toe te lichten hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot de doelstelling van de regering om een informatiesamenleving en kenniseconomie te worden.
Overgangsregeling en het rechtszekerheidsbeginsel
Bij de uitwerking van de regeling is afgezien van een overgangsmaatregel, zo bemerken de leden van de PvdA-fractie. De regering geeft als argument voor deze keuze de financiële taakstelling die anders niet gehaald zou worden. Deze leden zouden van de regering willen vernemen hoe deze keuze zich verhoudt tot het beginsel van rechtszekerheid. Studenten die reeds studievertraging hebben opgelopen, krijgen te maken met een regeling die zij niet kenden en die feitelijk met terugwerkende kracht op hen van toepassing wordt verklaard. Is deze maatregel niet in strijd met de gerechtvaardige verwachtingen van de betrokken studenten, zo vragen deze leden zich af.
De Tweede Kamer heeft de invoering van de «langstudeerdersboete» met een jaar uitgesteld. Dat wil zeggen dat de boete op 0 is gesteld en de invoering van de wet gewoon ingaat per 1 september 2011. Het wettelijk kader van de wet is dus van kracht, hoewel er geen «boete» over dit eerste jaar in rekening wordt gebracht. Wat betekent dit voor de rechtspositie van de student, vragen de leden van de ChristenUnie-fractie, mede namens de leden van de SGP-fractie. De regering heeft cohortsgewijze invoering afgewezen. Nu is wel aanvaard dat de maatregel een jaar later van kracht zal worden. Men kan dit een getemporiseerde invoering noemen. Waarom blijft het kabinet cohortsgewijze invoering afwijzen als er wel sprake is van getemporiseerde invoering? Kan duidelijk worden gemaakt hoeveel studenten nog «langstudeerder» zijn wanneer de maatregel een jaar later van kracht wordt? Hoe wijzigen zich de geschatte bedragen die met de «langstudeerdersmaatregel» gemoeid zijn, nu de maatregel een jaar later wordt ingevoerd? Voor deze leden weegt het rechtszekerheidsbeginsel zwaar. Het is waar dat studenten niet worden belemmerd om te studeren, maar hun afwegingen om te gaan studeren zouden wellicht anders uitvallen als men van tevoren op de hoogte was van deze maatregel. De terugwerkende kracht ziet dus niet op de (on)mogelijkheid om te studeren, maar op omstandigheden die men niet kende toen men aan de studie begon. Aan deze problematiek gaat de regering voorbij, ook in de beantwoording van de vragen die betrekking hebben op de parallel met de Harmonisatiewet. Graag ontvangen deze leden in verband met de terugwerkende kracht van de maatregel, een uiteenzetting van de argumenten van de regering waarom deze maatregel niet in strijd is met het beginsel van de rechtszekerheid.
De leden van de D66-fractie merken op dat voor studenten die reeds vertraging hebben opgelopen tijdens hun studie – om welke legitieme reden dan ook – in het wetsvoorstel geen overgangsrecht is opgenomen. Deze studenten worden mogelijk al over een jaar geconfronteerd met bijna een verdrievoudiging van hun collegegeld. Niettemin hebben zij zich hierop niet, of slechts korte tijd kunnen voorbereiden. Studievertraging is immers niet alleen een kwestie van het niet behalen van vakken, maar kan evengoed gelegen zijn in de keuze om een semester aan een andere universiteit in het buitenland te studeren of in de keuze om een niet in het vakkenpakket opgenomen stage te lopen tijdens de studie. Studenten die deze keuze reeds gemaakt hebben voordat de betreffende getemporiseerde bepalingen uit dit wetsvoorstel kracht van wet krijgen, worden nadien geconfronteerd met beboeting vanwege hun vertraging. De regering zal het met deze leden eens zijn dat een stage tijdens de studie een verbredende rol kan spelen op het beroepsperspectief en veelal positieve gevolgen heeft voor het positief afronden van de opleiding. Graag de reactie van de regering op dit punt. Daarnaast is institutionele vertraging voor veel studenten een oorzaak voor langer studeren dan de nominale studieduur. In het licht van institutionele vertraging vragen deze leden of de regering in dit verband een toename van het aantal procedures verwacht, waarin studenten de instellingen aansprakelijk zullen stellen voor institutionele vertraging?
