Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132500-VI nr. 121

32 500 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2011

Nr. 121 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 september 2011

Naar aanleiding van het verzoek van uw Kamer1 om een brief te ontvangen over de bevindingen van het Openbaar Ministerie (OM) aangaande de mogelijkheden tot vervolging, ontbinding en/of verbodenverklaring van de vereniging Martijn (hierna: de vereniging), informeer ik u hierover als volgt.

Tevens deel ik u mee dat ik de op 8 juli jongstleden ingezonden schriftelijke vragen van de leden Van Toorenburg en Omzigt2 over de vereniging Martijn beantwoord zoals aangegeven in de bijlage bij deze brief.

Ik stel voorop dat de vereniging Martijn een vereniging is wier streven ik ten zeerste afkeur. Ik realiseer mij dat de vereniging ook in de maatschappij op grote weerstand stuit. De begrijpelijke onrust over de vereniging kan niet los worden gezien van geruchtmakende zaken als de Amsterdamse zedenzaak. De bestrijding van kindermisbruik en kinderpornografie heeft voor mij de hoogste prioriteit. Ik memoreer dat er per 1 januari 2012 een landelijke stuurploeg kinderporno van OM en politie wordt ingesteld. Ook is er dan één landelijke organisatie bij zowel het OM als de politie die met de uitvoering van de aanpak van kinderporno wordt belast. In deze landelijke organisatie wordt voorzien in capaciteit voor informatie- en kennisdeling, voor coördinatie en voor landelijke opsporing. In de aanpak staan de slachtoffers centraal.

In deze brede context van bestrijding van kindermisbruik kijk ik ook naar de casus van de vereniging Martijn. Ik vind het een goede zaak dat het OM nauwlettend en actief blijft onderzoeken of de vereniging – zowel strafrechtelijk als civielrechtelijk – binnen de grenzen van de wet opereert. Daarbij teken ik aan dat de vrijheid van vereniging en vergadering een grondbeginsel is van onze democratische rechtsstaat. Die grondrechten gelden ook ten aanzien van groeperingen met een gedachtegoed dat ik ver van mij werp. Ook voor deze grondrechten geldt echter dat ze niet absoluut zijn en wettelijke beperking mogelijk is.

Binnen die kaders zal ik mij maximaal inspannen om te bezien of aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor stappen tegen de vereniging.

Mogelijkheden tot straf- of civielrechtelijke aanpak van de vereniging

Onder aansturing van het OM worden de vereniging en haar website al circa tien jaar in de gaten gehouden door het Landelijk Expertisecentrum Kinderporno en het team Beeld en Internet (Kinderporno) van de Dienst IPOL van het KLPD. Doel daarvan is te bezien of individuele leden, bestuurders en/of de rechtspersoon zelf straf- of civielrechtelijke normen overtreden.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor strafrechtelijke aansprakelijkheid van een rechtspersoon er sprake dient te zijn van een in redelijkheid aan de rechtspersoon toe te rekenen gedraging. Belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de strafbare gedraging in de sfeer van de rechtspersoon heeft plaatsgevonden. Daarvan zal met name sprake zijn als de rechtspersoon daadwerkelijke zeggenschap heeft gehad over of leiding heeft gegeven aan het strafbare handelen of nalaten.3

Voor een civielrechtelijk verbod en ontbinding van een rechtspersoon op grond van artikel 2:20 BW is vereist dat wordt vastgesteld dat de werkzaamheid van de rechtspersoon in strijd is met de openbare orde. Aan de verbodenverklaring van een vereniging worden in de rechtspraak, mede gelet op het grondrecht van de vrijheid van vereniging, strenge eisen gesteld. De werkzaamheid van de vereniging moet een zodanige aantasting inhouden van als wezenlijk ervaren beginselen van het Nederlandse recht, dat deze indien zij op grote schaal zou worden toegepast, ontwrichtend zou blijken voor de samenleving.

Recent is alles wat over de vereniging bekend was opnieuw tegen het licht gehouden. De op dat moment beschikbare informatie leverde, ook in onderling verband bezien, geen verdenking op ter zake van door de vereniging gepleegde strafbare feiten. Het OM heeft toen ook onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor een succesvol verzoek tot ontbinding c.q. verbodenverklaring op grond van artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek. Deze conclusie heeft het OM via een persbericht op 18 juni 2011 openbaar gemaakt. Voor de afweging die het College heeft gemaakt is met name het volgende van belang.

