32 576 Wijziging van de Advocatenwet, de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten ter versterking van de cassatierechtspraak (versterking cassatierechtspraak)

B VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR VEILIGHEID EN JUSTITIE1

Vastgesteld 20 december 2011

Het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij delen het oordeel van de regering dat de Hoge Raad zich op zijn kerntaken – namelijk het bewaken van de rechtseenheid, het bevorderen van de rechtsontwikkeling en het verlenen van rechtsbescherming – moet kunnen concentreren. Door de toegenomen werklast in de laatste decennia en de niet altijd deugdelijke kwaliteit van de cassatieschrifturen bestaat volgens deze leden het gevaar dat de Hoge Raad zich onvoldoende van zijn kerntaken kan kwijten. Deze leden zien dat met het voorliggende wetsvoorstel, waarbij twee maatregelen worden geïntroduceerd die aan elkaar complementair zijn – namelijk het stellen van kwaliteitseisen aan cassatieadvocaten en de introductie van «selectie aan de poort» – de cassatierechtspraak wordt versterkt. Zij hebben nog enkele vragen.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Het stellen van uitdrukkelijke kwaliteitseisen aan advocaten die als procesvertegenwoordiger bij de Hoge Raad optreden, komt deze leden als een goede benadering voor. Ook met de aanpak die daarbij wordt voorgeschreven, kunnen zij zonder meer instemmen. Daarnaast staan zij positief tegenover het voorstel voor een «selectie aan de poort» bij de behandeling van cassatieberoepen. Deze leden hebben over dit laatste onderwerp nog wel enige vragen.

2. Algemeen

De hoofdtaken van de Hoge Raad bestaan – kort gezegd – uit het bewaken van de rechtseenheid, het bevorderen van de rechtsontwikkeling en het garanderen van rechtsbescherming, aldus de leden van de CDA-fractie. Nu er een nieuwe bevoegdheid voor de Hoge Raad wordt voorgesteld, die in casu tot een minder omvattend onderzoek en een lichtere motiveringsplicht leidt, gaan deze leden ervan uit dat daarmee toch alle cassatiefuncties ten volle moeten kunnen worden vervuld. Is dat naar de mening van de regering ook het geval?

Kan de regering toezeggen dat enkel en alleen kwaliteitsverhoging de reden is voor dit wetsvoorstel, in die zin dat evident kansloze zaken snel kunnen worden afgedaan zodat er meer tijd beschikbaar is om de op het oog waarschijnlijk voor cassatie vatbare zaken grondig te onderzoeken? De verlichting van de werklast, die dit voorstel meebrengt, kan naar de mening van de leden van de CDA-fractie dan ook niet worden «verzilverd» door in te grijpen in de formatie van ons hoogste rechtscollege. Graag een reactie.

Kan de regering aangeven of, en zo ja wanneer, de wet zal worden geëvalueerd indien deze wordt aangenomen en in werking treedt? Indien geen evaluatie is voorzien, is de regering dan bereid de wet uiterlijk na vijf jaar te evalueren? Kan bij de evaluatie tevens aandacht worden besteed aan het aantal «vlieguren» dat door cassatieadvocaten dient te worden gemaakt? De leden van de VVD-fractie stellen deze vraag omdat, wanneer het aantal cassatiezaken afneemt door toepassing van artikel 80a Wet RO, cassatieadvocaten wellicht niet meer toekomen aan het aantal gewenste «vlieguren». Zij zouden graag over deze ontwikkeling, zo die er al zou zijn, worden geïnformeerd.

De leden van de CDA-fractie begrijpen dat bij de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer is gesproken over een onderzoek bij de Hoge Raad naar het aantal zaken dat in aanmerking zou kunnen komen voor de toepassing van artikel 80a Wet RO.2 De resultaten zouden in september 2011 bekend zijn, maar de staatssecretaris kon daar ultimo september 2011 nog geen uitspraak over doen. Is dit onderzoek inmiddels gereed? Zo nee, wanneer mag het resultaat dan worden verwacht? Is de schatting, die in de wandelgangen wordt gehoord, dat ongeveer 25% van de zaken in aanmerkingen komt voor de toepassing van artikel 80a Wet RO, juist? Graag een reactie.

3. Selectie aan de poort/artikel 80a Wet RO

In het wetsvoorstel wordt «selectie aan de poort» geïntroduceerd met het voorgestelde artikel 80a Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO). De Hoge Raad kan, gehoord de procureur-generaal, een beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren als de partij die het cassatieberoep instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Ingevolge het vierde lid van het voorgestelde artikel 80a Wet RO kan de Hoge Raad zich bij de vermelding van de gronden van zijn beslissing, beperken tot dit oordeel. De leden van de VVD-fractie menen dat het, zeker in de beginperiode van het toepassen van artikel 80a Wet RO door de Hoge Raad, van belang is dat de Raad desalniettemin een iets uitgebreidere motivering van de niet-ontvankelijkverklaring geeft dan waartoe lid 4 van het voorgestelde artikel noopt. Wanneer enige jurisprudentie ontstaat over de niet ontvankelijkverklaring op grond van het voorgestelde artikel 80a Wet RO, kunnen met name cassatieadvocaten zich daarnaar richten en zal artikel 80a Wet RO aan effect kunnen winnen. Hoe beoordeelt de regering dit?

Verwacht de regering een toename van beroepen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg, als effect van de selectie aan de poort door de Hoge Raad? Zo nee, kan de regering aan de leden van de VVD-fractie toelichten waarom niet?