Daarbij komt dat de leenvoorziening in de vorm van het «langstudeerderskrediet», slechts tot 2014 kan worden toegekend aan studenten die als langstudeerder zijn aan te merken. Is de regering het met deze leden eens, dat de toegang tot het onderwijs in het gedrang komt naarmate de kosten daarvan toenemen voor de individuele student? Is de regering het met hen eens dat een permanente leenvoorziening wenselijk en noodzakelijk geacht kan worden?
Naleving artikel 13 IVESCR
In een reactie op het advies van advocatenkantoor Stibbe maakt de regering een aantal opmerkingen over artikel 13 IVESCR. Onder meer geeft de regering aan dat dit verdragsartikel niet ziet op het kosteloos maken van het onderwijs. Na grondige lezing van de tekst van dit verdragsartikel hebben de leden van de D66-fractie vragen over de interpretatie die de regering geeft aan artikel 13 IVESCR. Is de regering het met hen eens dat in artikel 13, tweede lid en onder C IVESCR letterlijk staat dat: «het hoger onderwijs door middel van alle passende maatregelen en in het bijzonder door geleidelijke invoering van kosteloos onderwijs voor een ieder op basis van bekwaamheid gelijkelijk toegankelijk dient te zijn»? Is de regering het met hen eens dat de tekst van het artikel staten verplicht tot het streven naar het geleidelijk invoeren van kosteloos onderwijs? Is de regering het met hen eens dat dit verdrag dient te worden nageleefd?
In haar reactie spreekt de regering over de vrijstelling die het IVESCR zou bieden om het wettelijk verhoogd collegegeld mogelijk te maken voor een groep studenten die langer dan wenselijk gebruik maken van publiek gefinancierde voorzieningen. Op welke vrijstelling doelt de regering in dit verband?
De regering stelt dat zij de kwaliteit en het rendement van het hoger onderwijs wil verbeteren en dat daarvoor een ombuiging binnen de onderwijsbegroting noodzakelijk is, zo merken de leden van de PvdA-fractie op. De middelen die door de voorgestelde maatregel «langstudeerders» vrijvallen, zijn voorwaarde om in het onderwijs te kunnen investeren. Graag ontvangen deze leden een nadere toelichting op wat er nu feitelijk wordt omgebogen. Op welke wijze worden de vrijgevallen gelden ingezet in het onderwijs? Deze vraag klemt des te meer omdat het huidige voorstel de studenten en de instellingen geld kost. In hoeverre is er daadwerkelijk sprake van vrijgevallen middelen ten behoeve van het onderwijs? Het ging immers om het behalen van een financiële taakstelling?
Verder begrijpen deze leden de onderbouwing van het boetebedrag van 3000 euro niet. Kan de regering dit nader toelichten?
De leden van de SP-fractie merken op dat de Raad van State stelt dat het geld dat geacht wordt vrij te vallen niet ten goede zal komen aan investeringen ten behoeve van de kwaliteit van het hoger onderwijs. Kan de regering dit bevestigen? Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer is ook gesteld dat de minister van Financiën heeft aangegeven dat er met deze maatregel niet wordt bezuinigd, maar slechts binnen het hoger onderwijsbudget wordt geschoven. Kan de regering dit bevestigen? Zo ja, waarin zit dan de verschuiving?
De leden van de ChristenUnie-fractie wijzen mede namens de leden van de SGP-fractie, op de brede politieke consensus over het belang van de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. Dit belang vraagt investeringen in het hoger onderwijs. Welke rechtvaardiging voert de regering aan voor de korting die in samenhang met dit wetsvoorstel aan universiteiten wordt opgelegd, zo vragen deze leden.
In de beleidsmatige afweging over de wenselijkheid van overgangsrecht haalt de regering de noodzaak van bezuinigingen aan. De leden van de D66-fractie zijn niet overtuigd van dit standpunt. De regering heeft immers binnen korte tijd ruimte gevonden binnen de OCW-begroting om de beoogde bezuiniging een collegejaar te kunnen uitstellen. Hiervoor is geld gevonden binnen andere, kennelijk aanvaardbare bezuinigingsposten. Kan de regering toelichten waarom het juist noodzakelijk is om zo hard op te treden tegen de groep langstudeerders? Welke overwegingen maken bezuinigingen hier noodzakelijk? Deze leden vragen zich af of er geen minder ingrijpende bezuinigingen te realiseren zijn. Daarnaast vragen zij de regering om toe te lichten welke specifieke afwegingen ten grondslag hebben gelegen aan het bedrag van 3000 euro als boetebedrag. Kan de regering ook aangeven welke alternatieven zijn bekeken? Deze leden ontvangen graag een toelichting van de regering op deze punten.
