Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132500-IV nr. 42

32 500 IV Vaststelling van de begrotingsstaat van Koninkrijksrelaties (IV) voor het jaar 2011

Nr. 42 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 juni 2011

In antwoord op het verzoek van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties om een afschrift van de brief van de Minister-President van Curaçao, de heer G.F. Schotte, met betrekking tot een onderzoek naar de Centrale Bank van Curaçao en mijn antwoord daarop, deel ik u mee dat ik mij niet vrij voel om brieven die ik van de Minister-President van Curaçao ontvang te publiceren. Mijn antwoord daarop kan om die reden evenmin worden gepubliceerd. De correspondentie tussen de regeringen van de verschillende landen van het Koninkrijk leent zich niet voor openbare publicatie, dat zou de betrekkingen binnen het Koninkrijk kunnen schaden.

De substantie van deze briefwisseling is als volgt. Bij brief van 8 juni heeft de Minister-President van Curaçao, de heer Schotte, mij meegedeeld dat de Minister-President van Curaçao ad interim, de heer Ch. Cooper, de Raad van Commissarissen van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten heeft verzocht om onderzoek in te stellen naar beslissingen van de Centrale Bank dan wel handelingen van de President daarvan. Ik heb daarop geantwoord dat uiteraard de Raad van Commissarissen bevoegd is een dergelijk onderzoek bij de Bank te entameren. Het besluit van de Rijksministerraad van vorige week op verzoek van Curaçao kan uiteraard niet in de plaats treden van onderzoeken welke mogelijk door de afzonderlijke, bevoegde autoriteiten worden gelast. Omgekeerd kan dit functioneel onderzoek niet in de plaats treden van het onderzoek waartoe door de Rijksministerraad is besloten. Het onderzoek waartoe de Rijksministerraad heeft besloten, betreft immers de gehele situatie welke is ontstaan en is primair gericht op aanbevelingen om te komen tot herstel van vertrouwen en niet in de eerste plaats op onderzoek naar feiten en gedragingen die mogelijk hebben plaatsgevonden.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. P. H. Donner