Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132500-V nr. 191

32 500 V Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2011

Nr. 191 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 juni 2011

Als toegezegd aan het lid-Nicolaï tijdens het Algemeen Overleg over de Raad Buitenlandse Zaken van 17 februari jl. (Kamerstuk 21 501-02/32 623, nr. 1046) informeer ik u hierbij over de activiteiten en inzet van de regering ter bevordering van internetvrijheid in het buitenland.

Internetvrijheid in de geactualiseerde mensenrechtenstrategie

Nadat de rol van Twitter tijdens de politieke onrust in Moldavië in april 2009 al in de belangstelling stond kwam de wereldwijde aandacht voor het belang van internetvrijheid in een stroomversnelling in de nasleep van de Iraanse presidentsverkiezingen in juni 2009. De huidige ontwikkelingen in de Arabische regio, waarin sociale media een centrale rol spelen, hebben opnieuw het belang duidelijk gemaakt van een vrij toegankelijk internet waarop mensenrechten-rechten worden geëerbiedigd, waar ook ter wereld. In de begin april 2011 aan uw Kamer aangeboden mensenrechtenstrategie «Verantwoordelijk voor vrijheid» is internetvrijheid dan ook als een van de prioritaire mensenrechtenthema’s voor deze regeerperiode opgenomen. Nederland wil een bijdrage leveren aan democratisering en het creëren van ruimte wereldwijd voor mensenrechten-verdedigers om op te komen voor de vrijheden van anderen, ook op internet. Zoals ik in mijn toespraak tijdens een bijeenkomst van het Aspen Institute op 24 maart jl. te Brussel aangaf, hebben internet en nieuwe media de potentie om positieve verandering te brengen, maar daarvoor moet het internet wel open en vrij zijn.

Sinds de instelling van het subsidiekader voor media-pluriformiteit in Iran, dat uitvoering geeft aan het amendement-Karimi/Van Baalen1, is de Nederlandse regering internationaal één van de koplopers in ondersteuning van mediadiversiteit en persvrijheid. Daarbij is de afgelopen jaren steeds sterker een accent komen te liggen op het belang van een vrij toegankelijk, ongecensureerd internet, niet alleen in Iran, maar ook in tientallen andere landen. Naast financiering van een groot aantal projecten heeft Nederland de afgelopen jaren ook bilateraal en in multilaterale fora bijgedragen aan bevordering van internetvrijheid wereldwijd. In deze brief treft u een overzicht van deze initiatieven, en mijn inzet voor de bevordering van internetvrijheid tijdens deze regeerperiode.

Bilaterale aandacht voor internetvrijheid

In reactie op de steeds grotere beperkingen op internet in tientallen landen heeft Nederland zich de afgelopen jaren ingezet voor de bevordering van een vrij internet. In april 2010 organiseerde het ministerie van Buitenlandse Zaken een succesvolle internationale conferentie voor mensenrechtenverdedigers en bloggers rondom het thema «vrijheid van meningsuiting en nieuwe technologieën». De conferentie was niet alleen bedoeld om nieuwe mogelijkheden voor meningsuiting te verkennen en de vorming van nieuwe netwerken te bevorderen, maar ook om de positie van mensenrechtenverdedigers, bloggers en cyberdissidenten in eigen land te versterken en hun veiligheid te vergroten. In veel gevallen is internationale zichtbaarheid de meest effectieve manier om regeringen ervan te weerhouden mensenrechtenverdedigers te arresteren of op andere wijze in hun werk te belemmeren.

Voor individuele zaken van inperking van internetvrijheid maakt Nederland zich eveneens sterk. Zo vroeg Nederland in 2010 herhaaldelijk aandacht voor de positie van twee bloggers in Azerbeidzjan die tot celstraffen werden veroordeeld vanwege hun activiteiten online. In maart 2011 had ik een ontmoeting met de Egyptische blogster Esraa Abdel Fattah, die een leidende rol had tijdens de online protesten tegen de regering van Mubarak begin 2011. Ook heeft Nederland de afgelopen jaren stelselmatig de inperking van de toegang tot vrij internet en de gevolgen daarvan voor verdedigers van mensenrechten in landen als Birma, Iran en Wit-Rusland aan de orde gesteld, en zal daar deze regeerperiode wederom aandacht aan besteden.

Verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven

De geactualiseerde mensenrechtenstrategie bevestigt het grote belang dat de regering hecht aan maatschappelijk verantwoord ondernemen. De regering wil met het bedrijfsleven samenwerken opdat bedrijven hun verantwoordelijkheid kunnen nemen voor de bescherming van mensenrechten in het buitenland. In het kader van bevordering van internetvrijheid geldt dat in het bijzonder voor bedrijven die technologie, hardware en software produceren die zowel goed- als kwaadschiks kan worden gebruikt door overheden. In mijn toespraak over internetvrijheid op 23 mei jl. bij een bijeenkomst te Brussel van de European Center for International Political Economy (ECIPE) heb ik onderstreept dat sommige bedrijven al pro-actief hun verantwoordelijkheid nemen op dit gebied. Een goed voorbeeld was de samenwerking van Google en Twitter die ten tijde van de volksopstand in Egypte via voicemails Egyptenaren de mogelijkheid gaven Twitter-berichten buiten Egypte te verspreiden, toen het bewind het internet had platgelegd.

Om bedrijven hun verantwoordelijk te laten nemen voor de bevordering van internetvrijheid in brede zin bepleitte ik tijdens mijn toespraak op 23 mei eveneens dat bedrijven internationale gedragscodes voor de export van internettechnologie omarmen. De OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en het Global Network Initiative (GNI) zijn hier voorbeelden van. Samen met de ministeries van E,L&I en V & J ging mijn ministerie op 14 april jl. in dit kader in gesprek met Nederlandse bedrijven die internetbeveiliging exporteren. De deelnemende bedrijven (Fox-IT, Group2000 en Digivox) gaven in het gesprek aan nu al zeer kritisch om te gaan met levering van hun producten aan landen waar de mensenrechtensituatie te wensen overlaat, en zij overwegen zich aan te sluiten bij een al bestaande gedragscode, zoals het GNI. Nederland onderneemt in dit kader ook initiatieven binnen de EU. Deze worden verderop in deze brief toegelicht.

Internetvrijheid in internationale fora

De internationale discussie over hoe mensenrechten op internet te beschermen wordt door een breed deelnemersveld gevoerd. Nederland spreekt zich in internationale fora, met overheden, bedrijven, academici, experts, internationale organisaties en NGO’s uit ter verdediging van internetvrijheid.

Europese Unie

Nederland heeft er in EU kader diverse malen voor gezorgd dat de Unie in verklaringen en conclusies het recht op internetvrijheid bepleitte. Zo werden in maart 2010 Raadsconclusies aangenomen waarin Iran werd opgeroepen de vrijheid van informatie te garanderen in de nasleep van de presidentsverkiezingen van 2009. Dankzij Nederland werd daarin ook een expliciete verwijzing naar internet opgenomen. Ook in de Raadconclusies, aangenomen op 21 januari jl ten tijde van de volksopstand in Egypte, is mede op initiatief van Nederland – in reactie op het volledig afsnijden van internet in dat land – een verwijzing naar het belang van ongelimiteerde toegang tot internet toegevoegd.

Nederland heeft meermalen met andere EU lidstaten zijn expertise gedeeld bij de ondersteuning van projecten vanuit het Mensenrechtenfonds gericht op mediadiversiteit en internetvrijheid. Op basis daarvan is Nederland door meerdere lidstaten verzocht om een training ter ondersteuning van de ontwikkeling van hun eigen beleid op dit vlak. Deze zal binnenkort worden verzorgd. Overigens zijn ook met niet-EU landen als de VS en Canada regelmatig best practices ten aanzien van projectondersteuning op dit vlak uitgewisseld.