Momenteel kunnen studenten zich per maand uit- en ook weer inschrijven voor hun opleiding. De leden van de CDA-fractie stellen dat waar in de systematiek van dit wetsontwerp 30 september als peildatum wordt gehanteerd voor de bepaling van het aantal inschrijvingsjaren, het denkbaar is dat studenten die datum omzeilen. Dat zal in ieder geval tot administratieve lastendruk voor instellingen en de overheid (Dienst Uitvoering Onderwijs) leiden. Hoe beoordeelt de regering dit, en mogelijk ander calculerend gedrag? Is zij bereid zo nodig met nadere maatregelen in wetgeving of anderszins hieraan paal en perk te stellen?
Verder achten deze leden het denkbaar dat de voorliggende wetgeving en bijbehorende lagere regelgeving het beroep op het profileringsfonds zal doen toenemen. De voeding van dat fonds onttrekt middelen aan de onderwijsmiddelen van de instelling. Hoe beoordeelt de regering de kans dat dit tot een ongewenste verschuiving in middelen leidt? Wil zij in haar overweging ook de omstandigheid betrekken dat de medezeggenschap ten aanzien van het profileringsfonds zwaarder is (instemmingsrecht) dan ten aanzien van de rest van de begroting van de instelling (adviesrecht)?
In het wetsvoorstel is opgenomen dat studenten op de Open Universiteit vooralsnog zijn uitgezonderd van de verhoging van het wettelijk collegegeld bij «langstuderen». De leden van de D66-fractie vragen zich af of dit strategisch gedrag in de hand zal werken. Verwacht de regering een hoge uitstroom van groepen studenten naar de Open Universiteit, aangezien deze instelling vooralsnog van de wettelijke verhoging is uitgezonderd? Op welke wijze dienen instellingen om te gaan met het probleem van uitstroom vanwege de «langstudeerdersboete»? Zij worden immers financieel getroffen als voor studenten geen getuigschrift meer kan worden afgegeven, aangezien zij hun studie goedkoper kunnen voorzetten aan de Open Universiteit.
Wanneer er sprake zal zijn van een hoge uitstroom naar de Open Universiteit, wordt dan nog wel recht gedaan aan de doelstellingen van dit wetsvoorstel op het gebied van studierendement? Op welke wijze beïnvloedt dit strategisch gedrag de financiële taakstelling van de regering?
De maatregelen in het voorliggende wetsvoorstel kunnen volgens de leden van de D66-fractie tot gevolg hebben dat een hogere uitstroom van Nederlandse studenten naar buitenlandse hogescholen en universiteiten zal plaatsvinden. Hoe ziet de regering deze problematiek in het licht van het voorliggende wetsvoorstel? Daarnaast vragen zij zich af of er onderzoek is gedaan naar deze effecten. Is de regering bereid om (alsnog) onderzoek te doen naar de mogelijke effecten van de maatregelen? Met name in het licht van de ontwikkeling van Nederland tot kenniseconomie is het volgens deze leden van belang om hoogopgeleide kenniswerkers aan Nederland te binden en voor lange termijn te behouden voor onze economie.
Hoe beziet de regering de mogelijke uitval van langstudeerders die na 2014 worden afgeschrikt door het torenhoge collegegeld waarvoor geen leenfaciliteit meer open staat? Deelt de regering de mening van deze leden dat uitval vanwege onbetaalbaar collegegeld als zeer onwenselijk moet worden beschouwd, met name nu voor bijzondere categorieën van studenten geen uitzonderingen of adequate voorzieningen zijn opgenomen?
Het is de leden van de CDA-fractie opgevallen dat de toegestane uitloop voor de masterfase, ongeacht de duur daarvan (één, twee, of drie jaar) één jaar beloopt. Deze regel treft studenten in een medische, technische of bètaopleiding relatief aanmerkelijk zwaarder dan de overige studenten. Dat effect wordt versterkt door het voornemen van de regering om de basisbeurs in de masterfase af te schaffen. Als dit voornemen wordt doorgezet, is dat een volgende beperking van de aantrekkelijkheid van bèta, technische en medische opleidingen. Hoe denkt de regering deze opleidingen, die maatschappelijk en economisch ontegenzeggelijk van grote betekenis zijn, voldoende aantrekkelijk te houden?
