Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201832522 nr. 8

32 522 Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot het opnemen van een bepaling over de Nederlandse taal en het doen vervallen van additionele artikelen die zijn uitgewerkt

Nr. 8 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 22 mei 2018

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de brief van 15 februari 2018 houdende intrekking van het wetsvoorstel inzake verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot het opnemen van een bepaling over de Nederlandse taal en het doen vervallen van additionele artikelen die zijn uitgewerkt (Kamerstuk 32 522, nr. 7).

De vragen en opmerkingen zijn op 30 maart 2018 aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voorgelegd. Bij brief van 18 mei 2018 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Ziengs

De waarnemend griffier van de commissie, Hendrickx

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Inleiding

Naar aanleiding van de brief van 15 februari jl. van de regering over het intrekken van het wetsvoorstel Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot het opnemen van een bepaling over de Nederlandse taal en het doen vervallen van additionele artikelen die zijn uitgewerkt, willen de leden van de VVD-fractie graag een paar vragen stellen.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief, waarbij de regering het wetsvoorstel intrekt waarmee de status van de Nederlandse en de Friese taal in de Grondwet zou worden verankerd. Er leeft bij hen een aantal vragen.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister van Binnenlandse zaken waarin zij het wetsvoorstel tot verandering in de Grondwet, strekkende tot het opnemen van een bepaling over de Nederlandse taal intrekt.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben kennis genomen van de brief houdende intrekking van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden begrijpen de afwegingen die ten grondslag liggen aan het besluit om te komen tot intrekking van het wetsvoorstel. Wel hebben deze leden nog een specifieke vraag over de positie van de officiële talen in Nederland.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennis genomen van de onderhavige brief van de Minister van Binnenlandse Zaken. Deze leden hebben op een aantal punten behoefte aan een nadere toelichting.

Algemeen

De leden van de CDA-fractie herinneren eraan, dat al in 1995 de leden Koekkoek en Van Middelkoop ervoor pleitten om in de Grondwet op te nemen, dat de bevordering van het gebruik van de Nederlandse taal voorwerp van zorg van de overheid is. Deze leden zijn van mening dat Nederland, zoals de meeste Europese landen, een grondwettelijke bepaling over de taal zou moeten hebben.

Deze leden betreuren het, dat uit de inbreng van diverse fracties in het verslag blijkt, dat zij twijfelen aan het nut, de noodzaak en de praktische meerwaarde van het voorstel. Verder betreuren deze leden het, dat ook het kabinet niet meer overtuigd is van de noodzaak van het voorstel, gelet op de criteria die het aanhangt voor een wijziging of aanvulling van de Grondwet, te weten een dringende maatschappelijke behoefte en voldoende constitutionele rijpheid van het onderwerp en verdere behandeling van het aanhangige voorstel daarom niet opportuun acht.

De leden van de CDA-fractie hechten eraan, dat de overheid het eenvoudig en zorgvuldig gebruik van het Nederlands als bestuurstaal en cultuur- en omgangstaal bevordert. Deze leden vragen de regering of zij dit uitgangspunt van het voorstel tot grondwetswijziging nog steeds onderschrijft en zo ja, op welke wijze zij daaraan invulling geeft. Deze leden hechten eraan, dat de overheid de positie van nationale talen beschermt en versterkt in een globaliserende wereld.

Voor deze leden zijn taal en cultuur dragers van identiteit. Taalbeleid en taalontwikkeling zijn verantwoordelijkheden van de overheid. In dit verband verwijzen deze leden ook naar de volgende passage in het regeerakkoord: «In een herkenbaar Nederland zijn onze taal, onze vlag, ons volkslied, onze herdenkingen en onze Grondwet geen symbolische relicten uit het verleden, maar tekenen van de trots, vrijheden, rechten en plichten die horen bij Nederland, het Nederlanderschap en onze democratische rechtstaat. We moeten ze blijven onderhouden, delen en doorgeven, aan elkaar en aan nieuwkomers.» Op welke wijze wil de regering de Nederlandse taal onderhouden, delen en doorgeven, zo vragen deze leden.

