32 529 Wijziging van de Wet op de jeugdzorg en Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, de Algemene Kinderbijslagwet en de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen alsmede enige andere wetten in verband met de verbetering van de positie van pleegouders (verbetering positie pleegouders)

Nr. 8 AMENDEMENT VAN HET LID KOOIMAN

Ontvangen 7 juni 2011

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

Na artikel III wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL IIA

In artikel 2, eerste lid, van de Wet op het kindgebonden budget wordt de zinsnede «of zou worden betaald indien de artikelen 7, tweede lid, en 7a van die wet» vervangen door: of zou worden betaald indien de artikelen 7, tweede lid, 7a of 7d van die wet.

Toelichting

Dit amendement regelt dat de aanspraak op het kindgebonden budget blijft bestaan indien het recht op kinderbijslag komt te vervallen wanneer een kind uit huis wordt geplaatst. Bij de uithuisplaatsing van een kind wordt de kinderbijslag en indien van toepassing het kindgebonden budget geschrapt voor de ouders, omdat zij geen ouderbijdrage meer hoeven te betalen voor hun kind bij plaatsing in het pleeggezin. Ouders blijven echter wel financieel verantwoordelijk voor hun kind en zijn onderhoudsplichtig. Ouders met lage inkomens gaan er hierdoor financieel fors op achteruit. De financiële achteruitgang die ouders hebben bij het verliezen van het kindgebonden budget kan oplopen tot € 1 307 per jaar. Een inkomen van een bijstandsmoeder daalt met 6 en een kwart procent, terwijl iemand die 2 x modaal verdient er één procent op vooruit gaat.

Dit amendement zorgt ervoor dat ouders met lagere inkomens niet onevenredig hard worden getroffen door te regelen dat ouders het recht op het kindgebonden budget behouden.

Kooiman

Naar boven