Verder begrijpen deze leden dat instellingen de ruimte krijgen om studenten die studievertraging oplopen wegens bijvoorbeeld een functiebeperking, uit het profileringsfonds te compenseren. Het beroep op dit fonds vindt, naar deze leden aannemen, plaats na het extra jaar dat deze categorie studenten op grond van het wetontwerp al krijgt.3 Ziet de regering, behoudens de studenten met een functiebeperking, nog andere categorieën studenten die voor compensatie uit het profileringsfonds in aanmerking komen. Hoe wordt bijvoorbeeld omgegaan met studenten die een zware voltijdse bestuurlijke taak vervullen, zoals bij studentenverenigingen of introductiecommissies? Eenzelfde vraag kan worden gesteld bij studenten die door het NOC/NSF als topsporter worden aangemerkt. Is de regering bereid om te zoeken naar mogelijkheden om de faciliteiten voor deze studenten niet ten laste van de instellingsbudgetten, maar ten laste van algemene voorzieningen te brengen?
De leden van de fractie van de VVD merken op dat de Raad van State aandacht vraagt voor de studenten die een technische studie volgen en voor deeltijdstudenten, omdat zij vrijwel steeds zullen worden geconfronteerd met het hoger collegegeld. Wil de regering overwegen om voor de groep deeltijdstudenten de uitloop naar rato te differentiëren? Wil de regering tevens overwegen om voor de groep studenten die een bètastudie volgt, die een langere masterfase kent en zwaarder van stof is dan alpha- en gammastudies, de uitloop voor de masterfase te differentiëren?
In dit voorstel is gekozen voor één en hetzelfde boetesysteem voor uiteenlopende opleidingen en voor zowel voltijd- als deeltijdstudenten. Over deze kwestie is uitgebreid gesproken in de Tweede Kamer. De leden van de PvdA-fractie kunnen begrijpen dat er voor eenvoud wordt gekozen, maar in dit geval is de vraag of de eenvoud niet leidt tot ongewenste ongelijkheid. Meer in het bijzonder willen deze leden wijzen op de problematiek van de deeltijdstudenten. Voor hen is een voltijd opleiding zoals de regering suggereert veelal geen optie. Ze werken en daarom studeren zij in deeltijd. Wat zijn de overwegingen en argumenten geweest om deze groep niet van een eigen regeling te voorzien? Dit klemt te meer daar ook dit kabinet voor education permanente is en belang hecht aan de combinatie van werk en studie. Deze leden vrezen dat juist voor deze groep studenten, die door allerlei omstandigheden pas later in hun levensloop aan een studie kunnen beginnen, de toegang tot het hoger onderwijs kleiner zal worden.
Verder vragen deze leden of de regering kan aangeven of er nog specifieke voorzieningen worden getroffen voor studenten die zijn uitgeloot en in afwachting aan een andere studie beginnen? Het is de overheid die de loting heeft ingesteld en mede daardoor kan de student studievertraging oplopen. Zijn deze studenten van deze maatregel uitgezonderd?
De leden van de D66-fractie hechten er aan te benadrukken dat studeren niet enkel het doorlopen van een studietraject binnen een daarvoor vastgestelde periode betekent. Studeren in het hoger onderwijs moet gericht zijn op het vormingsproces van een zelfstandige en verantwoordelijke nieuwe generatie. Studeren dient volgens hen niet geromantiseerd te worden als ware het een onbezorgde periode. De student van vandaag bevindt zich in een hoog competitieve omgeving. Deze leden stellen graag enkele vragen over het ontbreken van uitzonderingen.
Het treft deze leden zeer dat in het wetsvoorstel geen voorzieningen zijn opgenomen voor studeren in het buitenland. Een universitaire student die wil deelnemen aan het Erasmusprogramma van de Europese Commissie, dient bij zijn moederinstelling ingeschreven te blijven, terwijl de student daar in het betreffende semester of collegejaar geen onderwijs zal volgen. Hierdoor wordt studietijd opgenomen, of het uitloopjaar gesoupeerd. De regering wijst op de mogelijkheid van het extra uitloopjaar dat daarvoor gebruikt kan worden. Dit klopt wanneer een student eenmaal een semester in het buitenland studeert. Toch onderkent de regering hiermee niet de ernst van de zaak. Het bemoeilijkt studenten op meerdere plekken in het buitenland te studeren, al dan niet voor langere tijd dan een jaar. Voor toegang tot de master wordt door onderwijsinstellingen namelijk steeds vaker de harde knip gehanteerd. Een student heeft dan geen toegang tot de master wanneer niet alle vakken van de bachelor zijn behaald. Een volledig collegejaar studeren in het buitenland tijdens de bachelor wordt hierdoor ernstig bemoeilijkt, aangezien het in de praktijk lastig blijkt te zijn een bachelordiploma binnen de gestelde tijd af te ronden.