De leden van de D66-fractie hebben eerder in 2010, als inbreng bij het wetsvoorstel (Kamerstuk 32 522, nr. 6), ingebracht dat zij niet overtuigd waren van nut en noodzaak van het toentertijd voorliggende wetsvoorstel. Dit was destijds ook het advies van de Raad van State: deze achtte de noodzaak tot dit wetsvoorstel evenmin aanwezig. De leden van de D66-fractie hebben toen gevraagd naar de reikwijdte van het wetsvoorstel. Heeft de wet in zijn geheel betrekking op het Nederlands als bestuurstaal, als rechtstaal, de taal in het onderwijs, en al cultuur- en omgangstaal, en verschilt de reikwijdte ervan dan per onderdeel? Hoe is dat terug te vinden in het wetsvoorstel? Ook stelden de leden van de D66-fractie vraagtekens bij de verandering in juridische zin die het wetsvoorstel teweeg zou brengen, en of dit het juiste middel is om het vrijblijvende karakter van het Nederlands taalbeleid te verbeteren, of dat andere middelen beter in staat zijn om dat doel te bereiken. Ook zien de aan het woord zijnde leden juist kansen in het bevorderen van het gebruik van andere talen dan het Nederlands, bijvoorbeeld in het onderwijs. Gezien het feit dat deze vragen onbeantwoord zijn gebleven, blijven de leden van de D66-fractie bij hun eerdere standpunt dat zij niet overtuigd zijn van nut en noodzaak van dit wetsvoorstel. De leden van de D66-fractie hebben aldus geen bezwaar tegen de intrekking van dit wetsvoorstel.

Voor de leden van de ChristenUnie-fractie is de wens om de Nederlandse en Friese taal, evenals gebarentaal, grondwettelijk te verankeren onveranderd. Ook zou op gelijke wijze in het Caribisch deel van Nederland recht moeten worden gedaan aan de overige talen in het Koninkrijk, Papiaments en Engels.

Bescherming en bevordering van de onderscheiden talen in het Koninkrijk

De leden van de VVD-fractie wijzen er op dat in het Koninkrijk der Nederlanden diverse talen worden gesproken, te weten Nederlands, Fries, Papiamento (Aruba), Papiamentu (Curaçao en Bonaire) en Engels. Zij vragen de regering voor elk van deze talen uiteen te zetten hoe deze thans in het Koninkrijk worden beschermd. Ook vernemen deze leden graag hoe het gebruik van de diverse talen wordt bevorderd.

De leden van de CDA-fractie hechten eraan, dat naast het Nederlands andere talen een bij of krachtens de wet gewaarborgde uitzonderingspositie kunnen hebben in delen van het land, zoals het Fries in de provincie Fryslân. In een periodieke bestuursafspraak (BFTC) leggen het Rijk en de provincie Fryslân de verantwoordelijkheden vast voor het gebruik van het Fries in het onderwijs, de rechtspraak, het bestuurlijk verkeer, media, cultuur, economisch en sociaal leven en grensoverschrijdende uitwisselingen. Deze leden vragen de regering in het jaar waarin Leeuwarden-Fryslân zich Culturele Hoofdstad van Europa mag noemen, bijzondere aandacht voor de nieuwe bestuursafspraak.

De leden van de CDA-fractie vragen ten slotte, hoe op dit moment de positie is geregeld van het Papiaments en het Engels voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

De leden van de D66-fractie hebben eerder vragen gesteld over de toegevoegde waarde van het opnemen van het Fries in dit wetsvoorstel, en de daadwerkelijke consequenties die dit zou hebben. De aan het woord zijnde leden maken graag van deze gelegenheid gebruik te vragen op welke manieren de regering het gebruik en cultuurbehoud van het Fries stimuleert.

Kan de regering aangeven hoe de ontwikkelingen van de vier officiële talen, Nederlands, Fries, Engels en Papiaments, nu wettelijk geborgd zijn? Verder zijn deze leden geïnteresseerd in het antwoord op de vraag welke ontwikkelingen de regering in de nabije toekomst verwacht op het gebied van de ontwikkeling van de officiële talen in Nederland.

De Nederlandse en Friese taal zijn belangrijke cultuurdragers, zo merken de leden van de ChristenUnie-fractie op. Dit geldt ook voor het Papiaments. Taal vormt één van de wezenlijke kenmerken van een gemeenschap. Daarmee is onze taal een belangrijk element van cultuur, alsook van persoonlijke en gedeelde identiteit. Mensen voelen zich door het gebruik van dezelfde taal met elkaar verbonden. Is de regering met de leden van de ChristenUnie-fractie van mening dat de Nederlandse taal een kernelement vormt van de Nederlandse gemeenschappelijke identiteit. Wat doet de regering, nu verdere behandeling van het voorstel tot verankering in de Grondwet niet opportuun wordt geacht, om de Nederlandse en de Friese taal te beschermen, te bevorderen en levend te houden, zo vragen deze leden.