Ten aanzien van de verantwoordelijkheid van bedrijven voor internetvrijheid heeft Nederland – in lijn met de moties Ten Broeke-Peters2, Van Dam-Peters3 en Ten Broeke c.s4. – in 2009 in EU kader een discussie geopend over de mogelijkheden om de export van bepaalde internettechnologie vanuit de EU te beperken. Door het tweeledige karakter van dergelijke technologie – die ook wordt toegepast voor legitieme doeleinden als de bestrijding van cybercrime – is dit echter een complexe discussie. Veel EU-lidstaten zijn terughoudend over de invoering van een algemene vergunningsplicht, niet alleen omdat deze een zware bureaucratische last veroorzaakt, maar ook omdat het onnodige beperkingen met zich meebrengt voor onomstreden eindgebruik. Dergelijke bezwaren zijn ook in de Verenigde Staten geuit tegen maatregelen van vergelijkbare aard in het wetsvoorstel voor een Global Online Freedom Act (GOFA), die overigens niet door het Huis van Afgevaardigden is aangenomen.

Desalniettemin zal Nederland diverse elementen uit de EU variant van de GOFA zoals reeds door enkele leden van het Europees Parlement voorgesteld actief bepleiten. Nederland zal bijvoorbeeld actief met Europese partners in gesprek blijven over de mogelijkheid voor Europese overheden om op specifieke transacties van technologie in te kunnen grijpen als er aanwijzingen zijn dat de goederen geheel of gedeeltelijk gebruikt zullen worden voor censuur of andere schendingen van mensenrechten op internet.5 Diverse andere elementen van de EU GOFA en vergelijkbare wetsvoorstellen heeft Nederland al meermalen bepleit. Zo heeft Nederland voorgesteld dat de EU – in lijn met de positieve Nederlandse ervaringen op dit gebied – meer geld vrijmaakt voor de verdere ontwikkeling van software waarmee censuur kan worden omzeild en waarmee cyberdissidenten veiliger op internet kunnen opereren. Eveneens is in EU-kader meermalen gepleit voor een EU-brede oproep aan bedrijven om een internationale gedragscode zoals het Global Network Initiative te omarmen. Nederland zal ook, zoals voorgesteld door de leden Peters en Ten Broeke, de EU vragen universiteiten, bedrijven en NGO’s op te roepen overtollige servercapaciteit beschikbaar te stellen voor cyberdissidenten. Ten slotte zal Nederland conform de motie El Fassed6 erop aandringen dat in het EU Human Rights Defenders Handbook een apart hoofdstuk over nieuwe media wordt opgenomen.

Verenigde Naties

Op 3 juni 2011 zal VN Speciaal Vertegenwoordiger voor de Vrijheid van Meningsuiting Frank La Rue aan de 17e VN-Mensenrechtenraad zijn rapport presenteren over de vrijheid van meningsuiting op internet. Het rapport van de heer LaRue is opgesteld op basis van informatie, verzameld in regionale consultaties met NGO’s en organisaties uit het maatschappelijk middenveld op alle continenten. Nederland was vertegenwoordigd bij de closing session van deze regionale consultaties op 31 maart in Stockholm. Op 31 mei ontving ik de heer La Rue in Den Haag om de aanbevelingen van zijn rapport te bespreken, en gaf daarbij aan dat deze een belangrijk richtsnoer zullen vormen voor de uitvoering van het Nederlandse internetvrijheid beleid. Samen met Zweden, dat de totstandkoming van het rapport van de heer La Rue faciliteerde, zal Nederland deze aanbevelingen aangrijpen om in de VN-Mensenrechtenraad te komen tot een resolutie die oproept tot respect voor internetvrijheid. Eveneens zal Nederland in de Mensenrechtenraad, in lijn met de Motie El Fassad en Nicolai7, pleiten voor de instelling van een speciaal panel over internetvrijheid. Daarnaast sprak ik met de heer La Rue af dat Nederland hem zal ondersteunen bij de organisatie van een side event over internetvrijheid en marge van de 66e sessie van de AVVN.