Deze leden zien een grote toegevoegde waarde in internationaliseringsprogramma’s, zowel voor de afzonderlijke student als voor de effecten op de Nederlandse economie, de samenleving en de Europese integratie. Is de regering het met deze leden eens dat iedere studie in het hoger onderwijs aspecten van internationalisering in zich zou moeten hebben en dat internationalisering een bijzondere belang heeft voor Nederland? Is de regering het met deze leden eens dat dit wetsvoorstel de internationalisering in het universitaire onderwijs zal bemoeilijken omdat veel minder studenten een jaar in buitenland zullen studeren? Welke maatregelen wil de regering nemen om deze belemmeringen te compenseren? Is de regering bereid om met de instellingen in gesprek te gaan over uitzonderingen bij het hanteren van de harde knip voor toegang tot de master, in het geval een student een semester of collegejaar aan een buitenlandse universiteit heeft gestudeerd?
Verder wijzen de leden van de D66-fractie erop dat een aantal onderwijsinstellingen speciale topsportregelingen kennen om een stimulans te geven aan studenten die excelleren in een bepaald gebied van de topsport, muziek of kunst. Het voorliggende wetsvoorstel kent geen voorziening om deze maatschappelijk belangrijke groep studenten te ontzien. Deze studenten zijn naast hun studie vaak gebonden aan een zwaar trainingsprogramma voor de sport, of aan een studieprogramma voor hun instrument. Niet zelden reizen zij veelvuldig op en neer van de trainingslocatie naar hun woonplaats. Daarnaast verblijven topsporters en topmusici voor hun uitzonderlijke activiteiten veel vaker in het buitenland. Dit vereist goede planning en hard werken. Deze studenten excelleren in de sport, muziek of kunst en vormen daarmee het toonbeeld van doorzettingsvermogen. Niettemin hebben deze studenten volgens deze leden recht op een academische ontplooiing die hoort bij studeren. Deze groep dient volgens hen gestimuleerd te worden en niet bestraft met een «langstudeerdersboete». Hieraan dragen de instellingsregelingen voor topsport bij, maar ook de centrale overheid dient de voorwaarden daarvoor te scheppen. Deze leden stellen vast dat het voorliggende wetsvoorstel geen voorziening bevat om deze bijzondere groep studenten te ontzien. Sterker nog, zij worden disproportioneel geraakt door de maatregelen die zijn opgenomen in dit wetsvoorstel, aangezien het voor topsporters vele malen zwaarder is een studie binnen de nominale duur af te ronden dan voor de doorsnee student. Het komt hen voor alsof zij als gevolg van dit voorstel eerder bestraft worden voor hun excellentie op het gebied van de sport, muziek of kunst, dan dat zij worden gestimuleerd. Is de regering het met hen eens dat voor excellerende studenten op het gebied van topsport, muziek en kunst de voorwaarden moeten geschapen om het volgen van een studie zo goed mogelijk te kunnen combineren met een opleiding in het hoger onderwijs? Is de regering het met deze leden eens dat het in strijd is met de rechtszekerheid om van huidige topsporters te vragen hun sportactiviteiten te verminderen, zodat zij niet geconfronteerd hoeven worden met de wettelijke verhoging van het collegegeld, dan wel een wettelijke verhoging op te leggen terwijl deze voor hen niet voorzienbaar was ten tijde van hun eerste inschrijving? Welke maatregelen wil de regering nemen om deze groep studenten te ontzien bij de toepassing van de «langstudeerdersboete»? Is de regering bereid om financiële middelen ter beschikking te stellen aan de instellingen om de topsporters te compenseren? Welke alternatieven heeft een huidige topsporter om niet geraakt te worden door de in het wetsvoorstel voorgestelde wettelijke verhoging van het collegegeld? Is de regering voornemens onderzoek te doen naar de gedragseffecten van topsporters als gevolg van deze maatregelen? Op welke wijze valt dit te rijmen met de ambities van de regering om bij de top-10 landenklassering in de internationale topsport te gaan behoren?