De vereniging heeft een kleine kern van leden met daaromheen een groep sympathisanten. Het doel van de vereniging behelst samengevat het volgende: «het bespreekbaar maken van en het streven naar wettelijke en maatschappelijke acceptatie van ouderen/jongeren relaties.»

In de statuten van de vereniging is opgenomen dat alles binnen de grenzen van de Nederlandse wet dient te blijven. Daarnaast is er een banner op de website geplaatst met de mededeling dat berichten die als strafbaar zijn te kwalificeren, zullen worden verwijderd.

De bij de politie en het OM bekende verdachten en veroordeelden van pedoseksuele delicten, waaronder (ex) leden van de vereniging, hebben op onderlinge en individuele basis contacten met elkaar, maar buiten de vereniging om.

Wel ontmoeten zij elkaar (ook) op de site, ledenvergaderingen en huiskamer-bijeenkomsten, maar verdergaande persoonlijke contacten hebben uitsluitend plaats in privésituaties die losstaan van de vereniging. Een aantal (ex-)bestuursleden van de vereniging heeft zich (als natuurlijk persoon) schuldig gemaakt aan of wordt verdacht van het plegen van strafbare feiten. Er kan op dit moment echter geen verband worden gelegd met de vereniging als rechtspersoon.

Hierbij is ook van belang dat niet is gebleken dat op de site of in het (al enige tijd niet meer verschenen) ledenblad en het (inmiddels opgeheven) forum verspreiding van kinderporno heeft plaatsgevonden. Evenmin heeft de politie op de internetsite van de vereniging zogenoemde «tips & tricks» ten behoeve van het plegen dan wel voorkomen/ belemmeren van ontdekking of bevorderen van strafbare feiten aangetroffen.

Lopende acties

In juli is ex artikel 12 Sv een klacht ingediend over de beslissing van het OM de vereniging niet te vervolgen. Dit is reeds aan de orde geweest in mijn beantwoording van Kamervragen4. De zitting waarop deze klacht behandeld zal worden staat gepland voor eind september. Het Hof zal, op basis van alle relevante stukken, de beslissing van het OM om niet tot vervolging over te gaan toetsen. Dan zal duidelijk worden of de uitleg die het OM aan de strafrechtelijke mogelijkheden geeft, strookt met die van de (straf)rechter.

Het Hof kan het OM een opdracht tot vervolging geven.

Ondertussen blijft het OM actief bezien of de vereniging de grenzen van de wet niet overschrijdt en strafrechtelijke aanpak mogelijk is. Het OM zal daadwerkelijk optreden indien en zodra er zich concrete feiten en omstandigheden voordoen die aanleiding geven tot een verdenking van strafbare feiten.

Verder onderzoekt het OM of het huidige wettelijke kader ruimte biedt voor een civielrechtelijke aanpak alsmede of er feiten en omstandigheden kunnen worden aangetoond die een dergelijke aanpak mogelijk maken. Wanneer alsnog aanknopingspunten worden gevonden voor een kansrijke civielrechtelijke actie, zal deze weg worden bewandeld.

Daarnaast vind ik het van belang het toezicht op rechtspersonen zodanig in te richten dat in een zo vroeg mogelijk stadium kan worden voorkomen dat met gebruikmaking van rechtspersonen activiteiten worden ontplooid die evident in strijd zijn met wat maatschappelijk aanvaardbaar is. In dat kader zullen bijvoorbeeld binnen het onlangs (1 juli) in werking getreden systeem van doorlopend toezicht op rechtspersonen bijzondere risicoprofielen worden ontwikkeld. Deze bijzondere risicoprofielen kunnen bijdragen aan een zo tijdig en grondig mogelijke verzameling van relevante feiten en informatie, die nodig is voor een effectieve aanpak van dergelijk rechtspersonen.

Voor het einde van het jaar zal ik uw Kamer een brief doen toekomen, waarin deze en eventueel andere mogelijke opties nader worden uitgewerkt.

De minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten


X Noot
1

Bij de regeling van werkzaamheden d.d. 21 juni 2011.

X Noot
2

Aanhangsel Handelingen 2010/11, nr. 3495

X Noot
3

HR 21 oktober 2003, NJ 2006, 328.

X Noot
4

Aanhangsel Handelingen 2010/11, nr. 3222.