Naast ondersteuning van het rapport van de heer LaRue heeft Nederland ook de afgelopen jaren in VN-verband op de bescherming van internetvrijheid aangedrongen. Zo heeft Nederland succesvol gepleit voor verwijzingen naar internetvrijheid in de resolutie inzake de vrijheid van meningsuiting en de landenresolutie over Iran in de Derde Commissie van de 65e sessie van de AVVN.

Internet Governance Forum (IGF)

In het kader van het jaarlijkse Internet Governance Forum (IGF), het wereldwijde onder auspiciën van de VN georganiseerde Multistakeholderforum op het gebied van internet governance, dat in 2006 is gestart, is de afgelopen jaren steeds meer aandacht geschonken aan het respect voor mensenrechten op internet. En marge van de IGF van 2010 in Vilnius is Nederland samen met Frankrijk en de VS in gesprek gegaan met enkele vertegenwoordigers van grote Europese ICT- en Telecombedrijven over hun verantwoordelijkheid om de vrijheid van meningsuiting middels hun technologie en software te bevorderen. De inzet van Nederland om bedrijven op te roepen internationale gedragscodes te omarmen komt mede uit deze ontmoeting voort. In 2011 vindt de jaarlijkse IGF bijeenkomst plaats van 27 tot en met 30 september in Nairobi. Nederland overweegt om tijdens deze IGF gezamenlijk met NGO’s een side-event te organiseren over hoe NGO’s en overheden beter kunnen samenwerken om schendingen van internetvrijheid wereldwijd beter in kaart te brengen. Daarnaast zal Nederland zich actief opstellen binnen de Dynamic Coalition on Internet Rights and Principles van de IGF, een platform waarin mensenrechten op internet centraal staan.

Naast een actieve opstelling van Nederland in EU, VN en IGF-kader heeft Nederland ook deelgenomen aan conferenties over internetvrijheid georganiseerd door UNESCO, de Raad van Europa en de Universiteit van Toronto.

Projectsteun vanuit het Mensenrechtenfonds

De beveiliging van websites en internetactiviteit is voor mensenrechten-verdedigers, bloggers en online journalisten een belangrijke prioriteit geworden. Veel landen gebruiken technisch geavanceerde middelen bij het volgen, controleren en opsporen van oppositieleden. Zo wordt door landen als China en Iran van overheidswege door Internet Service Providers (ISP’s) technologie gebruikt om informatie over sommige onderwerpen sterk te beperken of moeilijker toegankelijk te maken. Ook worden websites met kritische inhoud regelmatig het slachtoffer van Denial of Service (DoS) aanvallen van overheidswege, waarbij er op één en hetzelfde moment zoveel verbindings-verzoeken aan een server worden gedaan dat deze door ondercapaciteit niet meer bereikbaar is. Niet alle controle is echter technisch: in sommige landen gebruiken overheden simpelweg gegevens van de inschrijving van gebruikers van internetdiensten of bezoekers van internetcafés om gebruikers te volgen.

Voortvloeiend uit de Nederlandse ervaring met steun uit het Mensenrechtenfonds voor projecten in het voormalige Iran-mediakader heeft Nederland de afgelopen jaren diverse organisaties gesteund met projecten gericht op bevordering van de vrijheid van meningsuiting op internet. Enerzijds financiert Nederland daarbij organisaties die journalisten en bloggers trainen in het aanbieden van onpartijdige online media. Zo hebben in Afghanistan beginnende online journalisten, voornamelijk geselecteerd buiten de grote steden omdat aspirant-journalisten daar door een gebrek aan kennis en technologie al een achterstand hebben, na verloop van tijd artikelen kunnen bijdragen aan gerespecteerde nieuwssites. Ook Iraanse journalisten zijn hierin getraind, vaak buiten Iran in verband met hun eigen veiligheid.

