32 500 III Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Algemene Zaken en van het Kabinet der Koningin en de Commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (III) voor het jaar 2011

Nr. 8 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 februari 2011

In antwoord op de schriftelijke vragen van het lid Schouw (D66) over de weigering inlichtingen te verschaffen over zakelijke belangen van bewindspersonen, die werden ingezonden op 21 januari 2011 (Aanhangsel der Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 1307), deel ik u, mede namens de minister-president, minister van Algemene Zaken, het volgende mee. Ik betrek daarbij hetgeen aan de orde is gekomen tijdens de regeling van werkzaamheden van uw Kamer op 1, 8 en 10 februari 2011 (Handelingen der Kamer II, vergaderjaar 2010–2011, respectievelijk de plenaire vergaderingen nr. 46, nr. 49 en nr. 51).

De nieuwe vragen van het lid Schouw berusten op de gedachte dat het antwoord op de eerder op 7 december 2010 gestelde vragen als een weigering begrepen moet worden om de Kamer conform artikel 68 van de Grondwet inlichtingen te verstrekken. Impliciet lijken de vragen het uitgangspunt van de regering bij de beantwoording van de eerdere vragen te erkennen, dat de inlichtingenplicht van artikel 68 slechts betrekking heeft op informatie die het functioneren in het ambt betreft. In de nieuwe vragen wordt evenwel gewezen op het belang van Kamerleden om te kunnen controleren of er sprake is van belangenverstrengeling (vraag 1 & 8) en het belang in het algemeen van openbaarheid om de schijn van belangenverstrengeling te voorkomen (vraag 2), als belangen die naar de mening van de vragensteller de gevraagde inlichtingen in de publieke sfeer doen vallen zodat zij binnen het bereik van artikel 68 komen.

Bewindslieden leggen verantwoording af over de aangelegenheden die aan de uitoefening van hun ambt verbonden zijn of daaraan toegerekend kunnen worden. De grondwettelijke plicht om de Kamer van inlichtingen te voorzien heeft daar betrekking op. Die plicht omvat ook inlichtingen van feitelijke aard die niet het handelen van bewindslieden in hun ambt betreffen maar waarover zij beschikken (vraag 6). Maar in dat laatste geval zal het moeten gaan om inlichtingen waarover een bewindspersoon als staatsorgaan beschikt, of die hij als orgaan zou moeten of kunnen verwerven en die van belang zijn voor de besluitvorming van de Kamer. Aangelegenheden in de niet-publieke sfeer vallen hier evenwel niet onder (vraag 4). De Kamer kan op grond van artikel 68 van de minister een verslag vragen van een dienstreis die hij heeft afgelegd, maar niet van de vakantiereis die hij met de familie heeft doorgebracht. De Kamer kan van de minister informatie vragen over de financiën van het departement, maar niet over zijn persoonlijke financiën of die van zijn vrouw en kinderen. De Kamer kan van de minister bescheiden of stukken vragen die bij het departement berusten of die het departement kan verkrijgen, maar niet de eventuele persoonlijke archieven van familie van de minister die bij hem thuis liggen ook al betreft het mogelijk personen die in het publieke leven een rol hebben gehad.

Het gaat hierbij niet om een weigering aan de informatieplicht te voldoen met een beroep op de persoonlijke levenssfeer (vraag 7) of op het belang van de staat (vraag 10), maar om de begrenzing van de informatieplicht zelf. Daarom kan informatie uit de niet-publieke sfeer van de minister die in de regel niet binnen het bereik valt, daar wel onder gaan vallen indien deze sfeer het publieke functioneren van de bewindspersoon beïnvloedt of dreigt te gaan beïnvloeden. Op dat moment kan van een bewindspersoon nadere tekst en uitleg worden gevraagd en zal hij die geven. Wanneer de minister zijn vakantie in de villa van een buitenlands minister-president doorbrengt of van een net gevlucht staatshoofd, dan kan de vakantiereis relevant worden. Als de minister zich in het debat beroept op informatie uit zijn persoonlijk archief dan kan dat archief relevant worden. Als er aanleiding ontstaat om te vermoeden dat de persoonlijke financiën of die van een familielid het publieke functioneren beïnvloeden, of omgekeerd, dan kan van de minister gevraagd worden in hoeverre hij zorg heeft gedragen dat publieke en persoonlijke sfeer gescheiden zijn.

Het belang van openbaarheid als middel om de schijn van verstrengeling van de publieke en niet-publieke sfeer te voorkomen, verandert dit uitgangspunt niet. De invulling van artikel 68 Grondwet berust mede op een afweging van het belang van openbaarheid. Bewindslieden verantwoorden zich in het openbaar en de onder artikel 68 gevraagde informatie wordt in het openbaar verstrekt, tenzij het belang van de staat vertrouwelijkheid rechtvaardigt. Het belang van openbaarheid, voorzover dat niet door artikel 68 wordt bestreken, is geregeld in de wet openbaarheid van bestuur. Op grond van die wet zal een minister eveneens informatie moeten verstrekken ook als deze niet op grond van artikel 68 is gevraagd. De WOB beperkt die plicht echter tot het orgaan minister en bij toepassing daarvan kan beroep gedaan worden op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Het belang van openbaarheid, voorzover het aanvullend is op de plicht van artikel 68, verandert de verhouding tussen de publieke en niet-publieke sfeer van bewindslieden derhalve niet ten principale.