Stel er wordt een beroep in cassatie ingesteld en de Hoge Raad maakt vervolgens gebruik van zijn bevoegdheid op grond van artikel 80a Wet RO. De leden van de VVD-fractie vragen zich af of er dan griffierechten zijn verschuldigd, ook al wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard? Zo ja, zijn deze in volle omvang verschuldigd, of heeft de regering wellicht een gereduceerd tarief in gedachten?

De leden van de CDA-fractie willen graag nog eens duidelijk uiteengezet zien waarom in het voorgestelde artikel 80a Wet RO gekozen is voor de term «klaarblijkelijk» als kwalificatie voor het onvoldoende belang bij het beroep, of als criterium voor het niet tot cassatie kunnen leiden van het beroep. Waarom is niet direct aangesloten bij de formulering van art. 3:303 BW? De regering geeft in haar reactie op het rapport van de Raad van State wel aan dat zulks zou zijn gebeurd, maar dit blijkt niet uit de in de voorgestelde wetstekst gekozen formulering. Graag een reactie.

Welke criteria zullen gelden voor de invulling van het begrip «klaarblijkelijk onvoldoende belang» bij het cassatieberoep, of het «klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden» van een klacht? De leden van de CDA-fractie vragen of de volgende voorbeelden als criteria daarvoor kunnen gelden: «de klachten zijn evident ongegrond»; «de bestreden uitspraak van het Hof is in overeenstemming met de vaste rechtspraak van de Hoge Raad»; «de cassatiemiddelen berusten op een verkeerde lezing van de stellingen van het Hof»; «de middelen zijn niet gebaseerd op de door het Hof vastgestelde feiten». Kan de regering aangeven of deze voorbeelden juist zijn en of zij voldoen aan een passende interpretatie van het voorgestelde artikel 80a Wet RO? Deze leden begrijpen dat het dus steeds gaat om een processueel belang. Een gering financieel belang wordt – naar de mening van deze leden – niet als een passend criterium beschouwd. Het staat in ieder geval toch wel vast dat het gebruik van de term «klaarblijkelijk» – niet anders dan met de term «kennelijk» – uitsluit dat de Hoge Raad met artikel 80a Wet RO voor de wijze van afdoening van een beroep of klacht over een discretionaire bevoegdheid zal komen te beschikken? Het is verder toch zo, dat alle «80a uitspraken» in de toekomst op de normale wijze zullen worden gepubliceerd? Graag een reactie op bovenstaande vragen.

Het parket van de Hoge Raad wordt in het geval van niet-ontvankelijkverklaring ex artikel 80a Wet RO een conclusie bespaard. Dat betekent een aanzienlijke werkvermindering. Het parket wordt wel gehoord ten aanzien van de vraag naar de ontvankelijkheid ex artikel 80a Wet RO, maar hoeft geen standpunt te bepalen.3 De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe er met dit hoorrecht van het Openbaar Ministerie dient te worden omgegaan.

De leden van de CDA-fractie willen nog onder de aandacht brengen dat het wetsvoorstel niet uitdrukkelijk rekening houdt met de mogelijkheid dat incidenteel cassatieberoep wordt ingesteld, of dat een exceptie tegen het principaal beroep wordt aangevoerd. Hoe dient in een dergelijk geval de procedure voor een mogelijke niet-ontvankelijkheid op grond van artikel 80a Wet RO er uit te zien? Graag een reactie.

4. Kwaliteitseisen cassatieadvocatuur

Vooralsnog wordt door de Nederlandse Orde van Advocaten (NovA) slechts voor de civiele cassatieadvocatuur een verordening met vakbekwaamheidseisen opgesteld. De leden van de VVD-fractie begrijpen de overwegingen hiervoor. Voor de cassatieadvocatuur in strafzaken en belastingzaken zal naar het zich laat aanzien, in de toekomst eveneens een verordening met kwaliteitseisen worden opgesteld. Uit de stukken blijkt alleen niet wanneer de bedoelde verordening(en) in ieder geval tegemoet kan (kunnen) worden gezien. Deze leden menen dat het van belang is dat ook voor cassatieadvocaten in strafzaken en belastingzaken vakbekwaamheidseisen worden opgesteld. Kan de regering aangeven op welke termijn zij uiterlijk een verordening met vakbekwaamheidseisen voor de bedoelde cassatieadvocaten verwacht?

De leden van de vaste commissie voor Veiligheid & Justitie zien de reactie van de regering – graag binnen zes weken – met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid & Justitie,

Broekers-Knol

De griffier voor dit verslag,

Van Dooren


X Noot
1

Samenstelling:

Holdijk (SGP), Broekers-Knol (VVD) (voorzitter), Kneppers-Heynert (VVD), Kox (SP), Engels (D66), Franken (CDA), Thissen (GL), Nagel (50PLUS), Ruers (SP), Van Bijsterveld (CDA) (vice-voorzitter), Duthler (VVD), Koffeman (PvdD), Quik-Schuijt (SP), Strik (GL), K.G. de Vries (PvdA), Knip (VVD), Hoekstra (CDA), Lokin-Sassen (CDA), Scholten (D66), De Boer (GL), De Lange (OSF), Ter Horst (PvdA), Beuving (PvdA), Koole (PvdA), Schrijver (PvdA), Reynaers (PVV), Popken (PVV), Frijters-Klijnen (PVV), Ester (CU) en Swagerman (VVD).

X Noot
2

Kamerstukken II 2010/11, 32 576, nr. 6, p. 12.

X Noot
3

Kamerstukken II 2010/11, 32 576, nr. 3, p. 20.

Naar boven