Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132500-IV nr. 40

32 500 IV Vaststelling van de begrotingsstaat van Koninkrijksrelaties (IV) voor het jaar 2011

Nr. 40 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 juni 2011

Tijdens het algemeen overleg d.d. 26 mei jl. met de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties heb ik toegezegd de Tweede Kamer zo spoedig als mogelijk en verantwoord te informeren over de situatie op Curaçao.

Ik heb de afgelopen week geconstateerd dat de situatie op Curaçao in toenemende mate zorgwekkend is, gegeven het feit dat de integriteit en het aanzien van de regering en van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten in een openbaar debat in opspraak zijn geraakt. Ik vind dit los van de achterliggende feiten schadelijk voor het vertrouwen in het bestuur en in de financiële instellingen.

De afgelopen dagen heb ik over de ontstane situatie gesprekken gevoerd met de Gouverneur van Curaçao en met de Minister-presidenten van Curaçao en Sint Maarten. Ook het land Sint Maarten wordt immers direct geraakt door de discussie over de Centrale Bank. De Minister-president van Sint Maarten heeft vanwege deze betrokkenheid aangedrongen op maatregelen om het vertrouwen te herstellen.

De Rijksministerraad heeft vandaag de ontstane situatie besproken en heeft kennis genomen van het verzoek van Curaçao om een onafhankelijk onderzoek. Ook Minister-president Schotte was aanwezig bij dit overleg. De Rijksministerraad heeft op verzoek van Curaçao besloten tot het instellen van een onafhankelijk onderzoek naar de situatie teneinde op zo kort mogelijke termijn te komen met aanbevelingen die ertoe strekken het vertrouwen in de betrokken instituties te herstellen.

Daartoe zal een onafhankelijke commissie worden belast met het onderzoek waarbij rekening zal worden gehouden met de wens van de Staten van Curaçao hierbij ook de Algemene Rekenkamer van Curaçao te betrekken.

In het licht van het aanstaande onderzoek acht ik het niet opportuun verder in te gaan op de feiten zoals deze door betrokken partijen worden gesteld.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. P. H. Donner