Een centrale gedachte in de nieuwe vragen van het lid Schouw is dat de Kamer moet kunnen controleren of het publieke functioneren van bewindslieden wordt of kan worden beïnvloed door hun niet-publieke belangen (vragen 1, 8 & 9). Dat is niet het uitgangspunt waarop ons staatsrecht berust. Uitgangspunt is dat bewindslieden bij hun aantreden na beëdiging het vertrouwen genieten tot van het tegendeel blijkt. Vertrouwen berust niet op een gedetailleerde controle van de Kamer op de levenswandel en inrichting van hun niet-publieke leven van bewindslieden. Nederland kent niet een «advice and consent» procedure bij de benoeming van bewindslieden zoals de senaat in de Verenigde Staten. In Nederland worden bewindslieden niet door de Staten-Generaal benoemd, maar gecontroleerd. Indien de Kamer de betrouwbaarheid van bewindslieden op voorhand wil kunnen vaststellen zonder specifieke aanleiding, dan zou de verhouding tussen bewindslieden en de Kamer fundamenteel veranderen. De Kamer zou mede verantwoordelijkheid nemen voor het optreden van bewindslieden, met onder meer als implicatie dat de eventuele verstrengeling van publieke en niet-publieke sfeer later geen aanleiding meer zou kunnen zijn voor verlies van vertrouwen. De Kamer kon dit immers controleren.

De huidige regeling ten aanzien van de financiële en zakelijke belangen bij het aantreden van bewindslieden berust op het uitgangspunt van vertrouwen. Elke bewindspersoon draagt zelf zorg voor het voorkomen van verstrengeling van de publieke en niet-publieke sfeer. In een gesprek met de formateur wordt de bewindspersoon voorafgaand aan zijn aantreden gewezen op de regels terzake, zoals deze zijn neergelegd in de brief van de minister-president, minister van Algemene Zaken, van 20 december 2002 (Kamerstukken II 2002/03, 28 754, nr. 1). Ten aanzien van de zeggenschapsrechten inzake relevante financiële of zakelijke belangen moet een kandidaat-bewindspersoon ofwel volledig afstand doen, ofwel een regeling treffen waarbij hij/zij de zeggenschapsrechten gedurende de ambtsperiode niet kan/zal uitoefenen.

Een bewindspersoon draagt voorts de verantwoordelijkheid om niet deel te nemen aan de besluitvorming over zaken die zijn of haar partner, kinderen, andere familie, zakenrelaties, (ex-)belangen of vroegere functies raken, voor zover deelneming in strijd zou kunnen komen met een goede ambtsuitoefening. Met het oog daarop is in de vervangingsregeling in geval van tijdelijke afwezigheid van een minister (Stc. 2010, nr. 16543) in artikel 5 geregeld dat voor zover het gaat om de uitoefening van een taak van een minister ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid waarbij deze persoonlijk en direct betrokken kan zijn, hij vervangen wordt door een andere minister.

Naast de algemene regels over financiële en zakelijke belangen, zoals het bezit van aandelen in individuele beursgenoteerde ondernemingen, geldt voor bewindspersonen van Financiën (vraag 3) dat het zelf beleggen in aandelen van beursgenoteerde beleggingsfondsen ook niet is toegestaan, vanwege de bijzondere bevoegdheden van deze bewindspersonen voor de financiële markten en de informatie waarover zij uit dien hoofde kunnen beschikken.

De Kamer wordt na afloop van de formatie bij brief van de minister-president geïnformeerd over het feit of individuele bewindspersonen regelingen hebben getroffen ten aanzien van relevante financiële of zakelijke belangen. Maar in het licht van bovenstaande vindt er daarbij geen nadere actieve verstrekking plaats van (niet-openbare) gegevens over de specifieke wijze waarop de belangen op afstand zijn geplaatst. Dit behoort immers tot de niet-publieke sfeer van de bewindspersonen.

Het kabinet meent dat deze regeling overeenkomt met het karakter van de verhouding van bewindslieden en de Staten-Generaal in Nederland. Het ziet geen aanleiding om tot een ander systeem te komen. In het bijzonder moet men zich daarbij hoeden voor het overnemen van regels zoals die elders gelden (vraag 11). In ieder land zullen de gehanteerde regels uitgaan van de daar geldende verhouding tussen parlement en bewindslieden. In het Verenigd Koninkrijk zullen die bij voorbeeld mede bepaald worden door het feit dat bewindslieden lid moeten zijn van een van de huizen van het parlement.

Voor het overige verwijs ik naar de beantwoording van eerdere vragen van het lid Schouw die ik, mede namens elk van de afzonderlijke bewindslieden (vraag 5), op 21 december 2010 naar uw Kamer heb gezonden.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. P. H. Donner

Naar boven