Daarnaast bieden diverse organisaties met Nederlandse steun een breed pakket aan tools om internetgebruikers veiliger op internet te kunnen laten opereren. Zo worden er door NGO’s in landen als Burma en Zimbabwe websites, on- en offline nieuwsbrieven en software verspreid waarmee digitale activisten zich beter bewust worden van hun kwetsbare positie op internet, en hoe ze veiliger kunnen opereren. Zoals verzocht door uw Kamer zijn in 2010 extra middelen uit het Mensenrechtenfonds te beschikking gesteld voor internetvrijheid in Iran. De motie8 riep de regering op Iraniërs in staat te stellen op een veilige manier nieuws en informatie te verspreiden via het internet. In het kader van deze motie zijn eind 2009 drie projecten opgezet, die in 2010 doorliepen. Deze projecten waren, evenals andere nog lopende projecten, gericht op het financieren van trainingen waarin cyberdissidenten leren hoe om te gaan met anticensuursoftware. Door Nederland gesteunde organisaties bieden eveneens proxy servers aan digitale activisten buiten Europa die kunnen worden gebruikt om hun websites beter te beschermen tegen hackaanvallen vanuit hun eigen autoriteiten. In de beoordeling van aanvragen voor nieuwe projecten voor financiering uit het Mensenrechten-fonds in 2011 zal in lijn met de Mensenrechtenstrategie een extra accent liggen op ondersteuning van activiteiten gericht op bevordering van de vrijheid van meningsuiting en het vergroten van de mediadiversiteit.

Ministeriële conferentie over internetvrijheid in 2011

In navolging van de door Nederland en Frankrijk gezamenlijk georganiseerde expertmeeting over internetvrijheid op 8 juli 2010 in Parijs, waarvan uw Kamer eerder een verslag kreeg9, is de regering van plan in de tweede helft van 2011 een ministeriële conferentie over internetvrijheid te organiseren. Gezien de vele reeds bestaande internationale dialogen over internet governance in bredere zin wil de regering met deze conferentie zich specifiek richten op een aantal kwesties die mensenrechten op internet aangaan. Samen met Canada is Nederland in gesprek met andere gelijkgezinde landen als de VS, het VK en Zweden om een kopgroep op dit gebied te vormen. De gezamenlijke ambitie daarbij is om waar mogelijk ook met niet-Westerse landen die internetvrijheid als prioriteit hebben opgenomen te identificeren wat landen concreet kunnen doen om internetvrijheid te bevorderen. De kernvragen die daarbij aan bod zullen komen zijn:

  • Landen moeten hun steun voor cyberdissidenten, zowel politiek als projectmatig, versterken. Hoe kunnen ze daarbij het beste samenwerken?

  • Landen moeten bedrijven erop aanspreken dat ze hun verantwoordelijkheid nemen om mensenrechten op internet te beschermen. Hoe kunnen bedrijven die verantwoordelijkheid nemen?

  • Schendingen van de vrijheid van meningsuiting op en toegang tot internet moeten wereldwijd beter in kaart worden gebracht. Op welke manieren is dat mogelijk?

Zodra meer informatie bekend is over de data, agenda en modaliteiten van deze conferentie zal ik uw Kamer daar over informeren.

De minister van Buitenlandse Zaken,

U. Rosenthal


X Noot
2

31 700, nr. 111.

X Noot
3

31 700, nr. 114.

X Noot
5

Zie ook het antwoord op vragen 3 en 5 van de Kamervragen van het lid El Fassed (GroenLinks) aan de ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van Buitenlandse Zaken voer tegengaan van het gebruik van dual use-goederen voor censuur en aftappen, kenmerk 2011Z09259.

X Noot
8

31 700, nr. 113.

X Noot
9

Aanhangsel van de Handelingen vergaderjaar 2009–2010, nr. 3044.