De leden van de D66-fractie vragen zich af waarom de regering niet heeft gekozen voor een systeem waarin studenten worden aangemoedigd om extracurriculaire activiteiten te ontplooien, zoals bestuursverantwoordelijkheid. Met name wanneer gewezen kan worden op de positieve (maatschappelijke) effecten van de betrokken organisaties. Hierbij kan worden gedacht aan de positieve inspanningen en effecten van studieverenigingen die de gedachtevorming over een bepaald vakgebied kunnen verbreden, maar ook andere organisaties. Hiervan willen deze leden een voorbeeld voorleggen. Nationale en internationale stageorganisaties zoals Integrand en AIESEC verrichten goed werk door studenten te koppelen aan stageplaatsen in het bedrijfsleven, bij NGO’s en overheden. Deze organisaties bevorderen beroepsoriëntatie en voorkomen werkloosheid onder hoogopgeleide jongeren omdat de stageplekken de mogelijkheid bieden om praktijkervaring op te doen. Deze stageorganisaties worden veelal bestuurd door studenten. Als bestuurders doen zij de nodige ervaring op en dragen zij bij aan het realiseren van een belangrijk maatschappelijk doel. Universiteiten erkennen deze bijdrage door het verstrekken van een financiële compensatie in de vorm van bestuursmaanden. Deze compensatie is terecht nu het veelal onbetaalde fulltime functies betreft. In het licht van dit wetsvoorstel pleiten deze leden voor een voorziening voor studenten die bestuursverantwoordelijkheid nemen, aangezien het hier vaak de ouderejaars studenten zijn die vanwege hun kennis en ervaring een effectieve bestuurlijke rol kunnen spelen in deze organisaties. Zij vrezen dat dit wetsvoorstel een afschrikwekkend effect heeft op het nemen van bestuursverantwoordelijkheid, met de nodige negatieve maatschappelijke consequenties van dien. Welke gedragseffecten verwacht de regering van huidige en toekomstige studenten in het licht van het dragen van bestuursverantwoordelijkheid? Deze leden verwachten mede gezien het bovenstaande een negatief effect. Hoe beziet de regering hun zorgpunten? Overweegt de regering alsnog een compensatie voor deze groep studenten?
De leden van de D66-fractie zien dat de Rijksoverheid regelmatig als ingangseis voor stageplekken vereist dat een student nog ingeschreven staat bij een universiteit. Deze leden hebben vernomen dat zowel de ministeries van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Buitenlandse Zaken, sollicitanten voor een stageplek hebben afgewezen omdat zij niet langer stonden ingeschreven aan een instelling voor hoger onderwijs. Dit, zo hebben zij vernomen, terwijl de sollicitanten in kwestie reeds hun studie hebben afgerond. Als deze leden dit beleid goed begrijpen worden studenten die ambities hebben voor een stageplek bij de Rijksoverheid gedwongen om ingeschreven te blijven staan aan een instelling. Zij vragen zich af of de regering dit beleid coherent acht met de doelstellingen van het voorliggende wetsvoorstel. Is de regering bereid om de overheidswerkgevers op te roepen niet langer de inschrijvingseis te hanteren voor stageplekken?
De leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschapsbeleid zien de antwoorden van de regering met belangstelling tegemoet.
De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschapsbeleid,
Dölle
De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschapsbeleid,
De Boer
Samenstelling: Schuurman (CU), Holdijk (SGP), Dölle (CDA), voorzitter, Dupuis (VVD), Linthorst (PvdA), Tan (PvdA), vicevoorzitter, Essers (CDA), Meulenbelt (SP), Ten Hoeve (OSF), Leijnse (PvdA), Staal (D66), Thissen (GL), Hamel (PvdA), Goyert (CDA), Leunissen (CDA), Asscher (VVD), Hermans (VVD), Ten Horn (SP), Slager (SP), Vliegenthart (SP), De Boer (CU), Duthler (VVD), Kuiper (CU), Lagerwerf-Vergunst (CU), Laurier (GL), Koffeman (PvdD), Yildirim (Fractie-Yildirim) en Flierman (CDA).
VSNU, «Verhoging Collegegeld Langstudeerders inconsequent en contraproductief», http://www.vsnu.nl, zoeken op «Kamerbericht». Tevens ter inzage gelegd bij de afdeling inhoudelijke ondersteuning onder griffienummer 148.053.03.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32618-C.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.