Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132500-V nr. 201

32 500 V Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2011

Nr. 201 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 juli 2011

Graag bied ik u hierbij, mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de reactie aan op het verzoek van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken van 20 mei 2011 – 2011Z10480 – inzake de Sanctieregeling Iran 2007.

De commissie heeft mij verzocht om schriftelijk te reageren op de uitspraak van het Gerechtshof in Den Haag inzake de Sanctieregeling Iran 2007 en hierbij aan te geven welke gevolgen deze uitspraak heeft voor de toepassing van deze regeling.

Op 26 april 2011 wees het Gerechtshof in Den Haag het hoger beroep van de Staat tegen een uitspraak van de Haagse Rechtbank van 3 februari 2010 inzake een deel van de Sanctieregeling Iran 2007 af. De Staat heeft cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het Hof.

Het vonnis van de rechtbank behelst de onverbindendverklaring van enkele bepalingen in de sanctieregeling die beogen uitvoering te geven aan paragraaf 17 van Resolutie 1737 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Deze resolutie verplicht de lidstaten onder andere om gespecialiseerd onderwijs of training van Iraanse onderdanen te voorkomen in disciplines die zouden kunnen bijdragen aan Iraanse proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten en de ontwikkeling van overbrengingsmiddelen voor nucleaire wapens.

De bepalingen die door de rechter onverbindend zijn verklaard, omvatten het verbod om zonder ontheffing van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan Iraanse onderdanen onderwijs aan te bieden in enkele specifieke vakgebieden. Deze vakgebieden hebben betrekking op gespecialiseerde kennis die een bijdrage kan leveren aan het Iraanse nucleaire programma.

De rechtbank kwam tot haar oordeel op basis van de overweging dat het onderscheid in de regeling tussen Iraanse onderdanen en andere personen niet noodzakelijk noch gerechtvaardigd is om uitvoering te geven aan Resolutie 1737. Door het vaststellen van de bestreden bepalingen zou de Staat het discriminatieverbod, zoals onder andere vastgelegd in het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, hebben overtreden.

Het Gerechtshof Den Haag heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

De rechter heeft de onderwijsbeperking voor Iraanse onderdanen onverbindend verklaard. Deze uitspraak geldt echter alleen voor de eisende partijen in de zaak.

De regeling geldt voor het overige nog onverkort en zal dan ook in voorkomend geval worden toegepast jegens studenten die geen partij waren in de zaak waarop de rechterlijke uitspraken betrekking hebben. Op deze wijze blijft de Staat uitvoering geven aan de verplichtingen die voortvloeien uit Resolutie 1737.

De Staat heeft cassatieberoep ingesteld, op de grond dat het onderscheid naar nationaliteit naar het oordeel van de Staat rechtstreeks voortvloeit uit Resolutie 1 737 en vanwege de omstandigheid dat het Hof in zijn overwegingen uitspraken doet over de relatie tussen VN-resoluties en andere internationaalrechtelijke verplichtingen, waarvan de betekenis verder strekt dan tot de onderhavige zaak.

De minister van Buitenlandse Zaken,

U. Rosenthal