Terecht merkt de regering op dat het wetsvoorstel geen rekening hield met de andere officiële talen die binnen Nederland worden gebruikt, het Engels en Papiaments. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering toe te lichten hoe zij de positie van deze talen binnen het Koninkrijk ziet en op welke wijze dit is verankerd in wet- en regelgeving. Op welke wijze wordt het Papiaments beschermd en levend gehouden, zo vragen deze leden?

II Reactie van de bewindspersoon

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van uw Kamer heeft enkele vragen gesteld naar aanleiding van mijn brief van 15 februari jl. waarin ik u mededeling heb gedaan van de intrekking van het wetsvoorstel houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot het opnemen van een bepaling over de Nederlandse taal en het doen vervallen van additionele artikelen die zijn uitgewerkt (hierna: het grondwetsvoorstel) (Kamerstuk 32 522, nr. 7). Ik beantwoord deze vragen mede namens mijn ambtgenoot van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering het uitgangspunt van het grondwetsvoorstel – dat de overheid het eenvoudig en zorgvuldig gebruik van het Nederlands als bestuurstaal en cultuur- en omgangstaal bevordert – nog steeds onderschrijft en zo ja, op welke wijze zij daaraan invulling geeft.

Nederland vormt tezamen met België (het Gewest Vlaanderen) de Taalunie. Het door de leden van de CDA-fractie geformuleerde uitgangspunt van het grondwetvoorstel komt eveneens terug in de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het verdrag waarmee de Taalunie is ingesteld.1 De regering onderschrijft deze uitgangspunten nog altijd. Het invullen van deze uitgangspunten is op basis van dit verdrag voor een deel belegd bij de organen van de Taalunie en voor een deel bij de regeringen van de lidstaten. De Nederlandse regering geeft (tezamen met de Taalunie) invulling aan deze uitgangspunten door in de eerste plaats zo goed mogelijk onderwijs in de Nederlandse taal mogelijk te maken. Daarnaast kan gedacht worden aan het stimuleren en promoten van Nederlandstalige literatuur en letteren, ook in het buitenland. Ten slotte kan gewezen worden op de diverse maatregelen van de regering in de afgelopen jaren waarmee nieuwkomers gestimuleerd worden om zo snel mogelijk na aankomst in ons land Nederlands te leren.

De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze de regering de Nederlandse taal wil onderhouden, delen en doorgeven.

De Nederlandse taal wordt onderhouden door de Taalunie. Het Comité van Ministers (het hoogste orgaan van de Taalunie, dat bestaat uit leden van de Nederlandse en de Vlaamse regering) stelt de schrijfwijze (de spelling) van het Nederlands vast. Op grond van de Spellingwet resulteert dit in de woordenlijst Nederlandse taal (beter bekend als «het Groene boekje») welke verplicht moet worden toegepast binnen het bestuur en in het onderwijs.

Als het gaat om delen en doorgeven kan worden gewezen op de volgende bestaande maatregelen en initiatieven:

  • De rijksoverheid bekostigt de Koninklijke Bibliotheek als nationale bibliotheek van Nederland die alle in en over Nederland verschenen publicaties verzamelt en beschikbaar stelt;

  • Er is een netwerk van openbare bibliotheken dat toegang biedt tot een grote fysieke en digitale collectie. De openbare bibliotheek stimuleert taal en lezen voor alle leeftijds- en bevolkingsgroepen;

  • Er zijn specifieke programma’s voor bestrijding van laaggeletterdheid en voor leesbevordering («Tel mee met Taal»);

  • De Mediawet (artikel 3.24) stelt de verplichting dat het programma-aanbod op publieke televisiekanalen voor ten minste 40% uit oorspronkelijk Nederlands of Friestalige producties bestaat;

  • Een vitale Nederlandse boekenmarkt wordt ondersteund door het Letterenfonds, de Wet op de vaste boekenprijs, het Literatuurmuseum en een laag Btw-tarief op fysieke boeken;

  • Er zijn programma’s om nieuwkomers Nederlands te leren («Het begint met taal»), inburgeraars kunnen een lening afsluiten om zich voor te bereiden op het inburgeringsexamen en via voor- en vroegschoolse educatie worden peuters met een taalachterstand in een vroeg stadium in hun ontwikkeling gestimuleerd.

De leden van de fracties van de VVD, het CDA, D66 en de CU stellen enkele vragen over de huidige wettelijke borging van de diverse talen die in het Koninkrijk der Nederlanden worden gesproken en hoe het gebruik daarvan wordt bevorderd. Meer specifiek vragen de leden van de D66-fractie hoe de regering het cultuurbehoud van het Fries stimuleert, hoe de ontwikkelingen van de vier officiële talen wettelijk geborgd zijn en welke ontwikkelingen de regering in de nabije toekomst verwacht op het gebied van de ontwikkeling van de officiële talen in Nederland. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering toe te lichten hoe zij de positie van de talen binnen het Koninkrijk ziet en op welke wijze het Papiaments wordt beschermd en levend gehouden.

