32 500 VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2011

Nr. 156 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 april 2011

Op 23 maart jl. heb ik met uw Kamer gesproken over een traject dat instellingen eerder duidelijkheid geeft over de subsidies in de basisinfrastructuur na 2012. Een meerderheid van de fracties heeft aangegeven positief tegenover mijn voorstel te staan om het tussenjaar 2013 te schrappen en de criteria voor de nieuwe subsidieperiode op te nemen in een ministeriële regeling.

De fractie van D66 verzocht in het overleg om die regeling voor advies voor te leggen aan de Raad van State. Tijdens het overleg gaf ik aan dat dit, gelet op het tijdpad van de procedure, waarschijnlijk niet mogelijk is. Ik gaf ook aan dit nog nader te onderzoeken en u hierover schriftelijk te informeren. Dat doe ik met deze brief.

Het overleg met Uw Kamer over mijn brief en over de concept-ministeriële regeling staat gepland op 27 juni. Om u de stukken tijdig toe te kunnen zenden, is besluitvorming nodig in de ministerraad van 10 juni. In het traject heeft de Raad voor Cultuur een belangrijke adviserende rol. Eind vorig jaar heb ik de Raad voor Cultuur om advies gevraagd over de inrichting van het nieuwe stelsel. Ik verwacht dit advies op 2 mei. Het advies moet ik betrekken bij mijn brief, en bij het opstellen van de concept-ministeriële regeling. Ik heb in ieder geval twee weken nodig om dat zorgvuldig te kunnen doen. Vervolgens zal ik met de andere overheden en de cultuursector overleg voeren. Ook de uitkomsten daarvan zullen moeten worden verwerkt. Dit betekent dat de brief en de concept-ministeriële regeling pas na dat moment in procedure naar de ministerraad kunnen. Meer voorbereidingstijd heb ik niet.

Ik heb nader onderzocht wat de mogelijkheden zijn tot advisering door de Raad van State. Formele advisering (artikel 17 Wet op de Raad van State) is niet haalbaar binnen de hierboven geschetste planning. De Raad van State heeft in beginsel ook geen formele adviesrol bij de totstandkoming van ministeriële regelingen. Ik wees daar tijdens het Algemeen Overleg op 23 maart jl. al op.

De Raad van State kan op grond van artikel 21a van de Wet op de Raad van State wel om voorlichting gevraagd worden in aangelegenheden van wetgeving en bestuur. Op zichzelf is de Raad van State bereid om zo’n voorlichting desgevraagd snel te geven. Toch moet voor het vragen van zo’n voorlichting en het formuleren van een reactie daarop rekening gehouden worden met een benodigde termijn van enkele weken. De duur die is gemoeid met het vragen van voorlichting aan de Raad van State is derhalve zodanig, dat mij in de huidige planning niets anders zou resteren dan het overleg met de externe partijen in te korten. Dat vind ik niet wenselijk.

Het proces volgens de huidige planning doorlopen en tevens voorlichting aan de Raad van State vragen, leidt er dus toe dat wij een Notaoverleg over de brief en de concept-ministeriële regeling pas na het zomerreces – dus op zijn vroegst in september – kunnen voeren (als bijlage bij deze brief is een toelichtende tijdsbalk opgenomen1). Dit uitstel zou betekenen dat de versnelde procedure waar de meerderheid van de fracties vorige week positief tegenover stond geen doorgang kan vinden, omdat de voorbereidingstijd die instellingen dan nog rest voor de nieuwe situatie te kort is. Ik ben in dat geval weer genoodzaakt terug te vallen op het scenario dat ik u in december heb voorgelegd: de subsidiebesluiten voor de nieuwe periode zouden dan pas op Prinsjesdag 2013 bekend worden. In het belang van de duidelijkheid voor instellingen en de andere overheden acht ik dat laatste niet wenselijk.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

H. Zijlstra


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Naar boven