Nederlands is de officiële taal van Nederland. Het Fries is tweede officiële taal in de provincie Fryslân. Op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (Caribisch Nederland) zijn naast Nederlands ook Papiaments en Engels erkend als officiële talen.

Fries en Nederlands zijn de officiële talen in de provincie Fryslân. De Wet gebruik Friese taal bepaalt dat mensen binnen de provincie het recht hebben om Nederlands of Fries te gebruiken in het bestuurlijk verkeer en het rechtsverkeer. De wet bepaalt ook hoe Friese gemeenten regels en beleidsplannen moeten opstellen voor het gebruik van de Friese taal. Daarnaast maken provincie en Rijk periodiek bestuursafspraken ter uitwerking van de gedeelde verantwoordelijkheid inzake de Friese taal en cultuur. In de bestuursafspraak worden afspraken over het gebruik van het Fries in het onderwijs, rechterlijke autoriteiten, bestuurlijke autoriteiten, openbare diensten, media, cultuur, economisch en sociaal leven en grensoverschrijdende uitwisseling nader vastgelegd. De huidige bestuursafspraak loopt tot eind 2018. Gesprekken over de nieuwe Bestuursafspraak 2019–2023 zijn reeds in volle gang. Waar mogelijk bevordert het Rijk het gebruik van het Fries in nationaal beleid en neemt het waar nodig belemmeringen weg. Zowel de rijksoverheid als de provincie zien erop toe dat beleidsnota’s over de bestuursafspraken aandacht schenken aan de consequenties voor de beleidsvoornemens voor de Friese taal.

In Caribisch Nederland is Nederlands de officiële taal. Op Bonaire wordt veel Papiaments gesproken en op Saba en Sint-Eustatius veel Engels. De talen Papiaments en Engels mogen worden gebuikt in het onderwijs, in contact met de overheid en in de rechtspraak. De hoofdregels voor contact met de overheid worden gegeven in de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De beëdiging in het Papiaments of Engels is geregeld in de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Het gebruik van het Engels en het Papiaments in de rechtspraak is geregeld in de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Voor het rechtsverkeer zijn verder van belang het Burgerlijke Wetboek BES, de Belastingwet BES, de Douane- en Accijnswet BES en het Wetboek van Koophandel BES.

De positie van het Nederlands als de officiële taal van Nederland (en van het Gewest Vlaanderen) is voorts vastgelegd in de Taalunie en is daarmee verdragsrechtelijk verankerd. De wijze waarop het Nederlands wordt gespeld is (zoals is voorgeschreven in de Spellingwet) vastgelegd in de officiële leidraad en woordenlijst, beter bekend als «het Groene boekje». Ingevolge artikel 2:6 van de Algemene wet bestuursrecht gebruiken bestuursorganen en onder hun verantwoordelijkheid werkzame personen in beginsel de Nederlandse taal.

De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze de regering in het jaar waarin Leeuwarden-Fryslân zich Culturele Hoofdstad van Europa mag noemen, bijzondere aandacht besteedt aan de nieuwe bestuursafspraak.

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) is, als coördinerend ministerie inzake de Friese taal en cultuur, reeds sinds halverwege 2017 in gesprek met de provincie Fryslân over de nieuwe Bestuursafspraak Friese taal en cultuur. Hierover vinden regelmatig gesprekken plaats tussen BZK en de provincie en andere betrokken departementen als OCW en JenV. In de bestuursafspraak worden afspraken over het gebruik van het Fries in het onderwijs, rechterlijke autoriteiten, bestuurlijke autoriteiten, openbare diensten, media, cultuur, economisch en sociaal leven en grensoverschrijdende uitwisseling nader vastgelegd. Uitgangspunten hierbij zijn het Europees Handvest voor regionale talen en talen van minderheden (1998), het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden (2005) en de Wet gebruik Friese taal (2014). In de afspraken over Fries in culturele activiteiten wordt ook de nalatenschap van LF2018 betrokken, zoals een vervolg op het Lân fan Taal en bezoekerscentrum OBE als een blijvend podium voor taal en literatuur.


X Noot
1

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake de Nederlandse Taalunie (Trb. 1980, nr. 147), in werking getreden op 1 april 1982 (Trb. 1982, nr. 16).